Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.2.4
6.2.4 Voordelen en nadelen van (mede)zeggenschap van ex-werknemers
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687238:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
J.J.M. van Mierlo, Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 25-26, wijst hierbij op de resultaten van een onderzoek naar de naleving van de WOR. Zie ook SER-advies van 19 december 2003, Aanpassing Wet op de ondernemingsraden, nummer 2003/12, p. 57. Verdere opsomming: G.W. van der Voet, S.F.H. Jellinghaus en S.S.M. Peters, ‘Het waarom van medezeggenschap in relatie tot vormen van medezeggenschap’, in: L.C.J. Sprengers en G.W. van der Voet (red.), De toekomst van de medezeggenschap, Aanbevelingen aan de wetgever, Deventer: Kluwer 2009, p. 7-8.
C.J. Lammers, Medezeggenschap en overleg in het bedrijf, Utrecht: Spectrum 1965, p. 204; M.G. Rood, Bedrijfsdemocratie: vlag of lading? (oratie Leiden 1979), Deventer: Kluwer 1979, p. 7.
Kamerstukken II 2002/03, 28792, nr. 1, p. 4-5. Vergelijk de toets van artikel 105 lid 2 Pw voor het pensioenfonds, dat ook de belangen van de ex-werknemer noemt.
Kamerstukken II 2009/10, 28294, nr. 37 (bijlage).
B.P.M. Claassen en C. van der Werf, Evaluatie regeling medezeggenschap bij pensioenfondsen, Den Haag: Vuga Uitgeverij 1996.
Kamerstukken II 1985/86, 19008, nr. 4, p. 22. Dat argument miskent dat hoger personeel werknemers zijn en ex-werknemers niet.
M.A. Everink, ‘Hoe moeten pensioenfondsen worden gedemocratiseerd?’, Namens 1986/8, p. 443-444. Naar mijn mening inmiddels achterhaald door wettelijke geschiktheidsvereisten.
H.G. Hagelen, ‘Pariteit in het bestuur van een ondernemingspensioenfonds’, Vb 1953, p. 234: werknemers zijn volgens de auteur ‘het beste in staat om de bedrijfsverhoudingen te beoordelen. Gepensioneerden staan buiten het bedrijf’.
Kamerstukken II 1985/86, 19008, nr. 4, p. 28. Ook al: Kamerstukken II 1955/56, 4009, nr. 10, p. 12. Zo ook: E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 383 en H. Bode, ‘Pensioen: van gunst naar recht’, in: E.P. de Jong en B. Wessels, Pensioen is pensioen, opstellen aangeboden aan mr. J.W. Janssen, Alphen aan den Rijn: Samson Uitgeverij 1987, p. 12. R.M. Beltzer en R. Biezeveld, De pensioenvoorziening als bindmiddel, Amsterdam: Uitgeverij Aksant 2004, p. 220-221, stellen dat dit sentiment nog steeds heerst. R. ten Wolde, ‘Voltooiing medezeggenschap gepensioneerden dringend gewenst’, PM 2008/123, keert zich tegen de idee van enge belangenbehartiging met de motivering dat elk bestuursbesluit financiële gevolgen heeft en dus de ruimte voor toeslagen direct of indirect beïnvloedt.
SER-advies van 24 april 1987, Advies ex-deelnemers pensioenfondsen, nummer 1987/09, p. 12. E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 384, meende dat vertegenwoordiging van gepensioneerden zou betekenen dat ook andere groepen zoals arbeidsongeschikten en werklozen vertegenwoordiging zouden opeisen. Zo ook naschrift G. Verheij bij R. ten Wolde, ‘Deelnemersraad heeft langste tijd gehad’, PM 2003/12. Th.L.J. Bod, Het juridische kader van pensioen, Preadvies voor de ledenvergadering van Vereniging voor Pensioenrecht gehouden op 26 maart 1996 te Nieuwegein, Deventer: Kluwer 1996, p. 27, vreesde dat bestuurszetels voor verschillende categorieën belanghebbenden een efficiënte besluitvorming parten zou spelen.
Kamerstukken II 2003/04, 28354, nr. 8, p. 14-15.
Zie ook: Kamerstukken II 2007/08, 31537, nr. 4, p. 7.
