Hof Arnhem-Leeuwarden, 23-02-2016, nr. 200.157.475/01
ECLI:NL:GHARL:2016:1392
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
23-02-2016
- Zaaknummer
200.157.475/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2016:1392, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 23‑02‑2016; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2015:4857, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 30‑06‑2015; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2015:1529, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 03‑03‑2015; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
AR 2016/672
ERF-Updates.nl 2016-0061
TvAR 2016/5846, UDH:TvAR/13217 met annotatie van Tea Mellema- Kranenburg
Uitspraak 23‑02‑2016
Inhoudsindicatie
Uitleg winstdelingsclausule in een notariële akte. Beroep op wijziging van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden. Beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ingangsdatum wettelijke rente.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.157.475/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 110859 / HA ZA 11-194)
arrest van 23 februari 2016
in de zaak van
[naam] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. W.R. Kamminga, kantoorhoudend te Oosterwolde, die ook heeft gepleit,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.M. van Rongen, kantoorhoudend te Heerenveen, die ook heeft gepleit.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest in incident van 30 juni 2015 hier over.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1.
[geïntimeerde] heeft na voornoemd tussenarrest op 6 oktober 2015 een memorie van antwoord genomen.
1.2.
Vervolgens zijn op 16 december 2015 pleidooien gehouden waarbij pleitnotities zijn overgelegd.
1.3.
Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.
2. De beoordeling van de grieven
2.1.
Met grief I wordt geklaagd over de, volgens [appellante] , op onderdelen onjuiste en onvolledige feitenvaststelling door de rechtbank. Die grief kan niet slagen omdat het hof in zijn arrest van 3 maart 2015 de feiten zelf heeft vastgesteld. Geen rechtsregel verplicht het hof verder alle door [appellante] als zodanig aangeduide feiten als vastgesteld te vermelden. Grief I faalt.
Winstdelingsclausule
2.2.
Kern van het geschil tussen partijen vormt de in de notariële akte van
14 september 2006 (hierna: de notariële akte) opgenomen winstdelingsclausule.
2.3.
De notariële akte bepaalt onder meer het volgende:
"I. Levering
Ter uitvoering van het vorenstaande verklaart [naam] bij deze in eigendom over te dragen aan [naam] , die verklaart in eigendom te aanvaarden:
de boerderij met uitzondering van woongedeelte en erf (…) genaamd "Papinga State", met ligboxenstal, verdere bijgebouwen, ondergrond en erf, plaatselijk bekend (…), alsmede diverse percelen weiland. (…),
tezamen met het aan dit registergoed gekoppelde melkquotum, bestaande uit een referentiehoeveelheid melk ten bedrage van zeshonderdtweeëndertigduizend driehonderdzevenentwintig kilogram (basis melkprijsjaar tweeduizendzes/tweeduizendzeven) met een vetpercentage van vier en zesendertig honderdste procent, (…).
…
Erfdienstbaarheden, kwalitatieve rechten/verplichtingen en/of bijzondere verplichtingen
…
Nota 2
Winstdelingsclausule
a. De comparant sub 2 [toevoeging hof: [naam] ] is verplicht bij vervreemding van de registergoederen of van een deel daarvan binnen vijftien jaar na een mei tweeduizendzes het verschil tussen de (vrije) waarde in het economisch verkeer en de verkrijgingsprijs op het moment van de voortzetting, voor de helft uit te keren aan zijn broer [geïntimeerde] , diens
rechtvertegenwoordigers of rechtverkrijgenden.
In het kader van het vorenstaande wordt de ingevolge dit artikel verkregen referentiehoeveelheid melk mede in de verrekenings- en uitkeringsplicht betrokken, (met uitzondering van negentigduizend kilogram melkquotum, het welk economisch gezien volledig eigendom is van de comparant sub 2 [toevoeging hof: [naam] ] zulks in tegenstelling tot de mestproductierechten.
Op het uit te keren bedrag komt in mindering een evenredig gedeelte van de kosten die gemaakt zijn voor de aangebrachte verbeteringen, voorzover deze verbeteringen ten tijde van de vervreemding de waarde van het registergoed verhogen. (…)
II. Schenking, levering en gebruik
Schenker [toevoeging hof: [naam] ] schenkt bij deze aan begiftigde [toevoeging hof: [naam] ] en levert op grond daarvan aan begiftigde die bij deze aanvaardt:
het woongedeelte van de boerderij "Papinga State" (…) met ondergrond en erf, (…)"
2.4.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 17 oktober 2012 vastgesteld dat [appellante] als rechtsopvolgster onder algemene titel gebonden is aan de bepalingen van de notariële akte, waaronder de winstdelingsclausule. Grief II richt zich tegen dat oordeel van de rechtbank. [appellante] heeft gesteld dat uit de bepalingen van de notariële akte valt af te leiden dat partijen bij de overeenkomst hebben willen afwijken van het wettelijke uitgangspunt van artikel 6:249 BW. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat daar waar in de tekst van de notariële akte bij [geïntimeerde] is opgenomen "diens rechtsvertegenwoordigers of rechtverkrijgenden", deze zinsnede bij [naam] ontbreekt. Hieruit blijkt, aldus [appellante] , dat partijen bij die overeenkomst er vanuit gingen dat uitsluitend [naam] aan de winstdelingsclausule zou zijn gebonden en niet zijn rechtverkrijgenden.
2.5.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij niet betrokken was bij het opstellen van de overeenkomst en de daarin opgenomen winstdelingsclausule. Hij is van mening dat enkel op de tekst van de clausule dient te worden afgegaan, die naar objectieve maatstaven moet worden geïnterpreteerd.
2.6.
Het hof overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat uit artikel 6:249 BW volgt dat de rechtsgevolgen van een overeenkomst mede gelden voor de rechtverkrijgenden onder algemene titel, tenzij uit de overeenkomst iets anders voortvloeit. Uitgangspunt is dan ook dat [appellante] als enig erfgenaam van [naam] [geïntimeerde] in beginsel gebonden is aan de bepalingen van de overeenkomst zoals die zijn vastgelegd in de notariële akte.
2.7.
Voor het antwoord op de vraag of partijen daarvan hebben willen afwijken, zoals door [appellante] wordt gesteld, geldt het volgende. Bij de uitleg van een contract zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (vgl. HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427). Uit genoemd arrest volgt tevens dat in praktisch opzicht de taalkundige betekenis van de bewoordingen, gelezen in de context van het contract als geheel, bij de uitleg vaak wel van groot belang zijn. In de onderhavige zaak is in dat verband van belang dat vaststaat dat [geïntimeerde] noch [appellante] betrokken is geweest bij de totstandkoming van de in de notariële akte vastgelegde koopovereenkomst en aldus geen invloed hebben gehad op de formulering van de winstdelingsclausule, noch de overige bepalingen. Vaststaat eveneens dat de in de notariële akte opgenomen winstdelingsclausule de rechtspositie van een derde - te weten [geïntimeerde] - beoogt te regelen. Om die reden ligt bij de uitleg van de overeenkomst een toespitsing van de Haviltex-norm op een geobjectiveerde maatstaf in de rede (vgl. HR 2 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4410).
2.8.
