De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.3.c:VII.5.3.c De casus Konsensus
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.3.c
VII.5.3.c De casus Konsensus
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377327:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Haag 31 januari 2006, JOR 2006/175 (Konsensus).
Vrz. Rb. Middelburg 6 januari 2005, n.g. (Konsensus).
Zie ro. 10: 'Of Konsensus er slecht voor zou staan en er geen liquide middelen meer beschikbaar zijn, doet immers niet ter zake (...)' en verderop: (...) kan voorts in het midden blijven of de financiële positie van de vennootschap noopt tot het treffen van een zodanige voorziening.'
Het hof volgt op dit punt eenzelfde route als de president de zaak Wighers/De Jong.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak Konsensus werd een vordering tot overdracht toegewezen.1 Opvallend is overigens dat zowel de voorzieningenrechter als het hof de vordering niet toewijzen met toepassing van de norm van art. 2:336 BW.
Na anderhalf jaar waren er samenwerkingsproblemen gerezen tussen de twee natuurlijke personen die bij de joint venture Konsensus BV waren betrokken. Een impasse in de aandeelhoudersvergadering en het bestuur was het gevolg. De twee aandeelhouders die ieder de helft van de aandelen hielden en samen het bestuur vormden, vorderden over en weer de overdracht van de door de ander gehouden aandelen. Ze waren het er over eens dat de enige oplossing van de impasse was dat de één de aandelen aan de ander zou overdragen. De vraag was enkel: wie van de twee zou in de BV mogen `achterblijven'?
De voorzieningenrechter en het hof kozen voor de aandeelhouder die van het begin af aan meer arbeid in de onderneming had gestoken. De voorzieningenrechter nam hierbij in aanmerking dat Konsensus er in financieel opzicht 'slecht voorstond'.2
Ik vind het opvallend dat het hof de financiële positie van de vennootschap niet meeweegt. Het al dan niet beschikbaar zijn van liquide middelen doet duidelijk niet ter zake.3 Het waarborgen van het voortbestaan van de vennootschap en het voorkomen van een faillissement zijn in deze zaak dus blijkbaar niet noodzakelijke voorwaarden voor de uitstoting van een aandeelhouder. In de zaak Wighers/De Jong was een onafwendbaar faillissement nu juist het hoofdmotief voor uitstoting. Een mogelijke verklaring voor dit verschil is de tussen partijen heersende overeenstemming over de onmogelijkheid om de samenwerking te continueren. De twee aandeelhouders weten dat uitstoting van een van hen onvermijdelijk is. De rechter moest de ongelukkige aanwijzen. In zulke omstandigheden is een gevaar voor het voortbestaan van de vennootschap blijkbaar niet vereist. Ik vraag mij af of een uitstoting in kort geding in zo'n geval gerechtvaardigd is. Vaststaat dat de geschillenregeling in ieder geval bedoeld is voor een casus zoals de onderhavige. De geschillenregeling heeft ten doel het opheffen van een situatie waarin door de tegenstellingen tussen aandeelhouders de samenwerking onmogelijk is of dreigt te worden. Voor de toewijzing van een voorziening in kort geding is echter tevens `spoedeisendheid' vereist. De spoedeisendheid, die met een dreigende faillissement van de vennootschap zeker aanwezig is, moet in de casus Konsensus in andere omstandigheden gelegen zijn. Uit de uitspraak bleken deze omstandigheden niet. Ik ben van mening dat de rechter hier de overdracht van de aandelen in kort geding niet bij wijze van voorlopige voorziening had mogen treffen.
Een saillant detail is dat in hoger beroep de gevraagde deskundigenbenoeming niet werd toegewezen. Het hof wees op de mogelijkheid van aandelenwaardering zoals neergelegd in de oprichtingsakte, al zal het de in deze akte opgenomen statuten bedoeld hebben. Hierbij tekende het hof aan dat in kort geding niet de benoeming van een deskundige kon worden bevolen. Dit was (en is) namelijk niet een voorlopige voorziening.4