Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.9
2.9 Uitleg
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS587295:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin ook Hijma e.a. 2010, nr. 265.
Zie bijv. Flume 1992, p. 47 en Larenz 1967, p. 335.
Vgl. Meijers 1948. Meijers, die als prominent verdediger van de wilsleer te boek stond, merkt aldaar op p. 23 op: 'Hoe men zich ook daartegen keert, interpreteren blijft het zoeken naar een achter woorden verscholen menselijke bedoeling.' En elders in zijn boek (p. 225) schrijft Meijers over de door hem gepropageerde, later door Van Dunné als historisch-psychologisch gekenschetste, uitlegmethode dat '(...) het vaststellen van datgene wat bedoeld is — ook dus wat stilzwijgend bedoeld is — steeds een psychologische en niet een normatieve werkzaamheid blijft.' Zie over deze opvatting in kritische zin Eggens 1951, p. 258 e.v en p. 266 e.v. Vgl. Van Dunné 1980b, p. 68.
HR 17 december 1976, NJ 1977, 241.
HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635. Zie in deze zin ook Vranken 1989, p. 64.
Daarmee staat de Haviltex-maatstaf dicht bij de leer van de geobjectiveerde gemeenschappelijke partijbedoeling, zoals deze in België wordt gehanteerd. Zie hierover nader Smits 2005, p. 3. Vgl. voorts Van der Heijden 1933, p. 11.
Vgl. Van der Werf 1982, p. 62 en Valk 1994, p. 112.
Vranken 1989, p. 64.
Zie voorts r.o. 3.3 van het arrest van de Hoge Raad inzake 'de negende van oma' (HR 20 mei 1994, NJ 1995, 691, alwaar de Hoge Raad overweegt dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting 's Hofs oordeel dat de overeenkomst behoort te worden uitgelegd met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid, waarbij ook met de belangen van derden rekening dient te worden gehouden (art. 3:12 BW). Zie hierover voorts het navolgende hoofdstuk van dit boek.
Vgl. Willoweit 1969, p. 102 en Larenz/Wolf 2004, p. 620.
Uit 'Een man een man, een woord een woord' (Eggens 1949, p. 205). Een fraai voorbeeld van deze objectiverende denkwijze biedt het recente arrest HR 2 september 2011, NJ 2012, 75, dat betrekking had op de totstandkoming van een maatschapsovereenkomst.
De vraag op welke grondslag de overeenkomst tot stand komt kan niet los worden gezien van de vraag hoe zij moet worden uitgelegd. Beide vragen lopen in elkaar over: de beantwoording van de vraag of respectievelijk in hoeverre een overeenkomst tot stand is gekomen, kan niet geschieden zonder uitleg van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard.1 Als voorbeeld ter illustratie kan het uit de Duitse rechtsliteratuur bekende (fictieve) geval van de Trierer Weinversteigerung dienen.2
Tijdens een veiling steekt A zijn hand op om een oude vriend te begroeten die de zaal binnenloopt. B, veilingmeester, interpreteert conform plaatselijk gebruik A's handgebaar als een bod op het object, dat op dat moment onder de hamer ligt. Hij bekrachtigt het "bod" van A met een ferme hamerslag. Wie nu de wil als bepalende factor voor totstandkoming aanwijst, zal voor de oplossing van dit uitleg- en totstandkomingsprobleem vrijwel zeker ook een subjectivistische uitlegmethode hanteren: aanhangers van de wilsleer vatten uitleg in de regel op als het zoeken naar de bedoeling van partijen.3 Consequentie van een op de wilsleer gebaseerde uitleg-methode is in dit geval dat geen overeenkomst tot stand is gekomen: A's handgebaar was immers niet bedoeld om als bod te gelden. Wie daarentegen de goede trouw ofwel de redelijkheid en billijkheid als grondslag voor gebondenheid aanwijst, zal menen dat dit uitleg- en totstandkomingsprobleem juist normatief is op te vatten. Consequentie van deze visie is dat indien A door zijn gebaar bij B het redelijk vertrouwen van een door hem gedaan aanbod heeft gewekt, de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen, dat A zich gebonden heeft te weten in de zin, zoals hij zich — objectief bezien — jegens B te verstaan heeft gegeven. In dat geval is het handgebaar als bod op te vatten, nu dit de redelijke zin was die B in de gegeven omstandigheden aan het handgebaar mocht toekennen. In het arrest Bunde/Erckens kiest de Hoge Raad voor de laatste, normatieve benadering.4 Hij overweegt immers dat:
