Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/1.1
1.1 Onderwerp en probleemstelling
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS460782:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het citaat maakt onderdeel uit van de voordracht van mr. J.H.M. Willems, voorzitter van de OK in de periode 1996-2009, gehouden op het congres ‘Conflicten rondom de rechtspersoon’ in Nijmegen (op 29 en 30 oktober 1999). De tekst is op schrift gesteld: Willems 2000a.
Art. 2: 349a lid 2 BW bepaalt dat de OK desverzocht in elke stand van het geding onmiddellijke voorzieningen kan treffen indien dit in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek vereist is.
Ingevolge art. 2: 355 lid 1 jo. 356 BW kan de OK, indien uit het onderzoeksverslag van wanbeleid is gebleken, desverzocht overgaan tot (a) schorsing of vernietiging van besluiten van de bestuurders, commissarissen, de algemene vergadering of enig ander orgaan van de rechtspersoon; (b) schorsing of ontslag van een of meer bestuurders of commissarissen; (c) tijdelijke aanstelling van een of meer bestuurders of commissarissen; (d) tijdelijke afwijking van door de OK aangegeven statutaire bepalingen; (e) tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer, en (f) ontbinding van de rechtspersoon.
In art. 2: 354 BW is onder andere bepaald dat de vennootschap de OK kan verzoeken te beslissen dat zij (de vennootschap) de onderzoekskosten geheel of gedeeltelijk kan verhalen op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst is van de vennootschap indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid of een onbevredigende gang van zaken.
HR 8 april 2005,JOR 2005, 119 (Laurus, m.nt. Brink).
Ik versta onder de eerste fase van de enquêteprocedure de fase die wordt ingeleid met het indienen van een verzoek tot het instellen van een onderzoek (art. 2: 345-347 BW) en die eindigt met de nederlegging ter griffie van het onderzoeksrapport (art. 2: 353 lid 1 BW). Ik versta onder de tweede fase de fase die wordt ingeleid met het verzoek voor recht te verklaren dat van wanbeleid is gebleken en/of voorzieningen te treffen als bedoeld in art. 2: 356 BW (zie art. 2: 355 lid 1 BW) en die eindigt met de uitspraak van de OK op dit verzoek.
HR 10 januari 1990,NJ 1990, 466 (OGEM Holding, m.nt. Maeijer).
Art. 236 lid 1 Rv luidt: ‘Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.’
‘De inzichten van een rechter zijn aan ontwikkeling onderhevig. En ontwikkeling is er geweest, veel en vlug.’1
1. Onderwerp van dit proefschrift vormt de rechtspleging door de Ondernemingskamer in enquêteprocedures. De aandacht gaat in de eerste plaats uit naar impasseprocedures waarin voorzieningen als bedoeld in art. 2: 349a lid 2 BW2 respectievelijk art. 2: 356 BW3 zijn getroffen. Deze impasseprocedures betreffen veelal kleine(re) vennootschappen met slechts enkele aandeelhouders – die in veel gevallen tevens tezamen het bestuur vormen – tussen wie de verhoudingen ernstig zijn verstoord. In de tweede plaats wordt aandacht besteed aan enkele procedures waarin de Ondernemingskamer tot wanbeleid heeft geconcludeerd en waarin zij in het kader van de behandeling van verzoeken tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW en/of tot kostenverhaal (art. 2: 354 BW4) heeft vastgesteld dat de bestuurder of commissaris op wie het verzoek betrekking heeft, verantwoordelijk is voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid.
2. De probleemstelling in het onderzoek is tweeledig. Wat betreft de impassezaken luidt de centrale vraag of de enquêteprocedure gelet op haar aard, inrichting en de bevoegdheden van de Ondernemingskamer geschikt is om de boven gedui de impasses tussen aandeelhouders te doorbreken. De centrale vraag aangaande de tweede categorie uitspraken luidt op welke wijze en in welke mate de overwegingen waarin de Ondernemingskamer individuele verantwoordelijkheden heeft vastgesteld, kunnen doorwerken in procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) BW en in hoeverre de beschikking van de Hoge Raad inzake Laurus5 er toe heeft geleid dat de positie van bestuurders en commissarissen in die procedures is verbeterd.
Ik onderzoek ter beantwoording van de vraag of de enquêteprocedure een geschikte procedure is om impasses tussen aandeelhouders te doorbreken onder meer welke de aard is van de problemen, hoe de Ondernemingskamer deze problemen te lijf gaat (zowel in de eerste als de tweede fase van de procedure6), welke de resultaten zijn van haar inspanningen (voor zover de beschikkingen hierover informatie verschaffen) en welke de grenzen zijn van haar bevoegdheden. In antwoord op de vraag op welke wijze en in welke mate de overwegingen van de Ondernemingskamer aangaande de individuele verantwoordelijkheid kunnen doorwerken in latere aansprakelijkheidsprocedures, onderzoek ik welke de betekenis is van deze overwegingen, welke rechtsvragen in dat kader door haar worden beantwoord en of en zo ja, in hoeverre deze rechtsvragen overeenkomen met die welke voorliggen in procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) BW. Ik besteed naar aanleiding van de beschikkingen van de Hoge Raad inzake OGEM Holding7 en Laurus bovendien aandacht aan het leerstuk van het gezag van gewijsde (vergelijk art. 236 Rv8 ) respectievelijk het voorshandse bewijsoordeel en bekijk welke de betekenis hiervan is voor bestuurders en commissarissen in de later aansprakelijkheidsprocedure.