Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.4.3:1.4.3 Opsporing en vervolging
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.4.3
1.4.3 Opsporing en vervolging
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Langemeijer 1983.
Zie daarover bijvoorbeeld Lammers 1975 en HMG 15 maart 1984, NJ 1984, 565.
Een kort overzicht daarvan is nog te vinden bij Van Bemmelen 1957, p. 417-423.
Overwater 1951, p. 9, 13-14.
Volgens Melai/Groenhuijsen, aant. 10 op art. 167.
Zie voor een ontwikkeling in de regeling van de vervolgingsbeslissing in het jeugdstrafrecht, mede in historisch perspectief, bijvoorbeeld Doek 1980, Nunnikhoven 1983, Minkenhof/ Reijntjes 2009, p. 533-534.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als het opportuniteitsbeginsel een norm is met een beginselkarakter, rijst de vraag hoe groot de reikwijdte ervan is. Het opportuniteitsbeginsel zou bijvoorbeeld zó kunnen worden geïnterpreteerd, dat het zich uitstrekt over de uitoefening van alle bevoegdheden die de overheid ten dienste staan.1 Het is wellicht beter om niet zo’n grote reikwijdte aan het opportuniteitsbeginsel toe te kennen. Weliswaar kan gezegd worden dat de uitoefening van alle overheidsbevoegdheden in beginsel onderworpen zou kunnen of moeten worden aan een beoordeling van de wenselijkheid ervan. Desondanks lijkt het beter om aan te sluiten bij bestaande conventies, en slechts over het opportuniteitsbeginsel te spreken in de strafrechtelijke context van opsporing en vervolging. Daarmee wordt ook verwarring voorkomen.
Met een afbakening van de reikwijdte van het opportuniteitsbeginsel tot een strafrechtelijke context is echter niet alles gezegd. Een nadere beperking is gelegen in de keuze om slechts van het opportuniteitsbeginsel te spreken waar het opsporing en vervolging betreft. Daarbuiten, zoals rondom de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties, kan men wel soortgelijke verschijnselen aantreffen, maar die worden hooguit aangeduid als verwant aan het opportuniteitsbeginsel. Los van het feit dat het niet gebruikelijk is om die verschijnselen af te leiden uit het opportuniteitsbeginsel, is de sterk afwijkende context van die bevoegdheden ook niet bevorderlijk voor een coherent begrip van het opportuniteitsbeginsel. Afwijkende regelingen doen zich ook voor op bijzondere gebieden, zoals het militaire strafrecht, maar dat wordt in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten.2 Verder zijn er ook opvallende afwijkingen in het jeugdstrafrecht geweest, onder meer vanwege het vooropstellen van het pedagogische perspectief en de positie die de kinderrechter in het verband van de vervolgingsbeslissing bezat.3 De Commissie-Overwater stelde in dat verband in 1951 dat in jeugdstrafzaken het opportuniteitsbeginsel positief zou moeten worden geïnterpreteerd, zodat minderjarigen alleen zouden worden vervolgd wanneer vervolging nuttig en noodzakelijk zou zijn.4 Hoewel deze sterke voorkeur voor een positieve interpretatie uitwerking gehad kan hebben op het volwassenenstrafrecht,5 wordt het jeugdstrafprocesrecht niet verder in dit onderzoek betrokken.6 Ook het punitieve bestuursrecht, als juridische context waarbinnen beleidsoverwegingen een rol kunnen spelen in afdoeningsbeslissingen, komt niet uitdrukkelijk aan de orde. Slechts het reguliere stelsel van opsporing en vervolging is onderwerp van onderzoek.