Het voorgaande leidt tot de navolgende uitleg. Het gaat in deze zaak om een clausule - een derdenbeding ten behoeve van [geïntimeerde] , diens rechtsvertegenwoordigers en rechtverkrijgenden - die blijkens haar omschrijving in de notariële akte ziet op verdeling van door [naam] behaalde winst wanneer deze de boerderij binnen vijftien jaar na de datum van voortzetting zou verkopen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:249 BW is de rechtsopvolger onder algemene titel gebonden aan de betreffende clausule. Partijen bij de overeenkomst hebben dan ook niet op hoeven te nemen dat ook de rechtsopvolger van [naam] aan de clausule gebonden zou zijn. Indien zij in afwijking hiervan de verplichting enkel op [naam] wilden laten rusten, had het wel in de rede gelegen om dit specifiek te benoemen. Daarnaast heeft [appellante] gesteld dat uit de strekking van de overeenkomst volgt, zo begrijpt het hof, dat de winstdelingsclausule een persoonlijk karakter draagt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het opnemen van deze clausule in de notariële akte moet worden bezien tegen de - door [appellante] onweersproken - achtergrond dat [naam] de boerderij heeft verkregen tegen de agrarische waarde, een waarde die doorgaans beneden de waarde in het economische verkeer ligt. Aangenomen mag daarom worden dat doorverkoop van de boerderij [naam] een winst zou hebben opgeleverd. De clausule belet voor de duur van vijftien jaar, dat [naam] de winst na vervreemding voor zichzelf en ten koste van zijn broer [geïntimeerde] zou hebben gehouden. Waarom dit niet voor zijn rechtsopvolgers zou gelden is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Dit leidt tot de conclusie dat [appellante] gebonden is aan de winstdelingsclausule. Grief II faalt.
Wijziging van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden ingevolge
2.9.
Grief IV richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank dat er geen sprake is van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW die dienen te leiden tot een wijziging van de overeenkomst. In de toelichting op de grief heeft [appellante] het volgende gesteld. Bij het aangaan van de overeenkomst, zoals is neergelegd in de notariële akte, zijn partijen ervan uitgegaan dat [naam] nooit zou verkopen. Uitsluitend indien hij uit speculatief oogpunt binnen vijftien jaar de boerderij zou vervreemden, zou de winstdelingsclausule in werking treden. De dood van [naam] was een onvoorziene omstandigheid, zonder welke de boerderij niet was verkocht en die moet leiden tot een wijziging van de overeenkomst in die zin dat op het aan [geïntimeerde] uit te keren bedrag in het kader van de winstdelingsclausule in mindering dienen te worden gebracht de kosten en de verliezen die het gevolg zijn van de verkoop van de boerderij. Dit zijn de aanslag schenkingsbelasting, de aanslag inkomstenbelasting over de opbrengst, dan wel de latente inkomstenbelastingclaim over de meerwaarde van de opstallen en de referentiehoeveelheid melkquotum, de verkoopkosten, de kosten van het afwikkeling van het rentederivaat en de exploitatieverliezen in de periode tot verkoop.
2.10.
Artikel 6:258 BW geeft de rechter de mogelijkheid om op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst te wijzigen of deze overeenkomst geheel (of gedeeltelijk) te ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Lid 2 van genoemd artikel bepaalt dat een wijziging of ontbinding niet wordt uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept.
2.11.
In HR 20 februari 1998, LJN ZC2587, NJ 1998/493 (Briljant/Schreuders) werd overwogen:
"4.3.2 (...) Van onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 kan alleen sprake zijn voor zover het betreft omstandigheden die op het ogenblik van tot stand komen van de overeenkomst nog in de toekomst lagen. Voor toepassing van art. 6:258 is alleen plaats wanneer de onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat de wederpartij van degene die herziening van de overeenkomst verlangt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan dit vereiste zal niet spoedig zijn voldaan; redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 969). Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechter terughoudendheid moet betrachten ten aanzien van de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden (vgl. HR 27 april 1984, NJ 1984, 679 , rov. 3.2)."
2.12.
Het feit dat het overlijden van [naam] binnen 15 jaar na [datum] een onvoorziene omstandigheid was, brengt niet zonder meer mee dat er ruimte is voor wijziging van de overeenkomst. Voor toepassing van artikel 258 BW geldt het strenge vereiste dat de wederpartij ( [geïntimeerde] ) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mocht verwachten. Het hof is van oordeel, in navolging van hetgeen door [geïntimeerde] is aangevoerd, dat niet het overlijden van [naam] , maar de keuze van [appellante] om de boerderij te verkopen, de keuze van het moment waarop tot verkoop werd overgegaan en het niet herinvesteren in een agrarische onderneming, tot de gestelde kosten en verliezen hebben geleid. Zonder de verkoop van de boerderij was enerzijds een uitkering op grond van de winstdelingsclausule niet aan de orde geweest en anderzijds waren de verschillende (latente) claims van de belastingdienst met betrekking tot schenkings- en inkomstenbelasting niet manifest geworden en had zij geen kosten met betrekking tot de verkoop hoeven maken. De vraag die vervolgens rijst is of de verkoop van de boerderij in noodzakelijk verband stond met het overlijden van [naam] . [appellante] heeft hiertoe gesteld dat zij hoogzwanger en zonder affiniteit met het boerenbedrijf achterbleef, er een hoge financieringslast op de boerderij drukte, het melkquotum zou worden afgeschaft, het boekjaar 2009/2010 met een negatief resultaat werd afgesloten en de kantonrechter toestemming heeft gegeven voor de verkoop.
2.13.
Het hof overweegt als volgt. De kantonrechter heeft op verzoek van [appellante] toestemming tot verkoop gegeven, maar dit hield geen opdracht in om te verkopen. [appellante] heeft niet betwist dat een zetboer de boerderij draaiende hield en zij inmiddels elders een woning had betrokken. Mogelijk is de exploitatie van de boerderij in het boekjaar 2009/2010 verliesgevend geweest, maar uitgaande van de door [appellante] genoemde cijfers (productie III bij CvD in conventie laat slechts een deel van de jaarrekening zien en kan niet ter onderbouwing dienen) was dit verlies vele malen kleiner dan de claim schenkingsbelasting van € 324.150,- die door verkoop van de boerderij invorderbaar werd. Niet in geschil is voorts dat het melkquotum aan een andere koper dan de koper van de boerderij is verkocht, waardoor de waarde van het melkquotum ook zonder verkoop van het resterende deel van de boerderij niet hoefde te verdampen. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de noodzaak tot verkoop ontbrak en het overlijden van [naam] daarmee niet een omstandigheid vormt, die van dien aard is dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mocht verwachten. Voor aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden is dan ook geen plaats en het beroep op wijziging van de gevolgen van de overeenkomst wordt verworpen.
aanvulling van de overeenkomst op grond van artikel 6:248 BW
2.14.
[appellante] heeft in grief V een beroep gedaan op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 BW. Daartoe heeft zij gesteld dat de winstdelingsclausule is geschreven met het oogmerk om [geïntimeerde] mee te laten delen als zijn broer [naam] de boekwinst tussen de vervreemdingsprijs en de verkrijgingsprijs (tegen agrarische waarde) uit speculatief oogpunt verzilvert. In het onderhavige geval, zo stelt [appellante] , is een nalatenschap zo goed mogelijk afgewikkeld met het oogmerk om het vermogen voor de betrokken partijen te behouden. In dat kader diende op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid de rechtsgevolgen van de overeenkomst te worden aangevuld, in die zin dat op de uitkering op grond van de winstdelingsclausule de in rov. 2.9. genoemde kosten en verliezen in mindering dienen te worden gebracht.
2.15.
