Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/2.2.3.3:2.2.3.3 Doelstelling van het Nederlands mededingingsrecht
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/2.2.3.3
2.2.3.3 Doelstelling van het Nederlands mededingingsrecht
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS578710:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1995/96, 24 707, nr. 3, p. 7 (MvT).
Kamerstukken II 1995/96, 24 707, nr. 3, p. 3 e.v. (MvT).
Kamerstukken II 1995/96, 24 707, nr. 3, p. 3-4 (MvT).
Kamerstukken II 1995/96, 24 707, nr. 3, p. 3-4 (MvT).
Vgl. Mok 2004, p. 69-70.
Kamerstukken II 1995/96, 24 707, nr. 3, p. 10 (MvT).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel het Nederlands mededingingsrecht zoveel mogelijk aansluit bij het Europees mededingingsrecht, is er wel een verschil in doelstelling. Het bevorderen van de Europese marktintegratie is uiteraard geen doelstelling van het Nederlands mededingingsrecht. De doelstelling van het Nederlands mededingingsrecht sluit dan ook slechts gedeeltelijk aan bij de doelstelling van het Europees mededingingsrecht. De doelstelling sluit aan bij het Europees mededingingsrecht omdat het volgens de Nederlandse regering ongewenst is dat op één Europese markt significante verschillen bestaan in het mededingingsbeleid tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Europese Commissie.1 De Mededingingswet moet bijdragen aan een goed functionerend marktmechanisme in de Europese context van de Nederlandse economie. De minister verwoordt het in de Memorie van Toelichting bij de Mededingingswet als volgt:
'De primaire functie van het marktmechanisme in een markteconomie is dat het ondernemers, werknemers en consumenten niet alleen stuurt, maar ook stimuleert en disciplineert. Wanneer dat mechanisme, om welke reden dan ook, die functies niet goed meer kan uitvoeren, dan vermindert dat het kwaliteitsbewustzijn en de prikkel om te zoeken naar nieuwe en betere producten en diensten. Ook dat zijn in zekere zin kosten; nadelige effecten die op den duur zwaar kunnen gaan wegen in het internationale spel om de gunsten van de consument en de investeerder.’2
Dynamische en scherp reagerende markten zijn volgens de Nederlandse regering essentieel voor een internationaal vervlochten markteconomie als de Nederlandse.3 De minister vervolgt in de Memorie van Toelichting:
'Sturing en zelfbescherming tegen concurrentie door kartels of door kartelmatig functionerende samenwerkingsverbanden zijn schadelijk voor het prestatievermogen van een land. Hetzelfde geldt voor concentraties van economische macht. In deze visie staat Nederland niet alleen; het belang van een goede marktwerking wordt tegenwoordig onderschreven door de meeste handelspartners in de OESO en de Europese Unie. De laatste jaren is nationaal en internationaal de overtuiging gegroeid dat de werking van de goederen- en dienstenmarkten in Nederland te wensen over laat en dat de structurele problemen van Nederland op het gebied van werkgelegenheid en groei onder meer verband houden met een jarenlang te lankmoedig uitgevoerd mededingingsbeleid.'4
Voor wat betreft de materiële regels wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de mededingingsbepalingen in het EG-Verdrag en de jurisprudentie van het GvEA EG en het HvJ EG. Europeesrechtelijke precedenten werken daarom in de regel direct door in het Nederlands mededingingsrecht.5 Voor de inhoud van de materiële norm verwijs ik dan ook naar mijn bespreking van het Europees mededingingsrecht in § 2.3. In § 2.3.5 en 2.3.6 zal ik tevens enige aandacht schenken aan de bepalingen en criteria die afwijken van het Europees mededingingsrecht.
De minister verwoordt de inhoudelijke oriëntatie van het Nederlandse mededingingsrecht op het Europese mededingingsrecht in de Memorie van Toelichting als volgt:
'De bepalingen inzake mededingingsafspraken en misbruik van een economische machtspositie in dit wetsvoorstel zijn georiënteerd op die uit het EG-Verdrag, maar zijn geen kopie daarvan. Niet alle bepalingen en criteria uit de EG-mededingingsregels zijn passend voor een nationale mededingingswet. Het gaat daarbij vooral om belangen die samenhangen met en criteria die zijn afgestemd op de verhoudingen op de Europese markt. Een voorbeeld is het element van de beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten uit de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag, dat niet is overgenomen in het verbod van mededingingsafspraken in artikel 6 en het verbod van misbruik van een economische machtspositie in artikel 24 van het voorstel van wet. Een ander voorbeeld zijn de criteria uit de EG-Bagatelbekendmaking die niet zijn overgenomen in de bagatelvrijstelling in artikel 7. Uitgangspunt is wel, dat de mededingingswet niet strenger en niet soepeler zal zijn dan de EG-mededingingsregels. Met het zoveel mogelijk overnemen van de formulering van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag wordt beoogd, dat de toepassing van de mededingingswet in belangrijke mate wordt beïnvloed door de beschikkingenpraktijk van de Commissie en door de jurisprudentie van het Gerecht van eerste aanleg en van het Hof van Justitie van de EG. Ook het systeem van concentratietoezicht in het voorstel van wet sluit zoveel mogelijk aan bij dat van het EG-recht.'6