Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.8.4:6.3.8.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.8.4
6.3.8.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610255:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu art. 6.3 Wet IB 2001 nog niet voorziet in de aftrekbaarheid voor afkoopsommen voor onderhoudsverplichtingen aan een ex-partner met wie de belastingplichtige ongehuwd heeft samengewoond, terwijl ongehuwd samenwonen inmiddels een volwaardige plaats heeft verworven in de samenleving, verdient het mijns inziens aanbeveling om de wettekst aan te passen en te spreken van afkoopsommen die worden gedaan aan de gewezen ‘partner’.
Hiervoor is beschreven dat in art. 3.101 lid 1 onderdeel b en art. 6.3 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001 alleen wordt gesproken over uit het familierecht voortvloeiende onderhoudsverplichtingen aan ‘bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn’. Op basis van de wetsgeschiedenis geldt de bepaling echter ook voor familierechtelijke uitkeringen aan ‘personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige’. Het zou de duidelijkheid en kenbaarheid van de wetgeving ten goede komen, indien dit alsnog in de wettekst zou worden opgenomen.
De fiscale behandeling van alimentatiebetalingen aan stiefkinderen, na beëindiging van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, is niet gelijk. Dit lijkt onbedoeld en ongewenst. De oorzaak hiervan is een onduidelijkheid in de wettekst van art. 1:3 lid 3 BW. Bij voorkeur zou in deze bepaling in het personen- en familierecht moeten worden verduidelijkt dat het aanverwantschap evenmin eindigt bij beëindiging van het geregistreerd partnerschap. Er ontstaat dan automatisch een gelijke fiscale behandeling van gehuwden en geregistreerde partners. Een andere, fiscaalrechtelijke oplossing is om een vergelijkbare bepaling als die van art. 4.2 Wet IB 2001 op te nemen, op basis waarvan het aanverwantschap vanuit fiscaal oogpunt wel eindigt bij ontbinding van het huwelijk. Ongeacht de keuze voor het huwelijk, geregistreerd partnerschap of ongehuwd samenwonen, zou dan dezelfde fiscale behandeling gelden van alimentatiebetalingen aan kinderen van de voormalige partner.