Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/20.3.3:20.3.3 Stap 2: Aanspraken die onderdeel uitmaken van een subjectief recht
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/20.3.3
20.3.3 Stap 2: Aanspraken die onderdeel uitmaken van een subjectief recht
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS305266:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Soms zelfs waar dat niet helemaal logisch lijkt; zie randnummer 521.
Wibier 2009a, para. 14, p. 18; van Mierlo & Beijer, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:142 BW, aant. 16.5 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018).
Rongen 2012, p. 1357.
Zij het dat afspraken over boetes en rente ervoor kunnen zorgen dat zelfstandige vorderingen ontstaan. Deze vorderingen zijn geen nevenrechten; zie randnummer 751.
Zie daarover Meijers in zijn Toelichting in Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 528 en randnummer 739.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
831. De tweede stap is bedoeld om aanspraken uit te filteren waarvoor geen speciale truc nodig is om ze mee over te laten gaan met een subjectief recht, omdat ze al onderdeel van dat subjectieve recht uitmaken. Vanwege het ‘voldoende verbandvereiste’ worden aanspraken die samenhangen met goederenrechtelijke rechten in de Nederlandse literatuur meestal wel als onderdeel van het betreffende subjectieve recht gezien.1 Dat is in mijn optiek deels onterecht; aanspraken die zien op andere wederpartijen of andere rechtsobjecten dan het subjectieve recht, behoren eigenlijk niet tot de inhoud daarvan. Te denken valt bijvoorbeeld aan het recht van noodweg. Dergelijke aanspraken zouden – net als vroeger bij de kwalitatieve verbintenissen – aan de rechthebbende van het subjectieve recht moeten toekomen, omdat de overheid hem deze aanspraken in zijn hoe danigheid als rechthebbende toedeelt.
832. Bij vorderingsrechten (meestal tot betaling van een geldsom) kiest het Nederlandse vermogensrecht een precies tegenovergestelde koers. In de Nederlandse literatuur worden lange opsommingen gegeven van aanspraken die zouden kwalificeren als nevenrecht, omdat anders niet te ver klaren is waarom ze na overdracht van de vordering toekomen aan de nieuwe rechthebbende ervan. Voorbeelden van zulke ‘nevenrechten’ uit de literatuur zijn onder meer het keuzerecht bij een alternatieve verbintenis, het recht om een vordering opeisbaar te maken, overeengekomen opeisingsgronden, bedingen inzake de bevoegde rechter, arbitrage, bindend advies en rechtskeuze, gemaakte bewijsafspraken en afspraken over de plaats van betaling.2 De wet voegt daar onder meer het recht op voor de vordering bedongen boetes en rente aan toe (art. 6:142 lid 2 BW). In het kader van de aanspraak op rente wordt ook het renteherzieningsrecht wel als nevenrecht gekwalificeerd.3 Al deze afspraken zijn mijns inziens niets anders dan een nadere invulling van de vordering die partijen onderling afspreken.4 Er is geen reden om de aanspraken buiten de vordering te plaatsen, omdat ze steeds zien op dezelfde wederpartij en geen rechtsobject betreffen waar (de rest van) de vordering niet op ziet. Door al deze afspra ken als onderdeel van de vordering te zien, wordt beter verklaard waarom het niet mogelijk is om bij overdracht van de vordering te bepalen dat de – vanuit het perspectief van de rechthebbende van de vordering – ‘vervelende’ afspraken niet mee overgaan.5 Het zou namelijk niet mogelijk moeten zijn dat de cedent en cessionaris, buiten de schuldenaar van de vordering om, afspreken dat de cessionaris niet meer gebonden is aan een beding over – bijvoorbeeld – de mogelijkheid om geschillen over de vordering aan een arbiter voor te leggen, een rechtskeuze, bewijsafspraken of afspraken over de plaats van betaling.