Kamerstukken II 1987/88, 19008, nr. 11, p. 14. P.J.M. van Wersch, ‘Gepensioneerden in besturen pensioenfondsen?’, TPV januari 1988, p. 12, stelt dat uit de toenemende organisatie van ouderen en gepensioneerden blijkt dat zij hun belangen onvoldoende behartigd achten door de werknemersverenigingen.
Kamerstukken II 1999/2000, 26674, nr. 6, p. 2; Kamerstukken II 2001/02, 28354, nr. 3, p. 7-8; Kamerstukken II 2005/06, 28354, nr. 14, p. 12; Kamerstukken II 2008/09, 31537, nr. 7, p. 6 en p. 20; Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 8, p. 24; E. Lutjens, ‘Indexering op de tocht: gepensioneerden in de kou?’, NJB 2002/28, p. 1347.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 40. Door de goedkeuringsrechten worden de leden als (mede)beleidsbepalers gezien.
Kamerstukken II 1955/56, 4009, nr. 10, p. 12; Kamerstukken II 1985/86, 19008, nr. 4, p. 22; SER-advies van 24 april 1987, Advies ex-deelnemers pensioenfondsen, nummer 1987/09, p. 12-18. Verstoring van de bestaande (machts)verhouding was eerder ook al als argument ingebracht tegen het toekennen van medezeggenschap van werknemers onder de WOR: Ph.A.N. Houwing en W.L. Haardt, Is herziening van het vennootschapsrecht mogelijk en wenselijk, met deze strekking, dat aan de werknemers medezeggenschap in de onderneming wordt gegeven?, Advies uitgebracht aan de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Zwolle: Tjeenk Willink 1950, p. 17.
Reactie van de STAR van 2 september 2011 op het voorontwerp van het wetsvoorstel Versterking Bestuur Pensioenfondsen, aangehaald in Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 4, p. 11.
SER-advies van 24 april 1987, Advies ex-deelnemers pensioenfondsen, nummer 1987/09, p. 18-19.
E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 381-382; E.P. de Jong, ‘SER-adviezen over pensioenvraagstukken’, in: E.P. de Jong en B. Wessels, Pensioen is pensioen, opstellen aangeboden aan mr. J.W. Janssen, Alphen aan den Rijn: Samson Uitgeverij 1987, p. 29; C.J. Kraaiveld, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TVVS 1990/5, p. 117-118.
P.J.M. van Wersch, ‘Gepensioneerden in besturen pensioenfondsen?’, TPV januari 1988, p. 11-12; R.M. Beltzer en R. Biezeveld, De pensioenvoorziening als bindmiddel, Amsterdam: Uitgeverij Aksant 2004, p. 217-218; E. Lutjens, ‘Indexering op de tocht: gepensioneerden in de kou?’, NJB 2002/28, p. 1346-1347, waarmee deze auteur zijn eerdere standpunt herzag. Interessant is ook dat als uit het arbeidsvoorwaardenoverleg voortvloeit dat het pensioenfonds niet kan voldoen aan het vereiste van evenwichtige belangenbehartiging, de opdracht terug moet worden gegeven aan de sociale partners, zo meende de regering: Kamerstukken II 2014/15, 33972, nr. 10, p. 20.
Kamerstukken II 1986/87, 19008, nr. 9, p. 13-14; Kamerstukken II 1987/88, 19008, nr. 11, p. 1; Kamerstukken I 1988/89, 19008, nr. 253c, p. 5-6; E. Nypels, in: CSO, Onverdeeld vermogen, inkomen en vermogen van ouderen en medezeggenschap bij pensioenfondsen, Utrecht: Uitgeverij SWP 1996, p. 67; C.J. Kraaiveld, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TVVS 1990/5, p. 117, meende daarentegen dat in de uitvoeringsfase er per definitie geen adviseringsruimte meer is, welke stelling door de praktijk inmiddels wel is ontkracht.
Kamerstukken II 2001/02, 28354, nr. 3, p. 6; Kamerstukken II 2002/03, 28354, A, p. 16-17.
E.J. Henrichs, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, SR 2000/11, p. 340. Hij trekt de vergelijking onder de WOR met een ondernemer van wie de strategie wordt bepaald door de (concern)strategie van de moedervennootschap.
Kamerstukken II 1987/88, 19008, nr. 11, p. 2. Hetzelfde geldt voor werknemers die rechtstreeks bestuursleden mochten kiezen.
