Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.3.2.3
9.3.2.3 Omgang met afwijkende praktijken
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493439:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dijksterhuis 2008, p. 209.
En op onderdelen door verticale precedentwerking, indien een hogere instantie een uitspraak doet die betrekking heeft op een onderwerp dat is opgenomen in de Tremanormen.
Zie par. 4.7.2.2.2.
Zie ook paragraaf 4.9. Het gaat hierbij in mijn visie om een geconstrueerde bevoegdheidsen bindingstheorie.
Zie paragraaf 4.6.2.3.
NVvR-rechterscode. Datum publicatie: 26 november 2001, par. 2.3, onpartijdigheid. Hetgeen opvalt is dat verwezen wordt naar twee aanbevelingen van de NVvR zelf, en niet naar een van de vele rechtersregelingen die onder verantwoordelijkheid van andere sectoroverleggen zoals het LOVCK tot stand zijn gekomen.
Paragraaf 4.7.2.2.4. Indrukken opgedaan uit de Expert-Interviews met voorzieningenrechters.
Dijksterhuis stelt vast dat de werkgroep alimentatienormen zich niet met de naleving van de door haar vastgestelde normen bemoeide, met als oorzaak dat de werkgroep hiervoor ook geen adequate middelen ter beschikking stonden. De afwezigheid van controle op naleving wordt door Dijksterhuis gezien als een zwak punt.1 Ik meen dat het navolgen van Tremanormen, (toentertijd nog) vastgesteld door een organisatie buiten de Rechtspraak, ook niet door een werkgroep die buiten de rechterlijk organisatie staat afdwingbaar behoort te zijn: het betrof immers aanbevelingen van een beroepsvereniging van rechters en officieren van justitie. Bij gebreke aan een artikel 79 lid 1 onder b RO-status, welke reeds volgt uit de omstandigheid dat een orgaan buiten de Rechtspraak de regels heeft vastgesteld, is voorafgaande binding van rechters niet aan de orde. Evenals in het geval van de Beslagsyllabus kan binding slechts voortkomen uit horizontale precedentwerking,2 welke mogelijk in de loop der tijd ontstaat doordat de aanbevelingen in de praktijk van beslechting van individuele geschillen wordt toegepast.3 De grondslag voor deze vorm van binding kan worden gevonden in de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging.4 Voor de Beslagsyllabus heeft eveneens te gelden dat deze door een niet bevoegd orgaan (het LOVCK) wordt vastgesteld, waardoor de regeling geen artikel 79 lid 1 onder b RO-status kent.5 Inmiddels heeft de NVvR een rechterscode opgesteld waarin het volgende is opgenomen:
‘(…) De rechter geeft zich rekenschap van het belang van het bevorderen van rechtseenheid door het recht toe te passen en zich daarbij in beginsel te richten naar aanbevelingen met draagvlak onder collega-rechters zoals de alimentatienormen en de kantonrechtersformule. De rechter motiveert zijn besluit wanneer hij afwijkt van dergelijke aanbevelingen.6
De NVvR blijkt hiermee toch invloed uit te willen oefenen op de navolging van rechtersregelingen door rechters, in ieder geval die welke onder haar auspiciën werden vastgesteld.
Gebaseerd op de theorie van Teuben, die ik overigens onderschrijf, welke uitgaat van horizontale en – in voorkomende gevallen – een verticale binding voor (bepalingen in) rechtersregelingen zoals de Tremanormen en de Beslagsyllabus, lijkt het mij juist dat het vaststellend orgaan geen rol heeft bij de naleving van dergelijke normen. In mijn visie ligt deze taak (uitsluitend) bij de hiërarchisch leidinggevende, die uit het oogpunt van kwaliteit van de rechtspraak, indien en voor zover in de praktijk een horizontale precedentwerking is ontstaan, dan wel verticale precedentwerking zich voordoet, een rechter kan aanspreken op het al dan niet volgen van een aanbeveling welke is opgenomen in een niet-artikel 79 lid 1 onder b RO-rechtersregeling.
Rechters zelf zeggen dat het volgen van een rechtersregeling in belangrijke mate wordt ingegeven door het streven van individuele rechters naar rechtszekerheid en rechtseenheid. Men meent dat alle rechters rechtersregelingen zouden moeten volgen.7 Een sanctiebeleid op het niet naleven van bepalingen in rechtersregelingen door individuele rechters wordt niet voorgestaan (de reacties variëren van ‘krankzinnig’ tot ‘merkwaardig’). De voorzitter van de werkgroep Beslagrecht Tonkens-Gerkema zegt hierover tijdens een Expert-Interview:
‘Een rechter die normen niet toepast, op een wijze die onacceptabel is, (dat wil zeggen: zonder goede reden en/of zonder dit afdoende te motiveren: MM) heeft niet die kwaliteiten die een rechter zou moeten hebben. Het volgen van een rechtersregeling is een van de kwaliteitsindicatoren voor het werk van rechters.’
Ook de eerste voorzitter van de redactieraad Beslagrecht Van der Meer reageert op de vraag naar de wenselijkheid van een sanctiebeleid, dat het in de rede ligt dat in een dergelijke situatie een sectorvoorzitter een goed gesprek met de betreffende rechter zal hebben.