Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/1.9.3:1.9.3 Nadere afbakening van het onderwerp
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/1.9.3
1.9.3 Nadere afbakening van het onderwerp
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS486987:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in aanleg nogal omvangrijke samenloopproblematiek noopt tot een striktere afbakening van het onderwerp dan hiervoor gedaan. Ik noem de belangrijkste beperkingen.
Nationaalrechtelijk
Ten aanzien van de nationaalrechtelijke vraagstukken is een eerste belangrijke beperking dat de gedwongen medewerking in de fiscale invorderingssfeer buiten beschouwing blijft. Voor wat betreft de gedwongen medewerking in de heffings- en boetesfeer concentreer ik mij op de (algemene) regeling van de informatieverplichtingen in de AWR. Andere verplichtingen die kunnen resulteren in gedwongen zelfbelasting in de fiscale heffings- of boetesfeer, zoals de fiscale aangifteplicht in art. 6 e.v. en de mededelingsplicht in art. 10a AWR, komen min of meer terloops ter sprake. Hetzelfde geldt voor de informatieverstrekking van belastingplichtigen in het kader van horizontaal toezicht op grond van een handhavingsconvenant.
Voor wat betreft de fiscaal-strafvorderlijke sfeer geldt dat ik mij voor wat betreft de gedwongen medewerking van de verdachte concentreer op de bijzondere dwangmiddelen die in de AWR zijn vastgelegd, te weten de inbeslagnemings- en binnentredingsbevoegdheid van opsporingsambtenaren. Over andere (commune) dwangmiddelen is al de nodige literatuur verschenen.1 Een van die dwangmiddelen, te weten het (ophouden voor) verhoor in (fiscale) strafzaken, komt hierna wel aan de orde. Dit vanwege het belang ervan voor deze studie en de praktijk.
De wettelijke voorschriften, jurisprudentie en beleidsregels die de gedwongen bewijsgaring bij de (latere) verdachte normeren, komen enkel ter sprake indien en voor zover zij rechtstreeks (kunnen) bijdragen aan de realisatie van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in de fiscale heffings- en boetesfeer of de fiscaal-strafvorderlijke sfeer. Die betreffen vooral de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht en het verschoningsrecht.2
Verdragsrechtelijk
Een aanzienlijk deel van de uitspraken van het EHRM is straf(proces)rechtelijk van aard en heeft betrekking op het recht op een behoorlijk strafproces in art. 6 EVRM. Ik zal niet alle raakvlakken daarvan met de nemo tenetur-problematiek in het onderzoek betrekken, maar enkel de aspecten die rechtstreeks aan deze problematiek raken. Dan gaat het vooral om de onschuldpresumptie, het recht op rechtsbijstand en de cautieplicht. Buiten het bestek van art. 6, maar nog binnen het EVRM-corpus, kan worden gewezen op de samenhang van de Straatsburgse nemo tenetur-problematiek met het verbod op foltering of onmenselijke behandeling in art. 3 EVRM en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in art. 8 EVRM.
Buiten het bestek van het EVRM verdient opmerking, dat art. 14, lid 3, onder g IVBPR zoals gezegd hierna niet meer ter sprake komt.3