Het hof verwijst naar hetgeen het hiervoor in rov. 2.12. en 2.13. heeft overwogen. De winstdelingsclausule treedt in werking bij verkoop binnen vijftien jaar. Nu de verkoop niet in een zodanig verband staat met het overlijden van [naam] dat [appellante] daardoor niet anders kon dan overgaan tot verkoop, is het hof van oordeel dat het beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, in die zin dat genoemde kosten en verliezen in mindering moeten worden gebracht op de uitkering in het kader van de winstdelingsclausule, moet worden afgewezen. Het feit dat het bedrag dat op basis van de winstdelingsclausule aan [geïntimeerde] dient te worden uitgekeerd mogelijk hoger is dan het bedrag dat voor [appellante] resteert na aftrek van de belastingclaims en overige kosten, kan hieraan evenmin afdoen. [geïntimeerde] dient immers zelf over het hem toekomende deel (van de schenking) met de fiscus af te rekenen. Voor verrekening van verdere kosten, die vooral zien op de afwikkeling van de erfenis van [appellante] (kosten rentederivaat, aflossing verdere schulden) is in het kader van de winstdelingsclausule dan ook geen plaats.
Uitkering op basis van de winstdelingsclausule
2.16.
Grief III richt zich, voor zover in hoger beroep van belang, tegen de berekening van het bedrag dat op basis van de winstdelingsclausule aan [geïntimeerde] dient te worden uitgekeerd. Voor zover de grief zich richt tegen de overweging van de rechtbank dat [appellante] artikel 21 Rv heeft geschonden, verwijst het hof naar zijn arrest van 3 maart 2015 (rov. 4.3. tot en met 4.7.). [appellante] heeft bij deze grief verder geen belang nu zij in hoger beroep haar stellingen en eventuele aanvullende stukken met betrekking tot de genoemde "resterende onderwerpen" naar voren heeft kunnen brengen.
2.17.
De rechtbank heeft geoordeeld dat bij de berekening van het bedrag dat op basis van de winstdelingsclausule aan [geïntimeerde] dient te worden uitgekeerd, moet worden uitgegaan van het verschil tussen de (vrije) waarde in het economisch verkeer op
28 april 2010 van de geleverde registergoederen en de verkrijgingsprijs op [datum] daarvan (vonnis 17 oktober 2012 rov. 4.10.), waarbij het woongedeelte van de boerderij niet moet worden betrokken (vonnis 26 juni 2013 rov. 2.4.). [appellante] heeft hiertegen (MvG nr. 46) in hoger beroep uitsluitend aangevoerd dat de berekening op basis van deze uitgangspunten tot een voor [appellante] nadelige uitkomst leidt, maar zij heeft niet gegriefd tegen de uitleg van de winstdelingsclausule door de rechtbank in haar vonnissen zoals hiervoor genoemd. Het hof zal daarom eveneens tot uitgangspunt nemen dat op basis van de winstdelingsclausule aan [geïntimeerde] dient te worden uitgekeerd het verschil tussen de (vrije) waarde in het economisch verkeer op 28 april 2010 van de geleverde registergoederen en de verkrijgingsprijs op [naam] .
2.18.
Tussen partijen is niet in geschil dat de boerderij op 28 april 2010 is verkocht voor een totaalbedrag van € 2.950.000,-. Blijkens de akte van levering van 28 april 2010 is dit bedrag als volgt uitgesplitst:
- opstallen € 664.000,-
- erf en ondergrond € 90.000,-
- landerijen € 2.171.000,-
- toeslagrechten € 25.000,-
De verkrijgingsprijs op [naam] (exclusief woongedeelte) moet volgens de notariële akte worden gesteld op € 650.000,-.
2.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van de door [naam] aangebrachte waarde verhogende verbeteringen aan de boerderij blijkens de tekst van de winstdelingsclausule in evenredigheid in mindering moeten worden gebracht op het aan [geïntimeerde] toekomende bedrag.
2.20.
De rechtbank heeft op basis van voornoemde uitgangspunten (te weten, zakelijk weergegeven: verschil vrije waarde in het economisch verkeer op 28 april 2010 en de verkrijgingsprijs op [naam] , in mindering brengen van verbeteringen) die ook in hoger beroep tot uitgangspunt dienen, de volgende berekening gemaakt:
- opbrengst landerijen per 2010 € 2.171.000,-
- opbrengst melkquotum 2010 564.020 kilogram a € 0,90 € 507.618,-
- opbrengst opstallen en ondergrond € 317.187,-
- opbrengst toeslagrechten € 25.000,-
- totale opbrengst € 3.020.805,-
- af: verkrijgingsprijs 2006 € 650.000,-
- bij helfte te verdelen opbrengst € 2.370.805,-
Op basis van deze berekening komt aan [geïntimeerde] in het kader van de winstdelingsclausule een bedrag toe van € 1.185.402,50.
2.21.
[appellante] heeft in hoger beroep deze berekening betwist (grief III). Het hof zal hierna per onderdeel de stellingen van partijen beoordelen.
Opbrengst melkquotum
2.22.
[appellante] heeft gesteld dat het melkquotum in boekjaar 2006/2007 632.327 kilogram bedroeg. Daarvan behoorde 90.000 kilogram aan [naam] toe. Dat deel heeft hij derhalve niet van zijn vader overgenomen. In totaal werd op [naam] 542.327 kilogram door [naam] verworven. De totale opbrengst van het melkquotum in 2009/2010 was
€ 520.940,- voor 657.826 kilogram. De opbrengst van het melkquotum dat voor verrekening in aanmerking komt, afgezien van de verkoopkosten, bedraagt € 429.475,- (0,824 maal
€ 520.940,-), aldus [appellante] .
2.23.
[geïntimeerde] heeft gesteld dat op de melkquota ieder jaar een indexering wordt toegepast, waardoor het aantal kilo's in de jaren toeneemt. Volgens [appellante] bedroeg het melkquotum in 2009/2010 657.826 kilogram. Na aftrek van het geïndexeerde deel van [naam] resteert te verdelen 564.020 kilogram (657.826 - (90.000 + 3.000). Er is geen reden om de vermeerdering van het melkquotum niet in de verdeling te betrekking nu de waardevermeerdering van de overige registergoederen wel dient te worden verdeeld, aldus [geïntimeerde] . Nu [appellante] heeft nagelaten bewijs bij te brengen van de opbrengst van het melkquotum dient te worden uitgegaan van de gemiddelde prijs voor een kilogram melk met een vetpercentage van 4,36 % in 2010, te weten: € 0,90 per kilo. In de berekening dient dan ook te worden betrokken 564.020 kilogram maal € 0,90. Voor verrekening van verkoopkosten biedt de winstverdelingsclausule geen ruimte, aldus [geïntimeerde] .
2.24.
Het hof oordeelt met betrekking tot het melkquotum als volgt. Blijkens de winstdelingsclausule moet bij de uitkering aan [geïntimeerde] ook de waarde van de referentiehoeveelheid melk worden betrokken (minus 90.000 kilogram die aan [naam] in economische eigendom toebehoorden). Uit de notariële akte volgt dat de bij de winstdelingsclausule te betrekken hoeveelheid melkquotum in 2006 542.327 kilogram bedroeg (632.327 minus 90.000) met een vetpercentage van 4,36%. [geïntimeerde] heeft betoogd dat de een indexering van 1% per jaar dient te worden toegepast, die in de verdeling dient te worden betrokken. De rechtbank heeft in haar vonnis van 26 juni 2013 rov. 2.12. overwogen dat uit de winstdelingsclausule niet blijkt dat de indexering moet worden gehanteerd en dat deze buiten beschouwing moet worden gelaten. Weliswaar heeft de rechtbank in haar eindvonnis de berekening van Tjaarda overgenomen, waarin de indexering is meegenomen, maar hieraan ligt geen nadere motivering ten grondslag. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de winstdelingsclausule niet kan volgen dat is beoogd eveneens de indexering in de berekening te betrekking. In de winstdelingsclausule wordt immers gesproken over de verkregen referentiehoeveelheid (632.327 kilogram) met uitzondering van 90.000 kilogram melkquotum die in de verrekenings- en uitkeringsplicht is betrokken. Het hof zal dan ook uitgaan van 542.327 kilogram. Nu [appellante] ook in het hoger beroep op geen enkele wijze de opbrengst van het melkquotum aannemelijk heeft gemaakt, maar slechts heeft overgelegd "resultaat melkquotum" zal het hof bij de berekening uitgaan van de niet betwiste kengetallen, waarbij wordt uitgegaan van een opbrengst van € 0,90 per kilogram bij voornoemd vetpercentage. Dit leidt ertoe dat in de berekening wordt betrokken 542.327 maal € 0,90 = € 488.094,30. Nu volgens de winstdelingsclausule in de verrekening dient te worden betrokken "de waarde in het vrije verkeer bij vervreemding" ligt een aftrek van de verkoopkosten niet zonder meer voor de hand, nog daargelaten dat ook hiervan geen stukken zijn overgelegd.
