Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.4.3:3.4.4.3 Van der Grinten
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.4.3
3.4.4.3 Van der Grinten
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644906:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Grinten, WPNR 1961/4701.
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 520-521; Noot J. Drion bij HR 11 december 1953, ECLI:NL:NR:1953:185 (Schaap-Stafmateriaal).
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 520-521. Van der Grinten verwees naar het Mony-arrest, dat hierboven is besproken: HR 18 mei 1951, ECLI:NL:HR:1951:97.
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 520.
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 520 en p. 521.
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 521.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ongeveer tien jaar eerder dan Brahn uitte Van der Grinten ook al kritiek op het bestaan van zelfstandige bijzaken.1 Hij verwees naar het argument van Drion, die stelde dat hij zich moeilijk kon voorstellen dat voorwerpen die aard- of nagelvast met een onroerende zaak waren verbonden, geen bestanddelen daarvan waren.2 Van der Grinten gaf aan dat de wetgever juist met de aard- of nagelvaste verbinding bedoeld had om een criterium voor een bestanddeel te scheppen.
“Hierbij sluit aan, dat in overeenstemming met het oud Franse recht door de Hoge Raad wordt aangenomen, dat voor aard- en nagelvastheid beslissend is of verwijdering kan geschieden zonder verbreking of beschadiging (sans fraction et détérioration). In deze opvatting zal de bijzaak nimmer een zelfstandig bestaan hebben.”3
Hij concludeerde dan ook dat alle bijzaken moesten worden aangemerkt als bestanddelen. Dit gold niet alleen bij onroerende zaken, maar ook bij roerende zaken. Een zelfstandige bijzaak wilde Van der Grinten niet aannemen. Daarentegen nam hij niet snel bestanddeelvorming aan. Hij gaf een enge definitie van een bestanddeel. Deze definitie ontleende hij deels aan Eggens, die stelde dat bestanddelen alleen die delen waren zonder welke de zaak (naar verkeersopvatting) niet volledig was. Aan de definitie van Eggens voegde vervolgens Van der Grinten het beschadigingscriterium toe.4 In zijn ogen waren bestanddelen dus:
“(…) die substanties, zonder welke van een volledig geheel niet kan worden gesproken, alsmede die substanties, welke zodanig met de zaak zijn verbonden, dat zij zonder ernstige beschadiging niet kunnen worden verwijderd of na afscheiding geen economische waarde hebben.”5
Als twijfel ontstond of een zaak na de verbinding met een andere zaak een bestanddeel was geworden, dan moest eerder een veelheid van zaken dan een eenheid van zaak worden aangenomen, aldus Van der Grinten. Zo zag hij de ring en de diamant als twee verschillende zaken.6 In zijn ogen ging(en) het hof (en de Hoge Raad) in de zaak Schaap-Stafmateriaal dan ook veel te ver, door aan te nemen dat een moderne fabriek niet zonder de toegevoegde zaken als een lichtinstallatie etc. kon en dat daarom de zaken bestanddelen waren geworden van de fabriek. Het hof had in zijn ogen moeten kijken of het fabrieksgebouw af was zonder de toegevoegde zaken. Anders dan de fabriek, was een fabrieksgebouw wel degelijk een volledig geheel als de centrale verwarmingsketel, de plaatradiatoren en een motor voor een freesmachine er nog niet in waren verwerkt.