Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.3.2:18.3.3.2 Cautieverzuim
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.3.2
18.3.3.2 Cautieverzuim
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494643:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader Melai/Groenhuijsen, aant. 16 bij art. 29.
Zie onder meer HR 16 november 1982, NJ 1983, 283 (m.nt. ’t Hart) en HR 13 september 1988, NJ 1989, 454.
Zie Buruma 2010.
Zie Mevis/Boksem, onderdeel 20.6.2.
HR 6 juli 2010, NJ 2010, 423.
Fibbe 2011, p. 39.
Zie § 18.3.1.5.2 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer de overtreder door het ontbreken van de cautie niet is benadeeld, dan kan een verklaring aan het bewijs bijdragen.1 Of hij is benadeeld, zal mede afhangen van het antwoord op de vraag of hij in het kader van het (politie)verhoor toegang tot een advocaat heeft gekregen.2 Voorstelbaar is dat ook wanneer de verdachte (tijdig) op het zwijgrecht wordt gewezen, bij gebrek aan verhoorbijstand de kracht van de cautie komt te vervallen en de afgelegde verklaringen voor het punitief bewijs (moeten) worden uitgesloten.3 In de literatuur is erop gewezen dat bij overtreding van het pressieverbod de marge voor reparatie minder ruim lijkt te zijn dan bij een cautieverzuim.4
Uit de jurisprudentie van de strafkamer van de HR volgt dat per verklaring moet worden beoordeeld of sprake is van een cautieverzuim. Wanneer bij de eerste verklaring sprake is van een cautieverzuim, maar de verdachte voorafgaand aan zijn latere verklaringen wel is gewezen op diens zwijgrecht, dan wordt slechts de eerste verklaring mogelijk uitgesloten van het bewijs.5
Samenloop met détournement de pouvoir
Fibbe wijst erop dat wanneer de cautie ten onrechte uitblijft, de persoon aan wie vragen worden gesteld, voor een interessante keuze wordt gesteld: ofwel hij weigert te antwoorden, stellende dat hij daartoe niet verplicht is, ofwel hij geeft de gevraagde antwoorden en voert in een later stadium aan dat het door middel van die antwoorden vergaarde bewijs, onrechtmatig is verkregen. Hij zal dan moeten aantonen dat hij zich bevond in een situatie die materieel met een verhoor gelijk moet worden gesteld.6 In dit verband wijs ik erop dat als de inspecteur zijn toezichtsbevoegdheden enkel zou inzetten om het voor de strafvervolging benodigde bewijs te vergaren en door te geven aan het OM, er mogelijk sprake is van schending van het verbod van détournement de pouvoir en mogelijk ook van het strafrechtelijk zwijgrecht.7