Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/7.2.3
7.2.3 De inhoud van de bescherming: de rechten
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS466464:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
En m.m. heeft art. 5 lid 3 betrekking op 'dezelfde rechten als de auteurs, die onderdaan van' het land van oorsprong zijn.
Vgl. Ricketson & Ginsburg 2006, p. 313.
Dit is het geval sinds de Berlijnse conferentie van 1908, zie alinea 260 hiervoor.
Vgl. bijvoorbeeld Drexl 1990, p. 71-84 over verschillende vergoedingsaanspraken (`domcine public payant', `public lending right') en het reprorecht.
Vaver 1986, p. 717 ('RBC' betekent 'Revised Berne Convention'). Een uitvoerig onderzoek naar het 'rechten'-begrip van de Berner Conventie valt buiten het bestek van deze studie. Zie ook Ricketson & Ginsburg 2006, p. 314.
Zie ook par. 6.3.4, alsmede noot 190 van hoofdstuk 6.
De verdragsopstellers hadden een ruime benadering voor ogen. Het is m.i. daarom gerechtvaardigd om ook eventuele in de rechtspraak ontwikkelde bescherming onder het beginsel van nationale behandeling te scharen. Zo ook Nordemann, Vinck & Hertin 1977, p. 55. Dat de verdragsopstellers alleen aan wettelijke bescherming hebben gedacht, zal zijn ingegeven door het destijds overheersende legisme.
Elke andere conflictenrechtelijke benadering is, zo moge duidelijk zijn, uitgesloten. Waar bijvoorbeeld de Franse Cour de cassation de Franse rechtsregels inzake morele rechten aanmerkte als regels van positieve openbare orde die altijd in Frankrijk moeten worden toegepast, is dat dus in strijd met de Berner Conventie (Cass. civ. I 28 mei 1991, Rev. crit. DIP 1991, p. 752 e.v. m.nt. P-Y. Gautier (Huston/Turner; 'Asphalt Jungle'); zie alinea 1007 hiervoor, alsmede noot 170 van dit hoofdstuk 7).
Zie par. 5.3.2 onder (a)(i). Vanuit vreemdelingenrechtelijk oogpunt betekent dat bijvoorbeeld dat een strafbaarstelling zich niet zal mogen beperken tot inbreuk op het auteursrecht terzake van een werk van eigen bodem.
Zie alinea 178 hiervoor.
Vgl. Actes BC 1967, p. 1159 (Report Main Committee I).
Anders Van Eechoud 2003, p. 111, die in de vrijheid om morele rechten buiten de context van het eigenlijke auteursrecht te beschermen, ook de conflictenrechtelijke vrijheid ziet om bijvoorbeeld de lex loci delicti-verwijzingsregel toe te passen.
Overigens is de toepasselijkheid van het beginsel van nationale behandeling op de morele rechten bovendien in de travaux préparatoires duidelijk uitgesproken: 'Le nouvel article proposé devrait porter le numéro 6bis, devant occuper dans la série des articles de la Convention une place intermédiaire après les six premiers articles, qui contiennent des dispositions générales, applicables au règlement du droit d'auteur dans son double contenu personnel et patrimonial, et avant les articles suivants qui règlent les droits exclusifs patrimoniaux.', zie Actes BC 1928, p. 177 (voorstel Italië).
Vgl. § 34 lid 1 van de Oostenrijkse IPR-wet van 15 juni 1978 ('Das Entstehen, der Inhalt und das Erlöschen von Immaterialgüterrechten'); Ulmer 1975, p. 37 en p. 108 (art. D).
Art. 2 lid 2 laat de Unielanden in dit opzicht vrij om te bepalen dat werken van letterkunde en kunst, of een of meer categorieën daarvan, niet beschermd zijn voor zover zij niet in een tastbare vorm zijn vastgelegd. Terzijde: als andere aspecten rond het ontstaan van beschermde rechten worden ook wel de object-vraag en formaliteitenvereisten genoemd (zie bijvoorbeeld Katzenberger 2006, p. 2122). De object-vraag is in deze studie echter voor de duidelijkheid apart behandeld (par. 7.2.1). Formaliteiten worden iure conventionis verboden door art. 5 lid 2.
Zie ook Kreuzer 1998, p. 2291, nr. 120, en p. 2256-2257, nr. 26. Daarmee worden ook kwesties zoals de beperking en verdeling van aansprakelijkheid, en de vraag wie aansprakelijk kan worden gehouden, bestreken (welke aspecten De Boer 2007, p. 26 afsplitst; vgl. ook Van Eechoud 2003, p. 213). Ulmer 1975, p. 38 schaart sancties ook onder deze categorie. Zie hierover par. 7.2.4. Zie voorts par. 5.3.3 onder (b)(i) over het verschil tussen de lex loci protectionis en de lex loci delicti. Terzijde: wat betreft de omvang van de beschermde rechten heeft de conventie zelf een bodem van eenvormig privaatrecht gelegd (het ius conventionis).
Zie hierover par. 6.3.2.
1030. De 'rechten'. Het derde element van de bescherming waarop het beginsel van nationale behandeling van toepassing is, is de inhoud van de bescherming: de rechten. Het beginsel van nationale behandeling in artikel 5 lid 1 heeft betrekking op "de rechten, welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan de eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen."1 Deze rechten zijn "de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst", zo blijkt uit de preambule en artikel 1.
