Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/5.5.1:5.5.1 De inspecteur
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/5.5.1
5.5.1 De inspecteur
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS465705:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het draagkrachtbeginsel is van belang bij het opleggen van bestuurlijke boeten en komt terug in de evenredigheidstoetsen van artikel 5:46 Awb. In de Memorie van Toelichting wordt daarover het volgende opgemerkt:
“Bij de beoordeling van de evenredigheid van de in concreto op te leggen of opgelegde boete moeten bestuur en rechter zo nodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. In voorkomende gevallen kan daarbij, in lijn met artikel 24 WvSr, ook de draagkracht van de overtreder een rol spelen. Dit betekent niet, dat het bestuursorgaan steeds een onderzoek naar deze draagkracht moet instellen. In de meeste gevallen zal het bestuursorgaan er van mogen uitgaan dat de draagkracht geen beletsel vormt voor het opleggen van een boete. Maar zeker bij hogere boeten zal het bestuursorgaan zich er van moeten vergewissen dat de boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen onevenredige gevolgen heeft. Wat een hoge boete is, zal daarbij mede van de context afhangen. Het ligt voor de hand dat de draagkracht bijvoorbeeld bij boeten op het gebied van de sociale zekerheid eerder en vaker een rol zal spelen dan op veel andere terreinen.”1
Artikel 5:46 Awb kent twee evenredigheidstoetsen: een voor de boeten waarbij de wet het maximum bepaald en het bestuur een zekere vrijheid laat om de hoogte van de boete te bepalen (lid 2), en een voor het op maat maken van wettelijk gefixeerde boeten (lid 3). Het verschil tussen beide systemen is evident daar waar het gaat om toepassing van het draagkrachtbeginsel gaat. Als het bestuursorgaan namelijk een bepaalde mate van vrijheid heeft om de hoogte van de bestuurlijke boete te bepalen (lid 2), dan kan die ruimte in beginsel worden benut om de mate van draagkracht zowel in strafverzwarende als in strafverminderende zin in aanmerking te nemen. Dit is bij een systeem van wettelijk gefixeerde boeten uitgesloten. Daar kan de draagkracht alleen strafverminderend werken, omdat het bestuursorgaan daar slechts de (beperkte) vrijheid heeft om de wettelijke boete te verminderen. Aangezien het fiscale bestuurlijke boeterecht alleen de eerste variant (lid 2 van artikel 5:46 Awb) kent, zal ik me bij de verdere bespreking van het draagkrachtbeginsel hiertoe beperken.
Hoewel de tekst van het tweede lid van artikel 5:46 Awb ruimte laat om de boete te verhogen in geval van een rijke belastingplichtige, lijkt de bovenstaande, letterlijke tekst van de Memorie van Toelichting vooral de aandacht te vestigen op de strafverminderende werking van het draagkrachtbeginsel. Ik heb dan ook geen voorbeelden van strafverzwaring in verband met het draagkrachtbeginsel kunnen vinden in het fiscale bestuurlijke boeterecht. Hierin verschilt het draagkrachtbeginsel in fiscale bestuursrechtelijke context dus van dat in strafzaken.
Het BBBB geeft in paragraaf 7 de inspecteur nadere richtlijnen voor hoe te handelen wanneer sprake is van ‘slechte financiële omstandigheden’. Dergelijke omstandigheden kunnen strafverminderend werken, zowel wanneer deze aanleiding hebben gegeven tot het beboetbare feit (ex tunc) als wanneer deze er voor zorgen dat de belastingplichtige de boete niet kan betalen (ex nunc). Deze laatste categorie geeft invulling aan het draagkrachtbeginsel en kan worden vergeleken met het strafrechtelijke draagkrachtbeginsel van artikel 24 Sr (zie de volgende paragraaf).
De inspecteur lijkt gezien het BBBB niet geheel vrij te zijn in de straftoemeting in gevallen van beperkte draagkracht. Zo dient hij zich ‘kritisch’ op te stellen wanneer de belastingplichtige zich beroept op slechte financiële omstandigheden; het zal dus slechts in uitzonderingsgevallen tot matiging kunnen leiden (lid 6). De kritische houding van de inspecteur – voorheen moest hij zelfs ‘terughoudend’ zijn – is onder andere voorgeschreven voor gevallen waarin de slechte financiële positie door de belastingplichtige zelf is veroorzaakt.2 Hoewel dit een aanwijzing zou kunnen opleveren voor een hogere mate van verwijtbaarheid (eigen schuld),3 is het over het algemeen niet van invloed op de financiële draagkracht van de belastingplichtige. Hij is simpelweg niet in staat om de boete te betalen. De vraag is dan hoeveel inspanningen de inspecteur wil verrichten om de boete in te (laten) vorderen. Soms zullen de inningskosten namelijk dermate hoog uitvallen dat matiging uit efficiencyoverwegingen voor de hand ligt. Dit laatste zal in het strafrecht niet vaak voorkomen, omdat men daar onder meer de vervangende hechtenis nog achter de hand heeft (artikel 24c Sr, zie hierna).