"(...)indien pp. die een overeenkomst wensen te sluiten, daarin een voor misverstand vatbare uitdrukking bezigen, die zij elk in verschillende zin hebben opgevat, het antwoord op de vraag of al of niet een overeenkomst tot stand is gekomen, in beginsel afhangt van wat beide pp. over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid (...) (curs. PSB)"
Deze maatstaf is praktisch gelijk aan die van het Haviltex-arrest.5 Blijkens dat arrest komt het bij uitleg van contracten namelijk aan op:
"de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht. (curs. PSB)"
Beide, vrijwel identieke, formules hebben een sterk normatieve en (dus) objectiverende inslag: het komt niet aan op de feitelijke vraag hoe partijen elkaars verklaringen en gedragingen hebben opgevat, maar op de normatieve vraag hoe partijen in de gegeven omstandigheden elkaars verklaringen en gedragingen over en weer in redelijkheid, d.w.z. als fatsoenlijke en behoorlijke lieden, behoorden op te vatten.6 Subjectief zijn beide maatstaven slechts in die zin dat dit behoren wordt afgemeten aan wat van deze partijen in deze omstandigheden mocht worden verwacht.7
Vranken concludeert uit het aldus door de Hoge Raad hanteren van (praktisch) één en dezelfde formule terecht dat zowel uitlegvragen als vragen van totstandkoming aan één en dezelfde maatstaf gebonden zijn.8 Die maatstaf is in beide gevallen die van de redelijkheid en billijkheid. Dat de Haviltex-maatstaf (en daarmee dus ook de praktisch identieke maatstaf van Bunde/Erckens) inderdaad in de sleutel staat van de redelijkheid en billijkheid is niet alleen af te leiden uit het gebruik van de woorden "redelijkerwijs" en "mogen", maar ook uit het bekende uitlegarrest HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (DSM/Fox). In dat arrest maakte de Hoge Raad immers duidelijk dat de Haviltex-maatstaf niet meer dan een uitwerking vormt voor het meest voorkomende type van overeenkomsten — van de redelijkheid en billijkheid, die bij elke wijze van uitleg in acht moet worden genomen: bij de uitleg van een contract zijn "telkens van beslissende betekenis (...) alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen."9
Dat zowel uitlegvragen als vragen van totstandkoming aldus aan één en dezelfde norm van redelijkheid en billijkheid zijn gebonden, mag gelet op het hiervoor vanaf § 8 gevoerde betoog geen verrassing heten. Deelnemers aan het rechtsverkeer zijn permanent onderworpen aan door de rechtsgemeenschap dwingend opgelegde elementaire normen van fatsoen en behoren: de eisen van redelijkheid en billijkheid. Wie overweegt te contracteren heeft zich aan die eisen te houden. In die eisen ligt besloten de verplichting van elke partij om rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Deze verplichting brengt met zich dat als een partij bij zijn wederpartij het redelijk vertrouwen heeft gewekt, zich in deze of gene zin gebonden te achten, die partij zich gebonden heeft te weten in de zin, zoals hij zich — objectief bezien — jegens zijn wederpartij te verstaan heeft gegeven.10 Of in de woorden van Eggens, die in het perspectief van de goede trouw (zie hiervoor in § 8.1) als grondslag voor de binding aan het gegeven woord opmerkt:
"Wilsverklaring is rechtens de verklaring die de verklaarder — hem toerekenbaar objectief als zijn wil doet verschijnen voor zijn wederpartij, en die deze laatste hem daarom rechtens mag toerekenen, en die de verklaarder zichzelf zal toerekenen indien hij zichzelf, en zijn wederpartij, als persoon begrijpt en eerbiedigt. De verklaarder is rechtens gebonden zo als hij zich te verstaan gegeven heeft, en zo behoort hij ook zichzelf — en daarmede zijn wil — te verstaan, onafhankelijk van de vraag wat hij had willen verklaren, maar in werkelijkheid niet — als zijn wil — verklaard heeft."11