Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.4.2
1.4.2 De internationale dimensie, beperkt tot de Europese Unie
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Voetnoten
Voetnoten
Daarover onder meer Duyx 2004; Lagodny 2004; Lawson 2008; Vellinga-Schootstra & Vellinga 2008; Van Kempen 2008; Boerefijn & Loenen 2009; Beijer 2010; Nieuwenhuis 2011.
Zie daarover Simonis & De Wijkerslooth 2004; Van den Munckhof 2008; Loof 2010; Nieuwenhuis 2008; Van de Westelaken 2010.
Zie paragraaf 3.4.
HvJ EG 9 december 1997, zaak C-265/95, Jur. 1997, p. I-6959 (Commissie/Frankrijk).
Daarover met name Buisman 2008 en Sieben 2010. Voor een Duits perspectief: Singelnstein & Stolle 2006. Zie verder Ingelse 1988 en Van Dongen 2000.
Zie daarvoor bijvoorbeeld Danner 2005; Bergsmo 2011; Côté 2005; Jallow 2005; Nsereko 2005; De Vlaming 2010; Knoops 2004a; Knoops 2004b; Sluiter 2007. Zeer uitgebreid is Reydams, Wouters & Ryngaert 2012.
Zoals het Report on Prosecutorial Strategy, 14 september 2006 en de Prosecutorial Strategy 2009-2012, te vinden op http://www.icc-cpi.int.
‘Policy Paper on the Interests of Justice’, september 2007, te vinden op http://www.icccpi. int.
Mnookin & Marra 2012; Ambos & Stegmiller 2013.
De vraagstelling heeft slechts betrekking op het recht van de Europese Unie, en niet op de beïnvloeding van het opportuniteitsbeginsel door het recht dat tot stand komt in het kader van de Raad van Europa. Positieve verplichtingen, door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens afgeleid uit het evrm, vormen een voorbeeld van zo’n beïnvloeding.1 Deze kunnen de lidstaten van de Raad van Europa onder bepaalde omstandigheden verplichten tot opsporing en vervolging, en beperken zo de mogelijkheden voor de lidstaten om het opportuniteitsbeginsel toe te passen.2 Deze uit fundamentele rechten afgeleide verplichtingen komen echter in dit proefschrift verder niet aan de orde. In eu-verband is een dergelijke ontwikkeling nog niet opgekomen, hoewel uit het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie in beginsel wel positieve verplichtingen zouden kunnen worden afgeleid. Voorlopig heeft het Hof van Justitie zich in dat opzicht nogal terughoudend opgesteld, maar het is wel bereid om verplichtingen voor de lidstaten van de Europese Unie af te leiden uit de fundamentele vrijheden zoals het vrij verkeer van goederen.3 Uit het arrest Spaanse aardbeien4 blijkt in ieder geval dat die fundamentele vrijheden voor de strafvorderlijke autoriteiten handhavingsverplichtingen met zich mee kunnen brengen. Omdat dergelijke verplichtingen vanuit het recht van de Europese Unie nog niet aan de lidstaten worden opgelegd vanuit een interpretatie van de fundamentele rechten, blijven positieve verplichtingen verder in dit onderzoek buiten beeld.
Het internationale recht, zoals dat bijvoorbeeld in VN-verband wordt gevormd, kan ook invloed hebben op het Nederlandse opportuniteitsbeginsel, maar dat komt hier nauwelijks aan bod.5 Enige aandacht daarvoor is er in de discussie over rechtsmacht en opportuniteit in paragraaf 6.3. Er wordt echter niet stilgestaan bij de beleidsvrijheid van de vervolgende instanties van het Internationaal Strafhof of de ad hoc-tribunalen.6 In die contexten kan wel gesproken worden van de gelding van het opportuniteitsbeginsel. Zo maakt het Statuut van het Internationaal Strafhof het mogelijk dat de Aanklager afziet van het instellen van een opsporingsonderzoek of een vervolging wanneer dat niet in het belang van een goede rechtsbedeling zou zijn (artikel 53). Interessant is dat de Kamer van vooronderzoek een belangrijke waarborgfunctie is toebedeeld, zodat de Aanklager tot op vrij grote hoogte kan worden gecorrigeerd. Bovendien expliciteert het Statuut het belang van een goede rechtsbedeling voor zover dat kan worden ingeroepen bij de beslissing om niet tot vervolging over te gaan in die zin, dat daarbij inbegrepen is ‘de ernst van het misdrijf, de belangen van slachtoffers, de leeftijd of zwakke gezondheid van de beschuldigde, en diens rol in het misdrijf waarop de beschuldiging betrekking heeft’ (artikel 53 lid 2 sub c). Op die grondslag heeft de Aanklager ook beleidsdocumenten opgesteld en gepubliceerd waaruit naar voren komt welke keuzes in zijn taakuitoefening worden gemaakt.7 Er is ook een beleidsdocument specifiek gewijd aan ‘The Interests of Justice’, waarin de interpretatie van de Aanklager wordt gegeven over de betekenis van het belang van een goede rechtsbedeling.8 Op deze beleidsdocumenten zijn enige kritische reacties gekomen in de academische literatuur.9