Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/10.3.2
10.3.2 Schadeverzekeringen
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949812:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de details hoofdstuk 1.
In hoofdstuk 10.3 ga ik niet in op de portefeuilleoverdracht met behulp van de toezichtrechtelijke route beschreven in de Wft door herverzekeraars omdat uit mijn empirisch onderzoek is gebleken, dat deze procedure door herverzekeraars nauwelijks wordt gebruikt. Zie voor mijn empirisch onderzoek hoofdstuk 6.10. Herverzekeraars volgen in geval van een portefeuilleoverdracht de civielrechtelijke route van art. 6:159 BW.
Zie de desbetreffende aanbeveling in hoofdstuk 10.4.
Inleiding
De procedure voorgeschreven in de Wft voor wat betreft de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens verzekeringen voor schadeverzekeraars wijkt af van de procedure voor levensverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars.1 Bij de overdracht van schadeverzekeringen worden alle mededelingen namelijk ná de overdracht gedaan. Tot nu toe betreft het meestal advertenties in de Staatscourant en drie landelijke dagbladen.
Een aantal van de argumenten die ik hiervoor heb gebruikt om over te gaan op individuele kennisgevingen in plaats van advertenties in drie landelijke dagbladen geldt ook ten aanzien van schadeverzekeraars. De verkrijgende verzekeraar moet de betrokkenen op grond van art. 14 AVG er toch al van op de hoogte stellen dat hij de verwerkingsverantwoordelijke is geworden en waar zijn privacy statement te vinden is. Ook bij schadeverzekeringen lijkt een aanpak met individuele kennisgevingen in de geest van art. 7:933 BW en passend in de tijdgeest van transparantie.
Mijn voorstel
De schadeverzekeraar die rechten en verplichtingen met instemming van DNB heeft overgedragen, moet van de overdracht mededeling doen in de Staatscourant (art. 3:120 lid 1 Wft). Een schadeverzekeraar doet tevens van de overdracht mededeling op andere door DNB te bepalen wijze (art. 3:120 lid 2 Wft). Ook hier stel ik voor dat DNB voortaan opdracht geeft om (naast de mededeling in de Staatscourant) een individuele kennisgeving toe te sturen. Dit betreft dan een individuele kennisgeving aan de bij de overdracht betrokken verzekeringnemers. Zij hebben op grond van art. 3:120 lid 7 Wft het Wft-opzegrecht.
In de kennisgeving wordt dan medegedeeld dat een overdracht heeft plaatsgevonden, dat DNB hiervoor instemming heeft verleend, en gewezen op het Wft-opzegrecht. In de kennisgeving kan ook een passage worden gewijd aan de AVG informatie. De advertenties worden door de overdragende verzekeraar geplaatst. Het zal dus een individuele kennisgeving betreffen die door de overdragende schadeverzekeraar wordt verzonden. De overnemende verzekeraar doet er daarom verstandig aan in de transactiedocumentatie te bedingen dat de inhoud van een individuele kennisgeving zijn goedkeuring behoeft. Ook hier geldt dat geen wijziging van de Wft vereist is om hiertoe over te kunnen gaan.
Dit zou er echter toe kunnen leiden dat veel vaker voor de civielrechtelijke route van art. 6:159 BW wordt gekozen
Indien DNB de schadeverzekeraars opdracht zou geven om een individuele kennisgeving te versturen, dan doet zich mijns inziens mogelijk echter een issue voor dat niet aan de orde is bij levensverzekeringen en natura-uitvaartverzekeringen. Daarvoor moeten we terug naar hetgeen ik heb beschreven in hoofdstuk 3.2. Schadeverzekeraars (en overigens ook herverzekeraars)2 kunnen in geval van een portefeuilleoverdracht ervoor kiezen om niet de toezichtrechtelijke route te volgen, maar de civielrechtelijke route van art. 6:159 BW.
In geval van toepassing van art. 6:159 BW is behalve een akte tussen de overdragende en de verkrijgende verzekeraar ook medewerking van de polishouders vereist. In hoofdstuk 3.2 heb ik beschreven dat de verzekeraar in feite kan kiezen tussen (a) het vragen van een reactie waaruit blijkt dat de polishouder zijn medewerking wil verlenen of (b) het gebruiken van een tekst waarin hij laat weten dat hij ervan uitgaat dat de polishouder zijn medewerking wil verlenen, tenzij deze laat weten dat dat niet geval is.
Indien DNB aan schadeverzekeraars voortaan in het geval van de toezichtrechtelijke route opdracht gaat geven om een individuele kennisgeving te sturen, dan ontstaan er voor de schadeverzekeraar – kort door de bocht geformuleerd – in feite twee opties voor een portefeuilleoverdracht:
1e het volgen van de toezichtrechtelijke route, waarin hij de instemming vraagt van DNB voor de portefeuilleoverdracht en waarin hij een advertentie in de Staatscourant moet zetten en individuele kennisgevingen moet versturen aan polishouders met een mededeling over het opzegrecht op grond van de Wft; en
2e het volgen van de civielrechtelijke route, waarin DNB geen rol speelt en waarin hij individuele kennisgevingen aan polishouders moet versturen waarvan de essentie is dat hij ervan uitgaat dat zij hun medewerking in de zin van art. 6:159 BW willen verlenen, tenzij zij laten weten dat dat niet het geval is.
Het zou zo maar kunnen dat er dan plotseling veel vaker voor de civielrechtelijke route wordt gekozen in plaats van voor de toezichtrechtelijke route.
Maar indien schadeverzekeraars in groten getale voor de civielrechtelijke route in plaats van voor de toezichtrechtelijke route gaan kiezen, dan moet men vrees ik concluderen dat polishouders er niet op vooruit zijn gegaan. In de huidige situatie doet DNB een beoordeling van de portefeuilleoverdracht. Dan zou een situatie ontstaan waarin polishouders die beoordeling eigenlijk zelf moeten doen. Dat lijkt geen verbetering van de positie van polishouders.
Dat brengt mij op de gedachte dat DNB mijn voorstel over de communicatie over portefeuilleoverdrachten van schadeverzekeringen mogelijk maar beter pas op kan volgen op het moment dat de Wft zodanig is gewijzigd dat voor een deel van de overdrachten van portefeuilles met schadeverzekeringen waarbij art. 6:159 BW wordt toegepast alsnog wél de instemming van DNB noodzakelijk is geworden.3