Opbrengst opstallen en ondergrond
2.25.
In de winstdelingsclausule is bepaald: "Op het uit te keren bedrag komt in mindering een evenredig gedeelte van de kosten die gemaakt zijn voor de aangebrachte verbeteringen, voorzover deze verbeteringen ten tijde van de vervreemding de waarde van het registergoed verhogen. (…)"
Tussen partijen staat vast dat er geen verbeteringen zijn aangebracht aan de landerijen en de woning (proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg d.d. 6 maart 2014).
2.26.
De opstallen (waaronder de aan [naam] geschonken woning) en ondergrond zijn in 2010 verkocht voor € 754.000,-.
De waarde in het economisch verkeer in 2006 van de woning is berekend op € 113.750,-.
De waarde in het economisch verkeer in 2006 van de overige opstallen is berekend op
€ 317.187,- (proces-verbaal in eerste aanleg d.d. 6 maart 2014, door de rechtbank overgenomen in haar vonnis van 9 juli 2014).
Door de rechtbank is van de verkoopsom van € 754.000,- het bedrag van € 113.750,- en de waarde in het economisch verkeer van de overige opstallen in 2006 ad € 317.187,- afgetrokken om de waardestijging van de woning en de aangebrachte verbeteringen te berekenen, aldus resteert € 323.063,-. Dit bedrag dient conform de winstverdelingsclausule in mindering te worden gebracht op het uit te delen bedrag,
De berekening luidt dan als volgt. De verkoopprijs in 2010 € 754.000,- minus € 113.750 (waarde woning in 2006) is € 640.250,- minus het berekende bedrag aan waardevermeerdering en verbetering € 323.063,- ; resteert € 317.187,- ter verdeling.
2.27.
[appellante] heeft, kort weergegeven, gesteld dat er is geïnvesteerd in de opstallen en dat deze investeringen volledig zijn gefinancierd. Daartoe alleen al is de bankschuld toegenomen met een bedrag van € 639.000,-. Van enig voordeel is volgens [appellante] geen sprake. Volgens [appellante] dienen de opbrengsten van de opstallen en ondergrond op nihil te worden gesteld.
2.28.
Het hof is van oordeel dat gelet op de tekst van de winstdelingsclausule zoals hiervoor is weergegeven (rov. 2.3.) uitsluitend die kosten in mindering kunnen worden gebracht waarmee de waarde van de registergoederen is verhoogd. Dat er, zoals [appellante] heeft gesteld, hoge kosten zijn gemaakt, heeft zich gelet op de gerealiseerde opbrengst van de registergoederen niet vertaald in een waardevermeerdering van de onroerende zaken en deze kunnen derhalve niet in mindering worden gebracht. Nu van overige bezwaren tegen de berekening niet is gebleken neemt het hof de berekening met betrekking tot de opstallen en opbrengsten over en maakt die tot de zijne.
2.29.
Met betrekking tot de toeslagrechten heeft [appellante] gesteld (MvG nr. 39) dat uit de winstdelingsclausule niet blijkt dat de toeslagrechten in de berekening dienen te worden betrokken.
2.30.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de toeslagrechten waarover wordt gesproken niet de gewone toeslagrechten zijn, die aan [naam] toebehoorden, maar dat het in dit geval gaat om een steunbedrag per hectare landbouwgrond. Dit dient (als gekoppeld aan het registergoed) in de berekening te worden betrokken (MvA nrs. 109 t/m 112).
2.31.
[appellante] heeft bij gelegenheid van de pleidooien uitsluitend aangevoerd dat de opbrengst van de toeslagrechten nihil is geweest en zij heeft zich niet nader uitgelaten over de door [geïntimeerde] vermelde koppeling aan de registergoederen die conform de winstdelingsclausule in de verdeling moeten worden betrokken. Het hof is van oordeel dat, nu uit de akte van levering d.d. 28 april 2010 blijkt dat de opbrengst van de toeslagrechten
€ 25.000,- is geweest en het door [geïntimeerde] gestelde niet nader is betwist, de toeslagrechten als onderdeel van de waarde van de registergoederen in de verdeling moeten worden meegenomen.
Dit brengt het hof tot de volgende berekening:
- opbrengst landerijen per 2010 € 2.171.000,00
- opbrengst melkquotum 2010 542.327 maal € 0,90 = € 488.094,30
- opbrengst opstallen en ondergrond € 317.187,00
- opbrengst toeslagrechten € 25.000,00
- totale opbrengst € 3.001.281,30
- af: verkrijgingsprijs 2006 € 650.000,00
- bij helfte te verdelen opbrengst € 2.351.281,30
Op basis van deze berekening komt aan [geïntimeerde] in het kader van de winstdelingsclausule een bedrag toe van € 1.175.640,65. Bij wijze van voorschot was daarop reeds een bedrag van € 500.000,- voldaan, zodat [appellante] gehouden is aan [geïntimeerde] te voldoen € 675.640,65.
Ingangsdatum wettelijke rente
2.32.
Grief VI richt zich tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente. Op 28 april 2010 is de boerderij geleverd en [appellante] is gehouden per die datum aan [geïntimeerde] uit hoofde van de winstdelingsclausule uit te keren een bedrag van € 1.175.640,65. [geïntimeerde] heeft per datum levering aanspraak gemaakt op voornoemd bedrag. [appellante] heeft geweigerd meer dan € 500.000,- aan [geïntimeerde] uit te keren. Voor zover [appellante] met voldoening van het meerdere in gebreke is gebleven is zij, zonder dat hiertoe een ingebrekestelling was vereist, in verzuim geraakt en is zij de wettelijke rente verschuldigd geraakt. De vertraging in voldoening van de geldsom kan niet aan [geïntimeerde] worden toegerekend op grond van het feit dat een deel van het bedrag in depot stond bij de notaris op basis van een tussen partijen gesloten overeenkomst (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg), nu dit het gevolg was van de weigering van [appellante] om hetgeen zij verschuldigd was uit hoofde van de winstdelingsclausule uit te keren. Grief VI faalt.
Bewijsaanbod
2.33.
[appellante] heeft in hoger beroep aangeboden te bewijzen dat bij het opstellen van de notariële akte het de bedoeling van partijen is geweest dat niet meer dan het netto voordeel voor de helft uitgekeerd hoefde te worden. Aan dit bewijsaanbod zal worden voorbijgegaan gelet op het overwogene in rov.2.7. en 2.8. Voorts is aangeboden te bewijzen dat [naam] niet voornemens was de boerderij te vervreemden. Nu dit laatste niet in geschil is en bovendien niet beslissend is voor de uitkomst van de procedure, zal ook hieraan, als niet ter zake dienend, voorbij worden gegaan.
Slotsom
2.34.
