Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/3.4.2
3.4.2 Het bepalen van marktmacht
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183421:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Jones & Sufrin 2016, p. 55; Roger J. Van den Bergh & Peter D. Camesasca 2006, p. 107; L. Kaplow, Why (Ever) Define Markets?. Harvard Law Review, Forthcoming; Harvard Law and Economics Discussion Paper No. 666; Harvard Public Law Working Paper No. 11-08. Available at SSRN: https://ssrn.com/abstract=1750302
Roger J. Van den Bergh & Peter D. Camesasca 2006, p. 107; Bishop & Walker 2018, p. 51. Residual demand elasticity heeft betrekking op hoe sterk de rest van de markt reageert op prijsveranderingen.
Roger J. Van den Bergh & Peter D. Camesasca 2006, p. 110-111.
Zie Bishop & Walker 2018, p. 47.
Zie ook: Roundtable on market definition, OECD, DAF/COMP(2012)13
Bishop & Walker 2018, p. 52.
Een bespreking van deze instrumenten valt buiten het bestek van dit hoofdstuk. Ik verwijs de geïnteresseerde lezer naar Bishop & Walker 2018, p. 56 en Van den Bergh & Camesasca 2006, p. 110 e.v.
Zie HvJEU 6 december 2012, C-457/10 P, ECLI:NL:XX:2012:BY6475 (Astra Zeneca), punt 176 (met verdere verwijzingen). Het bezit van een uiterst groot marktaandeel gedurende een zekere tijd behoudens buitengewone omstandigheden het bewijs van het bestaan van een machtspositie oplevert (HvJ EG 13 februari 1979, C-85/76, Jur. 1979, C-85/76, punt 41 (Hoffmann-La Roche/Commissie) ), en dat een marktaandeel van meer dan 50 % een uiterst groot marktaandeel is (HvJ EG 3 juli 1990, C-62/86, Jur. 1991, p. I-3359, punt 60 arrest AKZO/Commissie, punt 60).
HvJ EG 13 februari 1979, C-85/76, Jur. 1979, C-85/76, punt 41 (Hoffmann-La Roche/Commissie).
HvJ EG 3 juli 1990, C-62/86, Jur. 1991, p. I-3359, punt 60 (AKZO/Commissie).
Jones & Suffrin 2016, p. 322. Bishop & Walker 2018, p. 180-181 geven aan dat marktaandelen de belangrijkste factor is voor het bepalen van een machtspositie.
Voor het aantonen van marktmacht worden in de literatuur twee methoden genoemd: de directe- en de indirecte methode.1 Volgens de directe methode wordt de marktmacht bepaald aan de hand van informatie over de prijzen, de marginale kosten en de zogenoemde ‘residual demand elasticity’.2 Een hulpmiddel is de zogenoemde Lerner-index, waarmee wordt gemeten in hoeverre de prijs ligt boven het concurrerende prijsniveau.3 In hoeverre een onderneming marktmacht kan uitoefenen hangt, vanuit economisch perspectief, (ook) af van de (al eerder genoemde) elasticiteit van de vraag van het product dat hij aanbiedt.4 Elasticiteit ziet erop hoe sterk de vraag reageert op een verandering van de prijs. Dit is een logische gedachtegang: als een onderneming zijn prijs verhoogt boven het concurrerende niveau (dus marktmacht), en de vraag daalt sterk (elastisch), dan levert die prijsverhoging de onderneming minder winst op dan wanneer de vraag minder sterk daalt (meer inelastisch). De conclusie is dat hoe inelastischer de vraag is, hoe waarschijnlijker het is dat een onderneming marktmacht uitoefent. De gegevens die nodig zijn om de prijzen, de marginale kosten en de elasticiteit te kunnen berekenen, zijn echter vaak niet of moeilijk beschikbaar. Daarom wordt in de praktijk doorgaans uitgeweken naar de indirecte methode voor het vaststellen van marktmacht.
De indirecte (en meest gebruikte) manier voor het bewijzen van marktmacht is dat eerst de relevante markt wordt afgebakend en vervolgens aan de hand van marktaandelen wordt nagegaan of de ondernemingen marktmacht bezitten.5 Op basis van de concurrentiestructuur op de (afgebakende) markt wordt dus de marktmacht bepaald. Verschillende factoren leggen dan gewicht in de schaal of er sprake is van marktmacht. Bishop en Walker noemen het aantal met elkaar concurrerende aanbieders van hetzelfde product, hun marktaandelen en concentratie op de markt, toegangsbelemmeringen en potentiële concurrentie, uitbreidingsbelemmeringen, productdifferentiatie en de aard van oligopolistische interactie tussen bedrijven.6 Marktaandelen kunnen, volgens de Europese Commissie, een nuttige eerste indicatie zijn van de marktstructuur en van het relatieve belang van de verschillende ondernemingen die op de markt actief zijn, maar daarbij dient niet de marktcontext te worden vergeten.7 De concentratie kan worden vastgesteld met behulp van een concentratie-index, zoals de Herfindahl-index.8
Een voorbeeld van een arrest waar marktaandelen een belangrijke rol speelden, en zowel de directe als indirecte methode aan bod kwamen, is het arrest Hofmann-La Roche. 9 Daaruit volgt, met zoveel woorden, dat de vraag of een onderneming een dominante marktpositie inneemt, afhangt van het marktaandeel van de onderneming op de relevante markt. Uit het arrest volgt ook dat het bezit van een uiterst groot marktaandeel gedurende een zekere tijd behoudens buitengewone omstandigheden het bewijs van het bestaan van een machtspositie oplevert.10 In het AKZO-arrest overwoog het Hof dat van een uiterst groot marktaandeel sprake is bij een marktaandeel van meer dan 50%.11 In het algemeen geldt dan ook dat hoe hoger het marktaandeel, hoe waarschijnlijker het is dat er sprake is van een machtspositie van de betrokken onderneming(en).12 Marktaandelen kunnen echter pas berekend worden nadat is vastgesteld wat de ‘relevante’ markt is. Dat aspect heb ik in dit hoofdstuk uitvoerig behandeld. Over de betekenis van marktaandelen bij de zelfbeoordeling van samenwerkingsvormen onder het kartelverbod zal ik in deel II van dit boek uitvoeriger ingaan, meer specifiek komt dit aan bod bij het onderwerp ‘pools’ in hoofdstuk 6.