Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.4.2.4
5.4.2.4 De procedure inzake het gemotiveerde antwoord
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393608:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie de eerste volzin van overweging 40 bij de Richtlijn.
Terzijde zij opgemerkt dat in Council-verband over verkorting van deze termijn wordt nagedacht omdat zij wringt met de verplichting van de Bureaus om binnen drie maanden een gemotiveerd antwoord te geven. In dit verband moet ook worden gewezen op de verplichting van het Informatiecentrum om de benadeelde 'onverwijld' de naam en het adres van de verzekeraar, het nummer van de verzekeringspolis en de naam en het adres van de schaderegelaar te verstrekken. Onverwijld lijkt toch een aanmerkelijk kortere termijn te zijn dan drie maanden. Wat de informatiecentra (moeten) kunnen moet toch ook voor de Bureaus mogelijk zijn. Zie voor het Informatiecentrum en zijn verplichtingen par. 33.5.8. Dat neemt niet weg dat het ook als de termijn die staat voor bevestiging van de gewoonlijke standplaats van een voertuig of de geldigheid van de groene kaart drastisch bekort is, het nog steeds vaak niet mogelijk zal zijn om binnen drie maanden na het verzoek om schadevergoeding een definitief antwoord te geven.
Ook het Bureau dient binnen drie maanden na ontvangst van een verzoek om schadevergoeding een aanbod tot schaderegeling te doen, dan wel een gemotiveerd antwoord te geven. Zie art. 19, tweede volzin van de Richtlijn. Dat geldt niet alleen als het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald in een lidstaat, maar ook als het uit een derde land afkomstig is. Art. 19 ziet ook op de situatie dat de groene kaart de grondslag voor de aansprakelijkheid van het Bureau vormt.
De bepaling is logisch: het Bureau vervult ten opzichte van de benadeelde dezelfde rol en functie als een verzekeraar en niet valt in te zien, waarom deze benadeelde bij een ongeval dat door een bezoekend motorrijtuig is veroorzaakt geen 'specifiek recht op een snelle afhandeling van zijn vordering' zou hebben.1
Bij de praktische mogelijkheden van het Bureau om binnen de termijn van drie maanden daadwerkelijk een definitief antwoord te geven of een standpunt in te nemen moet echter een voorzichtig vraagteken worden geplaatst.
Dat is het gevolg van het feit dat het Bureau informatie behoeft uit het land waar het schade-veroorzakende voertuig gewoonlijk is gestald. Voor zover het voertuig gewoonlijk is gestald in een lidstaat dient te worden geverifieerd of dat inderdaad het geval is (wellicht bestaat daarover onduidelijkheid), of het kenteken met het voertuig overeenstemt, of het verzekerd is en zo ja bij welke maatschappij, waarna het dossier doorgaans moet worden overgedragen aan een benoemde correspondent. Is het gewoonlijk gestald in een niet-lidstaat, dan moet worden nagegaan of de groene kaart op het tijdstip van het ongeval geldig was. Het vermoede garanderend Bureau heeft op grond van de Internat Regulations drie maanden de tijd om deze onderzoeken af te ronden en het 'regelend' Bureau te bevestigen dat het kan gaan regelen.2
En vervolgens is voor een verantwoorde schaderegeling ook de lezing van de aansprakelijke vaak nodig. Het verzamelen van al deze informatie kost tijd.
De onduidelijkheden omtrent de vraag wat een met redenen omkleed antwoord in de zin van art. 22 van de Richtlijn is, spelen ook hier een rol. Mag het Bureau een inhoudelijke reactie achterwege laten zolang op de hiervoor gestelde vragen nog geen antwoord is ontvangen? Kan het zich 'verschuilen' achter de termijn van drie maanden die het garanderend Bureau heeft om dekking te bevestigen? Het lijkt dubieus.