De grieven falen, behalve ten aanzien van de indexering van het melkquotum. De bestreden vonnissen dienen te worden bekrachtigd met uitzondering van het in het eindvonnis van 9 juli 2014 toegewezen bedrag van € 685.402,50 dat wordt gewijzigd in een bedrag van € 675.640,65. In zoverre zal dat vonnis worden vernietigd.
Het hof zal [appellante] als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep (inclusief de incidenten) aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 1.601,- aan verschotten en op € 19.475,- aan salaris advocaat conform het liquidatietarief (5 punten, tarief VII:
€ 3.895,-).
1. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden, sector civiel recht, van
17 oktober 2012 en de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, afdeling privaatrecht van 26 juni 2013 en 11 december 2013;
vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, afdeling privaatrecht van 9 juli 2014, uitsluitend voor zover [appellante] daarbij is veroordeeld tot betaling van € 685.402,50 aan [geïntimeerde] ;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellante] tot betaling van een bedrag van € 675.640,65 aan [geïntimeerde] , te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 april 2010 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep in de hoofdzaak, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 19.475,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.601,- voor verschotten;
verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde veroordelingen) uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. M.E.L. Fikkers en mr. P. Roorda en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier op dinsdag
23 februari 2016.
Uitspraak 30‑06‑2015
Inhoudsindicatie
Incident tot niet-ontvankelijk verklaring. Geïntimeerde vordert dat appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat zij als moeder niet bevoegd is op te treden namens haar dochter. Appellante heeft alsnog een machtiging van de kantonrechter overgelegd. Het hof heeft de incidentele vordering vervolgens afgewezen. Geïntimeerde verzet zich ook tegen de eiswijziging van appellante, stellende (onder meer) dat de gewijzigde eis te vaag is zodat hij zich daartegen onvoldoende kan verweren. Het hof acht de conclusie van appellante, gelezen in samenhang met de inhoud van de memorie van grieven, echter voldoende duidelijk. Het verzet tegen de eiswijziging is derhalve afgewezen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.157.475/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 110859 / HA ZA 11-194)
arrest van de eerste kamer van 30 juni 2015 in de incidenten tot niet-ontvankelijkverklaring en van verzet tegen de eiswijziging in de zaak van
[appellante] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige],
wonende te [woonplaats],
appellante,
tevens verweerster in de incidenten,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. W.R. Kamminga, kantoorhoudend te Oosterwolde,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
tevens eiser in de incidenten,
in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.M. van Rongen, kantoorhoudend te Heerenveen.
Het arrest van 3 maart 2015 wordt hier overgenomen.
1. De verdere loop van het geding in hoger beroep
1.1
[appellante] heeft een memorie van grieven (met producties) en vermeerdering/verandering vordering (in reconventie) genomen, met als conclusie:
"(...) dat het Gerechtshof behage de vonnissen (...) waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het in eerste aanleg door gerekwireerde gevorderde alsnog zal afwijzen en het door rekwirante gevorderde (in reconventie), na wijziging van eis te weten: de vordering van [geïntimeerde] op grond van de winstdelingsclausule vast te stellen met inachtneming van het gestelde in reconventie, althans in goede justitie de vordering van [geïntimeerde] op grond van de winstdelingsclausule vast te stellen, [geïntimeerde] te veroordelen tot (terug) betaling van hetgeen op grond van het (eind) vonnis van de rechtbank in eerste aanleg meer geïnd is dan waarop Uw Hof de vordering van [geïntimeerde] op grond van de winstdelingsclausule vaststelt in appèl te vermeerderen met de wettelijke rente van af de dag dat [geïntimeerde] het meerdere heeft geïnd althans vanaf 25 november 2014, kosten rechtens."
1.2
[geïntimeerde] heeft een akte genomen die ertoe strekt dat [appellante] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens haar onbevoegdheid om [minderjarige] te vertegenwoordigen en waarbij verzet is aangetekend tegen de eiswijziging van [appellante].
1.3
[appellante] heeft een antwoordconclusie in het incident leidende tot niet-ontvankelijkheid van appellante genomen. Bij de antwoordconclusie zijn producties gevoegd, waaronder een beschikking van 7 mei 2015 van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, waarbij aan [appellante] machtiging is verleend om namens [minderjarige] op te treden en in hoger beroep te komen tegen het eindvonnis van de rechtbank van 9 juli 2014 en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen in de procedure tegen [geïntimeerde].
1.4
Partijen hebben arrest gevraagd in de incidenten, te wijzen op het griffiedossier.
2. De beoordeling in het incident tot niet-ontvankelijkverklaring
2.1
Aan zijn vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat [appellante] niet beschikt over een machtiging van de kantonrechter ex art. 1:349 BW, zodat zij niet bevoegd was om namens haar dochter [minderjarige] hoger beroep in te stellen. Om die reden dient [appellante] niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar appel, aldus [geïntimeerde].
2.2
[appellante] heeft gewezen op de in 1.3 vermelde machtiging van de kantonrechter van 7 mei 2015 en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.
2.3
Ingevolge art. 1:349 lid 1 BW wordt een voogd die zonder machtiging van de kantonrechter voor de minderjarige als eiser in rechte optreedt of tegen een uitspraak beroep instelt, niet-ontvankelijk verklaard. Deze bepaling is op grond van art. 1:253k BW van overeenkomstige toepassing op het bewind van de ouder. [appellante] beschikt inmiddels over een machtiging van de kantonrechter om namens [minderjarige] in rechte op te treden. Daarom is thans geen plaats voor niet-ontvankelijkverklaring wegens het ontbreken van een machtiging. Dat deze machtiging eerst hangende het hoger beroep is verleend, maakt dit niet anders (HR 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6032). De vordering van [geïntimeerde] om [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar appel zal derhalve worden afgewezen.
3. De beoordeling in het incident van verzet tegen de eiswijziging
3.1
[geïntimeerde] verzet zich tegen de eiswijziging van [appellante] in hoger beroep, stellende (samengevat) dat het gewijzigde petitum tamelijk vaag is waardoor het grievenstelsel op
onaanvaardbare wijze wordt doorkruist. Verder stelt [geïntimeerde] dat het voor hem niet duidelijk is hoe de gewijzigde eis in reconventie zich verhoudt tot de grieven die tegen de vonnissen waarvan beroep zijn gericht, dat het voor hem onduidelijk is welke uitkomst van de procedure [appellante] wenselijk acht en dat het niet duidelijk is hoe de gedekte verweren en gerechtelijke erkenningen zich verhouden tot de voorgestelde eiswijziging. Hierdoor is het voor hem onmogelijk om gedegen verweer te voeren, zodat de eiswijziging wegens strijd met de eisen van de goede procesorde dient te worden geweigerd, aldus [geïntimeerde].
3.2
Het hof overweegt dat op grond van art. 130 lid 1 Rv juncto art. 353 lid 1 Rv aan [appellante] de bevoegdheid toekomt haar eis of de gronden daarvan te wijzigen. De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden echter overschreden indien de eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging van het geding en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging.
3.3
De bevoegdheid om de eis of de gronden daarvan te wijzigen is in hoger beroep in die zin beperkt, dat de eiswijziging niet later dan bij memorie van grieven of antwoord dient plaats te vinden. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eisende partij is gesteld. Op deze "in beginsel strakke regel" kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. In alle gevallen geldt dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (zie o.a. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 en HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064).
3.4
Het hof stelt vast dat de eiswijziging voldoet aan de in 3.3 vermelde "in beginsel strakke regel", nu [appellante] haar eiswijziging in de memorie van grieven heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eiswijziging/vermeerdering.