1031. Verdragsautonoom begrip. Wat moet precies onder deze rechten worden verstaan? Valt daar bijvoorbeeld ook een subsidieregeling voor auteurs onder? De conventie geeft geen expliciete definitie. Is deze vraag dan, net als de subject-vraag ten aanzien van exploitatierechten, geheel aan het krachtens de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling toepasselijke recht overgelaten? Het antwoord moet ontkennend zijn. Zou deze vraag geheel aan het toepasselijke recht zijn overgelaten, dan zouden landen immers de bodem onder het beginsel van nationale behandeling kunnen wegtrekken door rechten te diskwalificeren als een `recht' in de zin van artikel 5 lid 1. Dat zou alleen niet mogelijk zijn voor het soort rechten dat door de conventie wordt verleend (het ius conventionis), maar die rechten moeten op grond van de conventie toch al worden verleend; het beginsel van nationale behandeling zou dan dus zijn zelfstandige betekenis verliezen.2 Dit kan niet het geval zijn. Artikel 5 lid 1 plaatst de rechten van de lex loci protectionis en de ius conventionis-rechten immers naast elkaar: "de rechten, welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan de eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen, alsmede de rechten door deze Conventie in het bijzonder verleend."3 Ook de geschiedenis van de conventie is op dit punt duidelijk. De conventie van 1886 kende, net als haar bilaterale voorgangers, immers nauwelijks ius conventionis; de bescherming werd via het beginsel van nationale behandeling vrijwel geheel geput uit de toepasselijke nationale wet. Als die wet volkomen vrij zou zijn geweest om te bepalen welke rechten onder het beginsel van nationale behandeling vallen, zou de Berner Conventie niets hebben voorgesteld.
1032. Invulling. De "rechten van de auteur op zijn werk van letterkunde of kunst" moet dus wel een verdragsautonoom begrip zijn. De vraag is dus wat hieronder moet worden verstaan. Daarover bestaat discussie. 4
1033. Uitgangspunt dient te zijn dat het begrip "rechten van de auteur op zijn werk van letterkunde of kunst" overeenkomstig de gewone betekenis van deze term in zijn context en in het licht van voorwerp en doel van de Berner Conventie moet worden uitgelegd.5 Alsdan lijkt de omschrijving van Vaver, die aansluit bij "the primary meaning common to most national copyright laws", de meest aannemelijke: "an author has in relation to his/her work the right to exclude others from reproducing or using the work in some way. The RBC extends this primary meaning to include a right to receive remuneration from the user of the work, even where the author is unable to prevent the use."6 Daarnaast moet, in ieder geval sinds zijn entree in de Berner Conventie in 1948, ook het volgrecht onder dit begrip worden geschaard. Dit recht past weliswaar niet in de zojuist geciteerde omschrijving, maar het is expliciet door de conventie omarmd, en heeft dus — in ieder geval voor zover het voldoet aan de definitie van artikel 14ter lid 1 — te gelden als een 'recht' in de zin van artikel 5 lid 1.7
1034. Door deze invulling van het begrip "rechten van de auteur op zijn werk van letterkunde of kunst" vallen bijvoorbeeld subsidieregelingen of belastingvoordelen voor auteurs, alsmede constructies zoals het `domaine public payant', buiten het beginsel van nationale behandeling.
1035. Rubrica non est lex. Op de bescherming van de aldus afgebakende verzameling rechten is het beginsel van nationale behandeling van toepassing.8Daarbij is niet van belang of het om privaatrechtelijke of publiekrechtelijke bescherming gaat — op beide is het beginsel van nationale behandeling van toepassing (daarbij zij aangetekend dat, thans, dit onderscheid wél van belang is voor de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling: voor de privaatrechtelijke bescherming kan deze conflictregel immers worden geconverteerd in de lex loci protectionis-verwijzing9, voor de publiekrechtelijke bescherming echter niet; daar blijft de 'oude' conflictregel — het formele-territorialiteitsbeginsel — van toepassing).10 Ook is niet van belang of die rechten door de auteurswet worden verleend. De conventie spreekt immers over de "wetten" en niet over de "auteurswetten", zoals verschillende negentiende-eeuwse bilaterale verdragen wel deden.
Zo zag het beginsel van nationale behandeling in het Frans-Duitse verdrag van 1883 bijvoorbeeld op "des avantages qui y sont ou y seront accordés par la loi pour la protection des ouvrages de littérature ou d'art."11 Een dergelijke beperking tot de auteurswet kan tot rubriceringschicanes leiden en daarom hebben de Berner verdragsopstellers er van afgezien. Als dus bijvoorbeeld een nationale wet morele rechten beschermt buiten de context van het auteursrecht — bijvoorbeeld in de context van de onrechtmatige daad12 —, dan doet dat niet af aan de gelding van het beginsel van nationale behandeling en de daarin besloten liggende lex loci protectionis-verwijzing.13 Morele rechten zijn immers 'rechten' als bedoeld in artikel 5 lid 1.14
1036. Alle aspecten. Ten slotte moet worden opgemerkt dat het beginsel van nationale behandeling alle aspecten van deze rechten beheerst, welke aspecten grofweg in het drieluik van ontstaan, omvang en het einde van deze rechten kunnen worden ondergebracht.15 Zo is — in het kader van het ontstaan van deze rechten het beginsel van nationale behandeling van toepassing op de vraag of het werk in een tastbare vorm moet zijn vastgelegd.16 In het kader van de omvang (werking) van de beschermde rechten gaat het met name om de beschermingsomvang en de beperkingen daarvan, zoals met betrekking tot anthologieën, citaten, kopieën voor eigen gebruik, enz. Daarmee beheerst het beginsel van nationale behandeling c.q. de lex loci protectionis dus ook de inbreuk-vraag.17 En in het kader van het einde van de beschermde rechten gaat het voornamelijk om de beschermingsduur. Daargelaten het ius conventionis, is ook hier het beginsel van nationale behandeling c.q. de lex loci protectionis exclusief van toepassing, zo maakt artikel 7 lid 8 nog eens duidelijk.18