Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/8.2.4:8.2.4 De vergoeding van strooischade in mededingingszaken overbodig?
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/8.2.4
8.2.4 De vergoeding van strooischade in mededingingszaken overbodig?
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575198:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verdedigd zou kunnen worden dat het relatief onbelangrijk is dat de kleine bedragen aan strooischade (van het tweede type waarbij sprake is van rationele desinteresse bij de uiteindelijke gelaedeerden) voor vergoeding in aanmerking komen omdat het om minimale bedragen per gelaedeerde gaat. Vergelijk ook art. VI. — 6:102 van de Draft Common Frame of Reference waarin is neergelegd dat 'Trivial damage is to be disregarded' (de minimis regel). Dit argument is echter niet houdbaar. Hoewel de schade per individuele consument gering is, hebben een of meer schenders van het mededingingsrecht een aanzienlijk voordeel kunnen behalen als gevolg van de schaalgrootte enerzijds en de onmogelijkheid om daar als individuele consument iets tegen te ondernemen anderzijds.
Tzankova wijst er terecht op dat strooischade niet als bagatelschade mag worden gezien.1 Zij onderscheidt een viertal redenen waarom de aanpak van strooischade wenselijk is.2 In de eerste plaats wordt met de aanpak van strooischade een betere aansluiting gevonden bij in de samenleving levende noties van rechtvaardigheid, die meebrengen dat een normschender niet van zijn normschendend gedrag mag profiteren. Hiermee hangt samen de toenemende maatschappelijke behoefte naar redres van onrecht. In de tweede plaats worden ongelijkheidsverhoudingen gecorrigeerd. In de derde plaats wordt normvervaging met bijbehorende uitstralende werking tegengegaan. In de vierde plaats zal van de aanpak van strooischade enige preventieve werking kunnen uitgaan omdat de laedens zelf voor de kosten van de mededingingsbeperkende gedraging moet opdraaien. De door Tzankova genoemde argumenten gelden ook voor de strooischade die veroorzaakt is door een schending van het mededingingsrecht.