3.5
Over de begrijpelijkheidsklachten van [geïntimeerde] oordeelt het hof als volgt. Tussen partijen is in confesso dat de kern van het geschil de uitleg van de winstdelingsclausule is, zoals die is opgenomen in de notariële akte van 14 september 2006. In eerste aanleg heeft over de uitleg van de winstdelingsclausule een uitvoerig partijdebat plaatsgevonden, waarbij [appellante] in reconventie wijziging dan wel aanpassing van de winstdelingsclausule heeft gevorderd en verweer heeft gevoerd tegen de op nakoming van de winstdelingsclausule gebaseerde vorderingen van [geïntimeerde]. Aldus is inhoudelijk sprake van een sterke samenhang tussen het geschil in conventie en dat in reconventie. Met de memorie van grieven beoogt [appellante] het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen (MvG randnr. 19). Daarbij heeft [appellante] aangegeven (grief 1 en de daarop gegeven toelichting boven randnr. 22) dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de winstdelingsclausule, met name waar het gaat om de vraag (MvG randnr. 33) of partijen hebben bedoeld af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van art. 6:249 BW dat de rechtsgevolgen van een overeenkomst mede gelden voor de rechtverkrijgende onder algemene titel. Mede in het licht van de overige grieven, waarbij [appellante] nader ingaat op verschillende overwegingen die ten grondslag liggen aan de door haar aangevochten oordelen van de rechtbank, acht het hof de vordering van [appellante] niet onbegrijpelijk.
3.6
De stellingen van [geïntimeerde] met betrekking tot (beweerdelijk) gedekte verweren en gerechtelijke erkenningen vereisen een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Daarvoor is thans geen plaats. Die beoordeling zal eerst plaatsvinden nadat [geïntimeerde] van antwoord heeft gediend. De overige stellingen van [geïntimeerde] raken eveneens aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak, zodat het hof hieraan thans voorbij gaat.
3.7
In de bezwaren van [geïntimeerde] ziet het hof, alles overziend, dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat hij door de eiswijziging van [appellante] onredelijk in zijn verdediging wordt bemoeilijkt en/of dat het geding er onredelijk door zal worden vertraagd. Ambtshalve ziet het hof evenmin grond voor een dergelijk oordeel.
3.8
De conclusie luidt dat de bezwaren van [geïntimeerde] tegen de eiswijziging zullen worden verworpen. Het hof zal in hoger beroep derhalve recht doen op de gewijzigde eis van [appellante].
4. Ten aanzien van de hoofdzaak en de proceskosten in de incidenten
4.1
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.
4.2
De beslissing omtrent de kosten van de incidenten zal worden gereserveerd tot de einduitspraak.
De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
in de incidenten
wijst de vordering van [geïntimeerde] tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] af;
verwerpt de bezwaren van [geïntimeerde] tegen de eiswijziging van [appellante];
bepaalt dat omtrent de kosten van de incidenten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 11 augustus 2015 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde].
Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. H. de Hek en mr. L. Groefsema, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 30 juni 2015.
Uitspraak 03‑03‑2015
Inhoudsindicatie
Incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging hangende het hoger beroep. In eerste aanleg is een vordering van circa 1,1 miljoen Euro toegewezen. Die vordering is inmiddels grotendeels voldaan, onder meer door de executie van het vonnis waarvan beroep. Wat resteert is een bedrag van circa 75.000 Euro (plus bijkomende rente en/of kosten). De verdere executie van het vonnis kan echter leiden tot de gedwongen verkoop van de woning van de schuldenaar. Het hof kent in dit geval meer gewicht toe aan de belangen van de schuldenaar bij schorsing, dan aan de belangen van de schuldeiser bij de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis. De belangen van de schuldeiser zijn voldoende gewaarborgd door de gelegde conservatoire beslagen. De incidentele vordering is daarom toegewezen en de executie van het vonnis in eerste aanleg is geschorst.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.157.475/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 110859 / HA ZA 11-194)
arrest van de eerste kamer van 3 maart 2015 in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging in de zaak van
[appellante] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige[minderjarige],
wonende te [woonplaats],
appellante,
tevens eiseres in het incident,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. W.R. Kamminga, kantoorhoudend te Oosterwolde,
tegen
[geÏntimeerde] ,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
verweerder in het incident,
in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [geÏntimeerde],
advocaat: mr. J.M. van Rongen, kantoorhoudend te Heerenveen.
1. Het geding in eerste instantie
1.1
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 17 oktober 2012 van de voormalige rechtbank te Leeuwarden, sector civiel recht, en de vonnissen van 26 juni 2013, 11 december 2013 en 9 juli 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank).
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Bij exploot van 6 oktober 2014 is door [appellante], onder intrekking van het eerdere exploot van 3 september 2014, hoger beroep ingesteld van voormelde vonnissen met dagvaarding van [geÏntimeerde] tegen de zitting van 16 december 2014.
2.2
De appeldagvaarding strekt tot vernietiging van de bestreden vonnissen, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geÏntimeerde] en tot het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellante], met veroordeling van [geÏntimeerde] in de kosten van beide instanties.
2.3
Bij afzonderlijke incidentele memorie heeft [appellante] geconcludeerd:
"(...) om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de uitvoerbaarheid van het vonnis (...) van 9 juli 2014 (...) te schorsen totdat het (eind) arrest in appel is gewezen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het incident, althans kosten rechtens."
2.4
Bij memorie van antwoord in het incident heeft [geÏntimeerde] geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering en tot veroordeling van [appellante] in de kosten van het incident.
2.5
Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en zij hebben daartoe de stukken overgelegd.
3. De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg
3.1
Het gaat in deze zaak - voor zover relevant voor de beoordeling in het incident - in het kort over het volgende.
3.2
[appellante] is de moeder van[minderjarige] (hierna: [minderjarige]). [minderjarige] is geboren [in 2008]. [minderjarige] is de dochter van wijlen [de erflater] (hierna: [de erflater]) en zij is zijn enig erfgenaam. Namens [minderjarige] is de erfenis van [de erflater] beneficiair aanvaard. [geÏntimeerde] is de broer van [de erflater].
3.3
[de erflater] heeft het boerenbedrijf van zijn vader, [de vader van de erflater], met ingang van 1 mei 2006 overgenomen. In verband met deze overname is op 14 september 2006 een notariële leveringsakte verleden. In deze akte is bepaald dat [de erflater] de boerderij te [woonplaats] (met uitzondering van woongedeelte en erf), de ligboxenstal, verdere bijgebouwen, ondergrond, erf en diverse percelen weiland, tegelijk met het in de akte nader omschreven melkquotum, koopt voor € 650.000,-.
3.4
In voormelde leveringsakte is een winstdelingsclausule opgenomen die inhoudt dat [de erflater] verplicht is om bij vervreemding van de registergoederen of een deel daarvan binnen vijftien jaar na 1 mei 2006 het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de verkrijgingsprijs op het moment van de voortzetting, voor de helft uit te keren aan zijn broer [geÏntimeerde]. In de winstdelingsclausule is tevens bepaald dat de door [de erflater] verkregen referentiehoeveelheid melk (met uitzondering van 90.000 kilogram melkquotum, dat hij reeds in eigendom had) in de verrekenings- en uitkeringsplicht dient te worden betrokken, en dat op het uit te keren bedrag in mindering komt een evenredig gedeelte van de kosten die gemaakt zijn voor de aangebrachte verbeteringen, voor zover die de waarde van het registergoed ten tijde van de vervreemding verhogen.
3.5
In de notariële leveringsakte van 14 september 2006 is tevens opgenomen dat het woongedeelte van de boerderij, met ondergrond en erf, door [de vader van de erflater] wordt geschonken aan [de erflater].
