De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.5.5:6.5.5 Ontbinding van een rechtspersoon
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.5.5
6.5.5 Ontbinding van een rechtspersoon
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369724:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 oktober 2009, appl.nr. 37083/03 (Tebieti Mühafize Cemiyyeti And Israfilov) r.o. 54.
Zie Geerts Rechtspersonen, art. 2:356 BW, aant. 11.3. Vgl. ook art. 2:356 lid 2 BW.
Vgl. hetgeen hiervoor werd opgemerkt over het Cesnieks-arrest. Zie ook hetgeen hiervoor werd opgemerkt over het Gorzelik-arrest.
Vgl. EHRM 8 oktober 2009, appl.nr. 37083/03 (Tebieti Mühafize Cemiyyeti And Israfilov). Vgl. ook art. 2:356 lid 2 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meest drastische inmenging in de vrijheid van vereniging die kan plaatsvinden in het kader van een enquêteprocedure is misschien wel de ontbinding van de rechtspersoon door de ondernemingskamer. De vrijheid van vereniging houdt immers het recht in om een rechtspersoon op te richten en in stand te houden.1 Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat ontbinding van de vennootschap is geïndiceerd in geval het wanbeleid op geen andere wijze kan worden doorbroken, waarbij dan met name aan impassegevallen moet worden gedacht.2 Veelal zal in die gevallen het ‘verband van personen’ dat de vereniging vormt,3 de facto reeds uit elkaar gevallen zijn en geen behoefte hebben om in de rechtspersoon te blijven samenwerken. Vanuit art. 11 EVRM lijkt dan weinig bezwaar te bestaan tegen de ontbinding van de rechtspersoon. In andere gevallen zal er niet snel voldoende noodzaak bestaan om over te gaan tot zo’n drastische stap als ontbinding van de rechtspersoon.4