Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.2.2
2.2.2 Het doel van belastingheffing
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270117:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Belastingdienst valt onder het directoraat-generaal Belastingdienst, een organisatieonderdeel binnen het Ministerie van Financiën, waar de politieke leiding ligt bij de minister en de staatssecretaris. Het directoraat-generaal Belastingdienst is verantwoordelijk voor de strategie en de ontwikkeling van het beleid van de Belastingdienst. De Belastingdienst zorgt voor de heffing en inning van het belastinggeld. Het directoraat-generaal Fiscale Zaken, een ander organisatieonderdeel binnen het Ministerie van Financiën, is verantwoordelijk voor de voorbereiding van het fiscale beleid, van de fiscale wetgeving en van de belastingverdragen. De Belastingdienst werkt met een aantal organisatieonderdelen, waarvan de FIOD er één is. De FIOD is de opsporingsdienst van de Belastingdienst. De FIOD houdt zich dus ook bezig met het afdwingen van het naleven van fiscale verplichtingen. In § 1.5.7. wordt uitgelegd dat de afbakening van dit onderzoek in lijn geschiedt met deze organisatie indeling. Enkel Belastingen en de FIOD komen aan bod.
De Langen 1954, onderdeel 1.0.
Het beginsel van de minste pijn wordt verder niet behandeld, het ziet vooral op de wijze van heffing: belasting moet op grond van dit beginsel worden geheven op een zodanige wijze dat dit in psychisch opzicht zo weinig mogelijk pijn veroorzaakt, aldus De Langen (1954, p. 344). De beginselen die hier centraal staan zien vooral op de rechtvaardigheid van de belastingdruk.
De Langen 1954, onderdeel 1.0.
Niet alleen van rijk naar arm, maar bijvoorbeeld ook van jong naar oud (via de Algemene Ouderdomswet).
De Langen 1954, p. 146.
Progressie naarmate de graad van verwantschap hoger is.
De Langen 1954, p. 184.
De Langen 1954, p. 234.
De Langen 1954, p. 403.
Wanneer de juridische houdbaarheid van het bestaande systeem van sanctionering centraal staat, is de vraag naar het doel van belastingheffing relevant. De ijver die gepaard gaat met het afdwingen door de Belastingdienst van naleving van fiscale verplichtingen door belastingplichtigen, is immers terug te voeren op de oorspronkelijke ontstaans-, en/of bestaansreden van deze verplichtingen.1 De doelen van fiscale rechtshandhaving komen overeen met de primaire heffingsdoeleinden.
Naast het feit dat belastingen een zeer belangrijke budgettaire opbrengst voor de overheid vormen2, en het vullen van de schatkist dus een belangrijk heffingsdoel is, is het Nederlands belastingstelsel ook op andere heffingsdoeleinden gestoeld. De Langen schreef in 1954 over de primaire heffingsdoeleinden in zijn boek ‘De grondbeginselen van het Nederlandse belastingrecht’. De grondbeginselen zijn volgens hem de niet in de wetten opgenomen zeer algemene regels welke ten grondslag liggen aan de talloze door de wetgever gegeven voorschriften.3 Volgens De Langen geven deze algemene regels uitdrukking aan gevoelens van ieder mens, welke gevoelens de fundamentele drijfveren van de wetgever zijn. Volgens de Langen liggen zes grondbeginselen ten grondslag aan belastingheffing: het draagkrachtbeginsel, het beginsel van de bevoorrechte verkrijging, het profijtbeginsel, het welvaartbeginsel, het beginsel van de minste pijn4 en het beginsel van de maximale realisatie.
Het draagkrachtbeginsel is gebaseerd op een solidariteitsgedachte en houdt in dat de belastingdruk zó over individuen moet worden verdeeld, dat de draagkrachtverhoudingen voor en na belastingheffing, hetzelfde zijn: een gelijkmatige verdeling van belastingdruk over burgers en de zwaarste schouders dragen de zwaarste lasten.5 Belastingheffing heeft op grond van het draagkrachtbeginsel dus een herverdelingsfunctie.6 Het tweede grondbeginsel van belastingheffing in Nederland is het beginsel van de bevoorrechte verkrijging. De Langen omschrijft het beginsel als volgt:
“Wanneer bij het verkrijgen van een bate de verkrijger in een bevoorrechte positie verkeert in vergelijking met anderen, mag een speciale belasting in relatie tot de grootte van die bate geheven worden.”7
Dit beginsel treft volgens De Langen niet zo algemeen als het draagkrachtbeginsel. Als voorbeeld kan dienen de progressie in het tarief binnen de Successiewet.8 Het derde grondbeginsel van belastingheffing is het profijtbeginsel. Het beginsel behelst het principe dat belasting mag worden geheven in relatie tot de mate waarin iemand van overheidsdiensten geniet. Zolang de overheid een belastingplichtige meer teruggeeft dan hij moet offeren, is heffing volgens dit beginsel gerechtvaardigd.9 Bekende voorbeelden zijn de hondenbelasting en de Motor Rijtuigen Belasting (hierna: MRB). Het belastingsysteem wordt daarnaast ingeschakeld als instrument om andere doelstellingen van beleidsmakers te realiseren (nevendoeleinden van belastingheffing). Voorbeelden zijn het bevorderen van economische groei (bijvoorbeeld door maatregelen die beogen het arbeidsaanbod te vergroten, of die de investeringen in de winstsfeer stimuleren10), het zichtbaar maken van maatschappelijke kosten (zoals milieuheffingen), of het wijzigen van de samenstelling van bestedingen (accijnzen op tabak bijvoorbeeld). De Langen brengt deze nevendoeleinden van belastingheffing onder in zijn vierde grondbeginsel, het welvaartbeginsel.11 Onafhankelijk van de verschillende doelen die met belastingheffing bereikt worden, staat vast dat de overheid dankzij belastinginkomsten veruit de meeste van haar uitgaven moet kunnen financieren. In dit verband is juiste of richtige belastingheffing altijd van belang. Het zesde grondbeginsel, het beginsel van de maximale realisatie, ziet erop toe dat de bovengenoemde doeleinden kunnen worden gerealiseerd opdat in budgettaire zin een maximaal resultaat kan worden behaald.12