3.6
In verband met de hiervoor genoemde voortzetting van het agrarisch bedrijf heeft de belastingdienst een conserverende aanslag opgelegd aan [de erflater] van € 324.150,-. De conserverende aanslag zou vijf jaar na de voortzetting, derhalve op 1 mei 2011, komen te vervallen indien de boerderij binnen die vijf jaar niet zou zijn verkocht.
3.7
[de erflater] is op 10 augustus 2008 overleden.
3.8
[appellante] heeft de boerderij - dat wil zeggen: het gehele melkveehouderijbedrijf - namens [minderjarige] verkocht voor een bedrag van (totaal) € 2.950.000,- en op grond van een daartoe door de kantonrechter verleende machtiging op 28 april 2010 geleverd aan een derde. Laatstgenoemd bedrag is als volgt uitgesplitst: opstallen € 664.000,-, erf en ondergrond € 90.000,-, landerijen € 2.171.000,- en toeslagrechten € 25.000,-. Tevens zijn de tot het melkveebedrijf behorende veestapel, machines en werktuigen aan die derde verkocht en geleverd voor € 125.000,-. Het melkquotum, inclusief de onder 3.4 vermelde 90.000 kg die buiten de verrekening valt, is eveneens verkocht en geleverd aan (een) derde(n); blijkens de jaarstukken 2009/2010 is daar een bedrag van (totaal) € 520.940,- voor betaald.
3.9
Aansluitend op voormelde levering heeft [appellante] ten titel van uitvoering van de winstdelingsclausule op 28 april 2010 een bedrag van € 500.000,- betaald aan [geÏntimeerde]. Tevens is een bedrag van € 450.000,- bij de notaris in depot gesteld.
3.10
In eerste aanleg heeft [geÏntimeerde] in conventie na eiswijziging gevorderd (samengevat) een veroordeling van [appellante] tot betaling van € 1.185.402,50 vermeerderd met de wettelijke rente en rekening houdend met de reeds gedane betaling van € 500.000,-, alsmede een verklaring voor recht over de uitleg van de winstdelingsclausule, kosten rechtens.
3.11
[appellante] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd (samengevat) wijziging (subsidiair: aanvulling) van de winstdelingsclausule, kosten rechtens.
3.12
De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis van 9 juli 2014 als volgt beslist:
in conventie
3.1
verklaart voor recht dat [appellante] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige[minderjarige] aan [geÏntimeerde] dient uit te keren de helft van het verschil tussen de vrije waarde in het economisch verkeer op het moment van vervreemding en de verkrijgingsprijs op het moment van de voortzetting van de bij akte van levering van 14 september 2006 aan wijlen de heer [de erflater] geleverde registergoederen, waaronder de bij die gelegenheid geleverde referentiehoeveelheid melk;
3.2
veroordeelt [appellante] aldus tot betaling van een bedrag van € 685.402,50 aan [geÏntimeerde], te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 28 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening:
3.3
wijst af het meer of anders gevorderde:
in reconventie
3.4
wijst de vorderingen af:
in conventie en in reconventie
3.5
veroordeelt [appellante] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [geÏntimeerde] tot op heden begroot op € 30.403.81, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor zover voldoening niet binnen deze termijn zal hebben plaatsgevonden, derhalve voorwaardelijk - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf het verstrijken van deze termijn van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening van de proceskosten, alsmede te vermeerderen met de nakosten ten bedrage van € 205,00, dan wel - indien betekening van dit vonnis in conventie en in reconventie plaatsvindt - € 273,00:
3.6
verklaart dit vonnis ten aanzien van de rechtsoverwegingen 3.1, 3.2 en 3.5
uitvoerbaar bij voorraad.
3.13
Het eindvonnis van 9 juli 2014 is op 18 augustus 2014 aan [appellante] betekend.
3.14
Op 27 augustus 2014 heeft [geÏntimeerde] executoriaal derdenbeslag gelegd onder [appellante] en onder de [bank] (hierna: [bank]).
3.15
[appellante] heeft op 24 september 2014 een derdenverklaring afgegeven waaruit blijkt dat zij een bedrag van € 227.000,- aan [minderjarige] verschuldigd is, welk bedrag [appellante] heeft aangewend voor de aankoop van haar woning aan [adres] te [woonplaats]. Nadat [appellante] niet heeft bewilligd in een verzoek tot betaling van € 227.000,-, heeft [geÏntimeerde] een procedure ex art. 477a lid 4 Rv tegen [appellante] aanhangig gemaakt. Op 10 oktober 2014 heeft [geÏntimeerde] conservatoir (derden)beslag gelegd op de onroerende zaken van [appellante] in [woonplaats] en op de tegoeden van [appellante] bij de [bank].
3.16
Op 8 oktober 2014 heeft de notaris het in 3.9 genoemde depot uitbetaald aan [geÏntimeerde], hetgeen (vermeerderd met de rente en na aftrek van kosten) neerkomt op een bedrag van € 482.473,26.
3.17
Het beslag ten laste van [minderjarige] onder de [bank] heeft voor € 262.694,33 doel getroffen. De [bank] heeft genoemd bedrag op 17 oktober 2014 aan de door [geÏntimeerde] ingeschakelde deurwaarder afgegeven.
4. De beoordeling in het incident
4.1
De vraag waar het in het onderhavige incident - primair - om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012), voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt:
( a) dat de incidenteel eiser belang moet hebben bij de door hem verlangde schorsing van de executie,
( b) dat bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, en
( c) dat bij deze belangenafweging de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing moet blijven.
Nu bij de beoordeling van een incidentele vordering als hier bedoeld ook geldt dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter, zal de incidenteel eiser aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken, dan wel zal de incidenteel eiser aannemelijk hebben te maken dat het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. Van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag als hiervoor omschreven is pas sprake wanneer het evident is dat het beroepen vonnis op een vergissing berust. Daarvan is nog geen sprake wanneer ook een andere beslissing mogelijk was geweest.
4.2
In hetgeen hierna volgt, zal het hof zal de stellingen van [appellante] afzetten tegen voormeld toetsingskader.
opbrengst opstallen en ondergrond, opbrengst melkquotum
4.3
Volgens [appellante] is de opbrengst van de opstallen en de ondergrond niet juist gewaardeerd en heeft de rechtbank ten onrechte toepassing gegeven aan art. 21 Rv. Anders dan de rechtbank hiervoor redengevend achtte, heeft de advocaat van [appellante] aangegeven dat hij met nadere stukken zou komen met betrekking tot de financiële situatie van de boerderij na het overlijden van [de erflater] ter onderbouwing van de gestelde onvoorziene omstandigheden en de aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid, aldus [appellante]. Het te executeren vonnis berust volgens [appellante] voorts op een feitelijke misslag waar het de opbrengst van het melkquotum betreft. [de erflater] heeft 542.327 liter melkquotum overgenomen van zijn vader. De opbrengst van dit melkquotum volgt uit de jaarstukken 2009/2010, waarvan een gedeelte als productie is overgelegd. Op basis hiervan is de opbrengst van het melkquotum dat onder de winstdelingsclausule valt € 429.475,- in plaats van de € 507.618,- waarvan de rechtbank is uitgegaan, aldus tot zover [appellante].
4.4
Het hof overweegt dat de rechtbank in haar tussenvonnis van 11 december 2013 een meervoudige comparitie heeft gelast om een schikking te beproeven en om inlichtingen te verschaffen, met name over de onderwerpen: waarde van het woongedeelte en de aangebrachte verbeteringen, de opbrengst van het melkquotum in 2010 en de verkrijgingsprijs van het melkquotum in 2006.
