Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.5.4
5.5.4 Waarom ‘onpartijdige’ deskundigen in het onteigeningsrecht?
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702078:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 18 maart 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4449, NJ 1998/278 (Mantovanelli/Frankrijk); EHRM 6 mei 1985, ECLI:NL:XX:1985:AB9401, NJ 1989/38(Bönisch/Oostenrijk); EHRM 5 juli 2007, ECLI:NL:XX:2007:BB5086, NJ 2010/323 (Sara Lind Eggertsdóttir/IJsland).
Zie ook: Leidraad deskundigen in civiele zaken, hoofdstuk 6.
Nog eens expliciet: HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8098, NJ 2013/215 (Gielen/Sittard-Geleen). Zie ook § 2.2.10.
Scheltema & Storm 2008, p. 70-71.
Leidraad deskundigen in civiele zaken, hoofdstuk 6.
Zie ook: Schuite, EeR 2020/6, p. 222.
Dat deskundigen onpartijdig moeten zijn, is alleen al op grond van hetgeen daarover in § 5.5.1 en § 5.5.2 is opgemerkt, voor de hand liggend. Het is in de Nederlandse – maar ook in de Europese – rechtsorde niet goed voorstelbaar dat rechtbankdeskundigen partijdig zouden mogen zijn. De eis dat rechtbankdeskundigen onpartijdig moeten zijn, vloeit bijvoorbeeld voort uit de rechtspraak van het EHRM (zie daarvoor § 5.4.3).1 Desalniettemin heb ik nog niet duidelijk gemaakt of en hoe de onpartijdigheidseis uit de relevante wet- en regelgeving voortvloeit.
Deskundigen in civiele zaken zijn krachtens art. 198 lid 1 Rv wettelijk verplicht om hun taak onpartijdig te verrichten.2 Aangezien onteigeningsdeskundigen optreden in de civiele schadeloosstellingsprocedure is de aanname gerechtvaardigd dat art. 198 lid 1 Rv onverkort op onteigeningsdeskundigen van toepassing is. Toch vallen onteigeningsdeskundigen wetstechnisch buiten het bereik van art. 198 lid 1 Rv. Krachtens art. 32 Ow is de deskundigenprocedure in het onteigeningsrecht namelijk uitgezonderd van de deskundigenregels die het Wetboek van Rv stelt (neergelegd in de artikelen 194-200 Rv).3 In 1851 – het jaar waarin de onteigeningswet inwerking trad – was de gedachte achter art. 32 Ow dat de bijzonderheden van de deskundigenprocedure in het onteigeningsrecht gewaarborgd moesten zijn. Daarbij kan gedacht worden aan de wijze waarop deskundigen processtukken verkrijgen, de gang van zaken bij de descente en de kostenopgave. Krachtens art. 32 Ow werden deze bijzonderheden dus gegarandeerd. Art. 32 Ow beoogde echter geenszins de onteigeningsdeskundigen aan de basale en fundamentele gedragsregels voor deskundigen te onttrekken.4 Dat wil zeggen dat de regels over onpartijdigheid, maar bijvoorbeeld ook hoor en wederhoor, gewoon gelden. In het verlengde daarvan zijn ook de bepalingen die de Leidraad deskundigen in civiele zaken aan onpartijdigheid wijdt, van toepassing.5
Onder vigeur van de Omgevingswet wordt het wetstechnische obstakel dat voortvloeit uit art. 32 Ow definitief verholpen. Op de deskundigenprocedure in het onteigeningsrecht zal het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onverkort van toepassing zijn. De wetgever meent dat er, anders dan in 1851, geen noodzaak meer bestaat voor afwijkende deskundigenregels in het onteigeningsrecht.6 De instrumenten om de deskundigenprocedure op de gewenste wijze te laten verlopen, liggen thans allemaal besloten in de mogelijkheden die Rv biedt.7 Zie daarover uitgebreid § 2.2.10.