Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.2.5
5.3.2.5 Bestaande rechtsverhouding niet vereist
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476858:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II).
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 397. Zie ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 1337-1338.
Zie ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 397.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/319a.
Vgl. de noot van Meijers onder HR 13 februari 1936, NJ 1936/443, m.nt. E.M. Meijers (Tuschinski/GEMA).
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/319a.
Zo ook Rongen 2012/460.
Zie ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 397.
Zie nr. 140.
Vgl. Rongen 2012/460.
In deze zin ook Rongen 2012/460.
Vgl. HR 19 september 1997, JOR 1997/133, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Verhagen q.q./INB II).
200. Voor de openbare cessie bij voorbaat geldt niet de beperking dat de toekomstige vordering rechtstreeks moet voortvloeien uit een ten tijde van de levering reeds bestaande rechtsverhouding. Deze beperking gold wel voor het recht van vóór 1992. In het Solleveld II-arrest, waarin de Hoge Raad de cessie bij voorbaat erkende, werd immers nog geoordeeld dat voor de overdracht van vorderingen die op het moment van de cessie nog moesten ontstaan, was vereist dat zij hun onmiddellijke grondslag moeten hebben in een rechtsverhouding die op dat moment reeds bestond.1 Onder het huidige recht geldt een vergelijkbare wettelijke beperking voor de stille cessie (art. 3:94 lid 3 BW) en de stille verpanding (art. 3:239 lid 1 BW). Voor de openbare cessie bij voorbaat is zij echter bewust achterwege gelaten. Mits de schuldenaar van de toekomstige vordering bekend is, kan een openbare cessie bij voorbaat worden verricht ongeacht of de rechtsverhouding waaruit die vordering rechtstreeks zal voortspruiten op dat tijdstip reeds bestaat.2
Door het ontbreken van de eis van een bestaande grondslag vormt de verpanding van (het huidige en toekomstige saldo) van “bankrekeningen” een belangrijke toepassing van de openbare verpanding bij voorbaat. Door mededeling van de verpanding aan de bank waar de rekening wordt (of zal worden) aangehouden, kunnen ook de toekomstige vorderingen van de rekeninghouder op de bank uit hoofde van toekomstige creditsaldi bij voorbaat door hem worden verpand.3 Met toestemming van de pandhouder kan de rekeninghouder, ondanks de inningsbevoegdheid van de pandhouder, de beschikking over het verpande saldo herkrijgen (art. 3:246 lid 4 BW).
Voor het huidige recht wordt nog wel verdedigd dat in de mededelingseis bij openbare cessie de eis van een bestaande rechtsverhouding ligt besloten. Zo meent Reehuis dat het wettelijk vereiste van mededeling aan de schuldenaar veronderstelt dat een rechtens relevante verhouding bestaat tussen de cedent bij voorbaat en degene aan wie de mededeling wordt gedaan. De reden hiervoor is dat volgens Reehuis niet kan worden verlangd dat iemand rekening houdt met een mededeling van een cessie ten aanzien van een toekomstige vordering op hem door iemand met wie hij in geen enkele rechtsverhouding staat of die hij zelfs niet kent. Het rechtsverkeer zou eisen dat geen rekening gehouden hoeft te worden met een mededeling van een cessie door een persoon met wie de ontvanger van de mededeling niet reeds in een rechtens relevante verhouding staat. Een dergelijke mededeling is, volgens Reehuis, loos omdat de vordering waarop zij betrekking heeft onvoldoende bepaald is.4 Een vergelijkbare gedachte wordt al aangetroffen bij Meijers. De beperking van cessie tot vorderingen die voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding werd door hem als een “billijke grenslijn” ervaren.5 Anders dan onder het oude recht werd geëist is het volgens Reehuis echter niet nodig dat de bestaande rechtsverhouding de werkelijke bron is van de toekomstige vordering. Het volstaat in zijn visie dat de vordering in verband gebracht kan worden met de rechtsverhouding.6 Deze opvatting moet naar mijn mening worden afgewezen.7 In de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad zijn geen aanwijzingen voor het standpunt van Reehuis te vinden. Dat de vordering die bij voorbaat wordt gecedeerd in het geheel nog niet bestaat, ook in die zin dat tussen de cedent en de toekomstig schuldenaar zelfs geen enkele rechtsverhouding bestaat, verhindert niet dat een geldige mededeling van die cessie kan worden gedaan.8 Evenmin kan worden gezegd dat een dergelijke cessie bij voorbaat steeds afstuit op een gebrek aan voldoende bepaaldheid. Het is immers voldoende dat de akte van cessie zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.9 Ook zonder dat de rechtsverhouding waaruit de toekomstige vordering voortspruit al bestaat ten tijde van het verrichten van de cessie bij voorbaat, is mogelijk dat de gecedeerde vordering geïdentificeerd kan worden aan de hand van de omschrijving in de akte.10 Dat de persoon die een mededeling van een cessie (bij voorbaat) ontvangt waarin een cedent wordt vermeld die hij niet kent of waarmee hij geen (rechtens relevante) band heeft, is voor de geldigheid van de cessie niet relevant. De omstandigheid dat de schuldenaar redelijkerwijs geen betekenis hoefde toe te kennen aan de ontvangen mededeling, kan uiteraard wel van belang zijn bij de verbintenisrechtelijke bescherming van de schuldenaar. Zo kan hem een beroep toekomen op bevrijdende betaling in de zin van art. 6:34 BW indien hij – de mededeling ten spijt – aan de cedent betaalt.11 Ook kan de schuldenaar bevoegd zijn de betaling op de voet van art. 6:37 BW op te schorten vanwege het bestaan van redelijke twijfel over de betekenis die aan de mededeling toekomt.12