4.5
Uit het proces-verbaal van de op 6 maart 2014 gehouden comparitie blijkt dat de advocaat van [appellante] ter zitting heeft gesteld dat de opbrengst van het melkquotum aanzienlijk lager is dan het bedrag (€ 1.084.654,-) waarvan de rechtbank is uitgegaan (het hof begrijpt: in het tussenvonnis van 26 juni 2013). De advocaat van [appellante] heeft vervolgens verklaard:
"Ik kan niet exact zeggen voor welk bedrag het verkocht is. In de balans is een bedrag van € 491.828,- opgenomen als resultaat. Daarnaast is het maar zeer de vraag of verkoop van melkquotum mee moet tellen als dit gedaan is om de boel draaiende te houden.
Er dreigt nu zo'n grote scheefgroei in de erfstelling te ontstaan. Als [de erflater] niet was overleden was de boerderij nimmer verkocht. Ik meen dan ook dat de bepaling in de notariële akte naar redelijkheid en billijkheid uitgelegd dient te worden.
Ik zal hoe dan ook hoger beroep aantekenen tegen het eindvonnis. Ik heb om mij moverende redenen en in overleg met de accountant van [appellante] bepaalde stukken en informatie niet in het geding gebracht. In hoger beroep zal ik hier wel mee komen, waardoor de uitkomst geheel anders zal zijn.
In overleg met partijen is overeengekomen dat het proces-verbaal na afloop van de zitting zal worden opgemaakt en aan partijen zal worden toegezonden. Partijen mogen enkel opmerkingen maken over evidente onjuistheden in het proces-verbaal.
(...)"
4.6
In het eindvonnis van 9 juli 2014 heeft de rechtbank overwogen (samengevat) dat de advocaat van [appellante] de stellingen en berekeningen van [geÏntimeerde] slechts in algemeenheden heeft bestreden. Uit de omstandigheid dat (de advocaat van) [appellante] bepaalde stukken welbewust heeft achtergehouden, heeft de rechtbank de gevolgtrekking gemaakt dat door partij [appellante] art. 21 Rv - welke bepaling voorschrijft dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren - heeft geschonden. Met toepassing van de tweede volzin van art. 21 Rv heeft de rechtbank vervolgens de stellingen van [geÏntimeerde] voor juist aangenomen en is zij bij de toewijzing van de vordering uitgegaan van de juistheid van de door [geÏntimeerde] gepresenteerde berekening van de waarde van het woongedeelte en de aangebrachte verbeteringen (€ 317.187,-) en de waarde van het melkquotum in 2010 (€ 507.618,-)
4.7
In aanmerking nemend dat uit het overgelegde procesdossier niet blijkt dat zijdens [appellante] opmerkingen over evidente onjuistheden in het proces-verbaal aan de rechtbank kenbaar zijn gemaakt, gaat het hof ervan uit dat het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg zoals hiervoor in 4.5 weergegeven een juiste weergave is van het verhandelde ter comparitie. Hieruit volgt dat het oordeel van de rechtbank dat zijdens [appellante] art. 21 Rv is geschonden, niet onbegrijpelijk is. Of de rechtbank bij haar eindoordeel van een onjuiste waarde van de opstallen en ondergrond respectievelijk van het melkquotum is uitgegaan, dient derhalve in de procedure in hoger beroep te worden beoordeeld. Omdat de kans van slagen van het hoger beroep in het kader van dit incident in beginsel buiten beschouwing moet blijven en het hof in dit geval geen aanleiding ziet om daarop een uitzondering te maken, komt het hof dan ook niet tot het door [appellante] gewenste oordeel.
opbrengst toeslagrechten
4.8
[appellante] stelt dat het te executeren vonnis op een feitelijke misslag berust waar het de opbrengst van de toeslagrechten betreft, omdat ten onrechte tot uitgangspunt is genomen dat de toeslagrechten in de winstdelingsclausule betrokken dienen te worden.
4.9
Het hof overweegt dat uit de leveringsakte van 28 april 2010 blijkt dat het aandeel van de toeslagrechten in de koopprijs € 25.000,- bedraagt. In de leveringsakte van 14 september 2006 worden toeslagrechten niet met zoveel woorden genoemd, noch in de beschrijving van hetgeen [de erflater] overneemt van zijn vader, noch in de winstdelingsclausule. Of de toeslagrechten in de toepassing van de winstdelingsclausule dienen te worden betrokken of niet, is daarom een kwestie van uitleg van die clausule. Het partijdebat daarover is in eerste aanleg niet of nauwelijks gevoerd. Dat is gedeeltelijk verklaarbaar door de omstandigheid dat het partijdebat is geëindigd na de meervoudige comparitie van de rechtbank op 6 maart 2014, waarvan het proces-verbaal hiervoor in 4.5 is aangehaald. Ook voor de waardering van de toeslagrechten geldt echter dat de rechtbank haar oordeel erop heeft gebaseerd dat [appellante] de stellingen van [geÏntimeerde] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, zodat zij de stellingen en berekeningen van [geÏntimeerde] tot uitgangspunt heeft genomen voor haar eindoordeel. Van een feitelijke en/of juridische misslag is naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden geen sprake. De stelling van [appellante] dat de toeslagrechten buiten de winstdelingsclausule moeten blijven, stuit er dan ook op af dat de kans van slagen van het appel bij de beoordeling in het incident buiten beschouwing moet worden gelaten.
4.10
Het hof voegt hier nog het volgende aan toe. [appellante] diende aan [geÏntimeerde] te betalen (hoofdsom inclusief verschenen rente en kosten) een bedrag van € 820.365,44 (plus p.m.). Na de betalingen genoemd in 3.16 en 3.17 resteerde hiervan medio oktober 2014 nog een bedrag van € 75.197,85 (plus p.m.). Dit betekent dat zelfs indien de opbrengst van de toeslagrechten buiten de toepassing van de winstdelingsclausule zou moeten blijven, dit vooralsnog niet kan leiden tot schorsing van de executie van het vonnis van 9 juli 2014. Verlaging van de opbrengst van de verkoop van de melkveehouderij met € 25.000,- leidt immers slechts tot een verlaging van de toewijsbare vordering van [geÏntimeerde] met € 12.500,-.
4.11
Op grond van het vorenoverwogene oordeelt het hof dat van een misslag, feitelijk of juridisch, geen sprake is.
belangenafweging
4.12
[appellante] heeft zich echter ook beroepen op de in 4.1 genoemde b-grond, door aan te voeren dat zij haar onderdak zal verliezen wanneer de executie wordt voortgezet. Het hof is van oordeel dat in dit geval de belangenafweging in het voordeel van [appellante] dient uit te vallen, gelet op de hoogte van de oorspronkelijke vordering (circa 1,1 miljoen Euro) in verhouding tot het relatief geringe bedrag (€ 75.197,85 plus p.m.) dat [appellante] op grond van het vonnis waarvan beroep nog dient te voldoen, mede in aanmerking nemend dat de belangen van [geÏntimeerde] voldoende gewaarborgd zijn door de gelegde conservatieve beslagen, terwijl bij voortzetting van de executie voor [appellante] haar huisvesting op het spel kan komen te staan.
4.13
In de uitkomst van deze belangenafweging ziet het hof voldoende grond voor het oordeel dat de belangen van [appellante] bij schorsing van de tenuitvoerlegging dienen te prevaleren boven de belangen van [geÏntimeerde] bij verdere executie van het beroepen vonnis van 9 juli 2014. De vordering in het incident zal derhalve worden toegewezen.
4.14
De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden gereserveerd tot de einduitspraak.
De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
in het incident
schorst de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van 9 juli 2014 en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat omtrent de kosten van het incident zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 14 april 2015 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellante].
Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. H. de Hek en mr. L. Groefsema, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 maart 2015.