De toepasselijkheid van art. 22 betekent niet alleen dat het Bureau binnen drie maanden hetzij een onderbouwd aanbod moet doen, dan wel moet uiteenzetten dat en waarom het (nog) geen aanbod kan doen, het houdt ook in dat ook het Bureau onder het sanctieregime dient te vallen. Omdat het Bureau door de benadeelde op grond van een eigen recht wordt aangesproken, is het sanctieregime dat van het land van vestiging van het Bureau.
Hier treedt een complicatie op die voortvloeit uit de organisatie van het groene-kaartstelsel. Slechts een (zeer) klein gedeelte van de onder het groenekaartstelsel afgewikkelde schadegevallen wordt door het Bureau zelf (of door een door het Bureau aangestelde lasthebber) behandeld. De regel is dat de schade door een benoemde correspondent wordt geregeld; deze treedt niet alleen op als vertegenwoordiger van het Bureau in het land van het ongeval, maar ook als lasthebber van de dekking gevende verzekeraar. Zie voor een en ander paragrafen 4.5.73 en 4.5.7.4.
Dat houdt in dat het Bureau ook met sancties dient te worden bedreigd als de correspondent de verplichting van art. 22 van de Richtlijn niet nakomt. Er valt voor te pleiten de bestuursrechtelijke sancties waarmee het Bureau volgens art. 19 jo. 22 wordt bedreigd met grote terughoudendheid toe te passen. De feitelijke invloed van het 'regelend' Bureau op de schadebehandeling door de correspondent is gering; zijn mogelijkheden om in te grijpen zijn alleen al daarom beperkt omdat het afhankelijk is van klachten van de benadeelden. Voor zover de sanctie bestaat uit de vergoeding van vertragingsrente kan die aan het Bureau worden opgelegd. De aan het Bureau opgelegde boetes en andere sancties en de door het Bureau verschuldigde rente kunnen, als de oorzaak voor de verschuldigdheid in het handelen van de correspondent ligt, bij deze, dan wel bij het garanderend Bureau in rekening worden gebracht. Zie verder paragraaf 6.2.4.4.
Een verwante vraag is, of de benadeelde zich ook op het standpunt zou kunnen stellen dat hij aanspraak kan maken op de interestvergoeding zoals die door de wetgeving van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar wordt voorgeschreven.
Men denke zich een ongeval in Nederland in, veroorzaakt door een Belgische automobilist. Kan de Nederlandse benadeelde - die ervoor kiest de verzekeraar, naast het Bureau van het land van het ongeval, rechtstreeks aan te spreken en die de verzekeraar op de door de Belgische wet voorgeschreven wijze aansprakelijk heeft gesteld - tegenover de verzekeraar aanspraak maken op de vergoeding van € 250 per dag dat deze in gebreke blijft?
Voor zover de benadeelde zijn schadevergoeding via het groenekaartstelsel en dus het Bureau van de lidstaat van het ongeval wil realiseren lijkt mij de vraag ontkennend te beantwoorden. De verplichtingen van het Bureau van het land van het ongeval worden immers beheerst door de wetgeving van het land van vestiging van dat Bureau. Spreekt hij echter de verzekeraar rechtstreeks aan, dan moet worden aangenomen dat wel de sancties van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar toepasselijk zijn. In paragraaf 5.2.9.1 onder c) is immers betoogd dat op het sanctieregime de wet van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar van toepassing is. Dit antwoord op de vraag zou wel meebrengen dat de benadeelde in het geval van een groenekaartschade een keuzemogelijkheid heeft die andere benadeelden niet ter beschikking staat: de keuze namelijk tussen twee regimes.
De benadeelde die van het Bureau binnen de termijn van drie maanden geen aanbod tot regeling van de schade of een met redenen omkleed antwoord heeft ontvangen, heeft in het stelsel van de Richtlijn geen toegang tot het schadevergoedingsorgaan. Dat orgaan heeft immers alleen een taak in het kader van schaden die aan bezoekers is toegebracht, niet als de bezoeker aansprakelijk is en de schade door het Bureau dient te worden afgewikkeld. Schadevergoeding en eventuele civielrechtelijke aan de benadeelde toekomende sancties zullen in dat geval dus langs de weg van de rechter moeten worden afgedwongen.