De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.4.2.a:V.4.2.a In actie tegen weigerachtige aandeelhouders
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.4.2.a
V.4.2.a In actie tegen weigerachtige aandeelhouders
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378579:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De toelichting verduidelijkte dat lid 5 een extra executiemogelijkheid voor de uitgestoten aandeelhouder geeft. Naast de in gebreke blijvende aandeelhouder zijn de overige eisers voor dat bepaalde aandelenpakket verbonden tot betaling. Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 23.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de aandeelhouder die de aandelen moet overdragen, dit weigert, kan op grond van art. 2:341 lid 4 en 2:343 lid 6 BW de vennootschap namens hem de aandelen leveren. De wet creëert dus een soort volmacht voor de vennootschap. De betaling geschiedt gelijktijdig, al dan niet aan de vennootschap. Zij dient er vervolgens voor te zorgen dat de aandeelhouder die zijn aandelen kwijt is, de betaalde gelden ontvangt.
Lid 5 van art. 2:341 BW biedt een helpende hand aan de aandeelhouder die moet overdragen, maar geconfronteerd wordt met een niet-betalende (eisende) aandeelhouder. Blijft deze laatste in gebreke, dan zijn de overige eisers verplicht de aandelen die nog 'in de lucht hangen' over te nemen. Dit hangt samen met de (reeds besproken) gedachte dat 'de aandeelhouders moeten instaan voor elkaar'. Er geldt een termijn van twee weken nadat vast is komen te staan dat een eiser de prijs niet voldoet.1 Voor de uittreding geldt ex art. 2:343 lid 7 BW een spiegelbeeldige plicht voor de gedaagde aandeelhouders. De andere aandeelhouders moeten deze resterende aandelen betalen en overnemen, naar evenredigheid van hun aandelenbezit. Het blijkt niet duidelijk welk bezit als uitgangspunt dient. Gaat het om het aantal aandelen, gehouden voordat enige levering ter uitvoering van het overdrachtsvonnis plaatsvindt? Of is reeds de nieuwe verhouding binnen de aandeelhoudersvergadering de maatstaf? Ik zou menen dat het aandelenbezit in de laatste situatie de basis is op grond waarvan art. 2:341 lid 5 en art. 2:343 lid 7 BW de verplichting opleggen.
Deze regeling werkt volgens mij vertragend: eerst moet een eiser in gebreke zijn, vervolgens behoren de overige eisers binnen twee weken tot betaling over te gaan. Wat nu indien een van de overige eisers dit weigert? Is dan een ingebrekestelling van deze tweede weigeraar vereist, waarna lid 5 wederom geldt? Bij de uittreding spelen soortgelijke kwesties, indien een gedaagde aandeelhouder de prijs niet voldoet. Voorts is mij niet duidelijk wat de mogelijkheden zijn voor de uitgestoten of de uittredende aandeelhouder indien alle tot overneming verplichte aandeelhouders van meet af aan niet van zins zijn te betalen.
Ik wijs erop dat een dergelijke ingewikkelde en mogelijk tot complicaties aanleiding gevende regeling bij de uitkoop niet is opgenomen. Blijkbaar is de gedachte dat de gedwongen overdracht van art. 2:92a/201a BW zonder slag of stoot plaats zal vinden. Ik vraag mij af waarom de wetgever bij de geschillenregeling een andere mening was toegedaan. Bij de uitkoop is voor de aandeelhouder die weigert zijn aandelen te leveren, de oplossing gezocht in de consignatie. Met het storten in de consignatiekas gaat het onbezwaarde recht op de aandelen van rechtswege over. De uitkopende aandeelhouder zal in de regel ook wel betalen, omdat hij juist de enige aandeelhouder in de vennootschap wil worden. Indien echter de prijs van de aandelen onverwacht veel hoger uitvalt dan hij had gevorderd, zou hij wel eens onwillig kunnen worden. Het bevel van de OK tot betaling blijft dan in het luchtledige hangen. De minderheidsaandeelhouder die zich in die hoge prijs wel kan vinden, staat dan niet een regeling zoals in art. 2:341 lid 5 BW ten dienste. Hem rest de normale wijze van executie van een rechterlijk vonnis.