Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/12.1:12.1 Samenvatting
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/12.1
12.1 Samenvatting
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS494640:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nederlandse regeling inzake conservatoir beslag is bijzonder, in die zin dat zij een liberaal karakter kent. Dit betekent dat – in vergelijking met soortgelijke regelingen in andere landen – het verkrijgen van verlof om beslag te kunnen leggen voor een vordering die nog niet in rechte vaststaat relatief eenvoudig is. Conservatoir beslag wordt gekenmerkt door een inherente tegenstelling van belangen van de beslaglegger (die zijn vordering wil zeker stellen, hangende een uitspraak van de rechter hierover) en van de beslagene (om ongehinderd over diens vermogensbestanddelen te kunnen beschikken en te worden behoed voor een onrechtmatig beslag). Conservatoir beslag kan voor de beslagene zeer vergaande gevolgen hebben. Onderwerp van deze studie is de evenwichtigheid van het Nederlandse systeem van conservatoir beslag en dat van het voorstel Europees bankbeslag.
Zowel het Nederlandse systeem van conservatoir beslag als de voorgestelde regeling voor een Europees bankbeslag (EAPO) kunnen schematisch worden weergegeven in drie pijlers, die worden gevormd door verlofverlening, het opheffingskortgeding (waarin de beslagene om opheffing of wijziging van het beslag kan verzoeken) en aansprakelijkheid van de beslaglegger voor onrechtmatig gelegd beslag (schadevergoeding). De drie pijlers vertegenwoordigen waarborgen waarin door de wetgever is voorzien (zie onderstaand model).
Tussen die pijlers is onderlinge compensatie mogelijk, hetgeen wil zeggen dat een sterke functie in een of meer pijlers kan compenseren voor een zwakke(re) functie of waarborg in een of meer andere pijlers. Het systeem van conservatoir beslag kan worden beschouwd als evenwichtig indien sprake is van voldoende waarborgen voor zowel de beslaglegger als de beslagene.
Een onderzoek naar het Nederlandse systeem in opdracht van de Raad voor de rechtspraak heeft uitgewezen dat sprake is van een onevenwichtige situatie (Meijsen & Jongbloed 2010a, Research Memorandum). Deze onevenwichtigheid doet zich met name gevoelen in omstandigheden waarin sprake is van een redelijk verweer van de beslagene tegen de vordering waarvoor beslag wordt gelegd. In de voorbije decennia zijn de mogelijkheden om vermogensbestanddelen voor een vooralsnog vermeende vordering te beslaan, sterk uitgebreid. De behartiging van waarborgen voor de beslagene daarentegen blijkt op de achtergrond geraakt. De eenvoudige wijze waarop verlof kan worden verkregen, het beperkte beroep op het opheffingskortgeding en de omstandigheid dat in geval van onrechtmatig beslag de aansprakelijkheid van de beslaglegger in de praktijk moeizaam tot een schadevergoeding blijkt te leiden, maken dat de pijlers afzonderlijk en daarmee het systeem als geheel (van onderlinge compensatie kan geen sprake zijn) als onvoldoende evenwichtig moet worden gekwalificeerd.
Naar aanleiding van het hiervoor genoemde onderzoek zijn in 2011 wijzigingen aangebracht in de rechtersregeling (de Beslagsyllabus) die de verlofverlening in Nederland nader regelt. Deze regeling wordt vastgesteld binnen de Rechtspraak, overigens zonder een wettelijke bevoegdheid daartoe. De verbindendheid van dergelijke regels is daarom minder sterk dan die van bijvoorbeeld wettelijke bepalingen: de rechter heeft steeds de bevoegdheid om van dergelijke regels af te wijken indien daartoe op grond van de inhoud van een specifiek verzoek redenen voor zijn. De wijzigingen in de Beslagsyllabus geven uitwerking aan een Full Disclosure-beginsel, op grond waarvan de beslaglegger alle relevante informatie voor het door de voorzieningenrechter te nemen besluit over de verlofverlening in het verzoek dient op te nemen, waaronder ook het verweer van de beslagene, alsmede het verzoek van bewijsstukken dient te voorzien. Zo beschikt de rechter over informatie waarmee deze een verzoek om beslag te mogen te leggen diepgaander kan beoordelen.
De aanpassingen in de regeling voor verlofverlening in Nederland dienen te worden beschouwd als een eerste aanzet naar een evenwichtiger systeem. Omdat de beoogd beslagene in de regel geen kennis heeft van een voorgenomen beslag (anders zouden vermogensbestanddelen aan het beslag kunnen worden onttrokken) wordt deze in de procedure van verlofverlening meestal niet gehoord. De gang van zaken in de eerste pijler is en blijft daarom, ook na de aangebrachte wijzigingen, – noodzakelijk – inherent eenzijdig.
Er is derhalve aanleiding om ook het opheffingskortgeding en de aansprakelijkheid van de beslaglegger voor onrechtmatig beslag op verbetermogelijkheden met betrekking tot evenwichtigheid te bezien.
De wijze waarop het opheffingskortgeding in de rechtspraktijk vorm krijgt wordt sterk beïnvloed door jurisprudentie van de Hoge Raad die, in mijn visie ten onrechte, het accent onevenredig zwaar bij het belang van de beslaglegger legt met een aannemelijkheidslast voor de beslagene en een primaat van de vermeende vordering die aan het beslag ten grondslag wordt gelegd. Er wordt daarom slechts beperkt een beroep op deze waarborg gedaan. Ik pleit op dit onderdeel voor bewustwording en daaruit voortvloeiend een gewijzigde benadering in de rechtspraktijk, waarbij meer aandacht voor de belangen van de beslagene met een redelijk verweer ontstaat.
De aansprakelijkheid van de beslaglegger voor onrechtmatig beslag is in Nederland gegrond op de figuur van de onrechtmatige daad. Schadevergoedingsacties dienen te worden gebaseerd op de algemene rechtsregels omtrent schade. Dit blijkt in de praktijk te leiden tot moeizame procedures en een beperkt beroep op deze waarborg. Ik denk aan een regeling voor aansprakelijkheid en schadevergoeding, specifiek voor (deels) onrechtmatige beslagen ter verbetering.
Er is bij de Europese Commissie een tendens waarneembaar tot Europeanisering van het beslagrecht. Recente voorstellen beogen het territorialiteitsbeginsel buiten werking te stellen. Hiertoe lijken de lidstaten vooralsnog niet bereid. De omstandigheid dat nationale regels en Europese regels in het voorstel voor een Europees bankbeslag zijn opgenomen, brengt het risico van collisie. De voorgestelde regeling wordt gekenmerkt door een uitermate sterke en eenzijdige nadruk op het belang van de beslaglegger. Een hoge mate van onduidelijkheid over de bedoelingen achter en uitvoering van de bepalingen in het voorstel regeling maken het niet mogelijk om een gefundeerde waardering te geven van de evenwichtigheid van de regeling. Wel wordt duidelijk dat de Europese Commissie een vergaande inbreuk op grondrechten zoals de privacy en het eigendomsrecht van burgers en bedrijven in de lidstaten voorstaat om beslag voor niet vaststaande vorderingen mogelijk te maken. Ik pleit in dit verband voor een structurele en diepgaande herziening van de voorstel regeling die tot meer duidelijkheid en een aanzienlijk sterkere positie van de beoogd beslagene moet leiden. Wellicht dat een vereenvoudiging van de regeling in de vorm van een ‘voorlopig beslag’ in dit stadium vooralsnog een goede oplossing biedt.