Wat voordelen van (mede)zeggenschap van ex-werknemers betreft kan ik kort zijn, doordat deze vrijwel geheel overlappen tussen werknemers en ex-werknemers. Onder werknemers verschaft medezeggenschap draagvlak, voorziet het de ondernemer van een overlegpartner en komt het over het algemeen de besluitvorming kwalitatief ten goede.1 Daarnaast zorgt het vaak voor een snellere tenuitvoerlegging van besluiten.2 Het uiteindelijke doel van medezeggenschap van werknemers is volgens de wetgever een bijdrage leveren aan het ‘op evenwichtige wijze afwegen van belangen’.3 Vergelijkbare voordelen en doelen zijn genoemd voor ex-werknemers;4 de kern daarvan is dat ex-werknemers een zinvolle bijdrage kunnen leveren aan de besluitvorming tussen werkgever en werknemer.5 Ook de praktische nadelen zijn vergelijkbaar met die van werknemersmedezeggenschap, zoals vertraging van de besluitvorming, extratijd en kosten.6
Waar ik wat uitgebreider bij stil wil staan zijn de bijzondere (beweerdelijke) nadelen van (mede)zeggenschap die specifiek zijn voor ex-werknemers. Enerzijds zijn als – grotendeels door de tijd achterhaalde – meer praktische nadelen genoemd het historisch verzet vanuit de vakbonden tegen zogeheten ‘kwaliteitszetels’ in het bestuur van pensioenfondsen (zoals speciale zetels voor hoger personeel),7 een gebrek aan kennis van ex-werknemers,8 en het als ex-werknemer niet goed kunnen beoordelen van de verhoudingen binnen de onderneming.9 Anderzijds zijn als meer fundamentele nadelen genoemd het risico op te beperkte belangenbehartiging en de verstorende werking ten opzichte van het arbeidsvoorwaardenoverleg. Die fundamentele nadelen zijn uiteraard van groter belang.
Toenmalig minister Rietkerk meende dat (mede)zeggenschap van ex-werknemers zou leiden tot enge belangenbehartiging; je kunt niet verwachten dat ze iets anders doen dan alleen op hun eigen belangen letten.10 Er kan bovendien een onwerkbare situatie ontstaan omdat de belangen van ex-werknemers weer uiteen kunnen vallen tussen belangen van slapers en gepensioneerden.11 Dezelfde argumenten keerden, zij het iets genuanceerder, zo’n twintig jaar later terug bij de totstandkoming van de Pw.12 Werknemers zouden volgens de STAR meer ‘gespreide belangen’ behartigen, aangezien werknemers hopen in de toekomst te pensioneren, terwijl gepensioneerden niet meer gaan werken.13 Hierin zit, zoals ik al onderkende, een kern van waarheid, maar dit neemt de al genoemde belangentegenstelling niet weg en ook niet het risico dat de werknemers hun ‘directe’ belang verkiezen boven hun ‘indirecte’ belang.14 Nypels sprak op zijn beurt een voorkeur uit voor brede belangenorganisaties, maar meende terecht dat het uit de al genoemde vrijheid van vereniging voortvloeide dat burgers nieuwe belangenorganisaties mogen oprichten die deelbelangen behartigen.15 Specifiek voor zeggenschap door vertegenwoordigers van gepensioneerden in pensioenfondsbesturen geldt bovendien sinds 1990 het wettelijk vereiste van artikel 105 lid 2 Pw, te weten dat zij er zorg voor moeten dragen dat alle belanghebbenden (en dus niet alleen gepensioneerden) zich op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.16 Dat vereiste geldt ook voor de gepensioneerden in het belanghebbendenorgaan,17 maar weer niet voor de leden van het verantwoordingsorgaan. De wetgever gaat er toch vanuit dat iedere geleding binnen het verantwoordingsorgaan oog heeft voor de belangen van de andere geledingen. Bij een ‘vergrijsd’ pensioenfonds zou de werkgever daarnaast kunnen worden uitgenodigd plaats te nemen in het verantwoordingsorgaan, indien deze te eenzijdig is samengesteld.18 Daarnaast is dit nadeel problematisch als de ex-werknemer een rol zou worden toegekend binnen de OR; kan ook dan worden verwacht dat deze geleding oog heeft voor de werknemersbelangen?
Door de vakbonden, SER en regering is, als gezegd, door de jaren heen steeds als tweede fundamentele nadeel aangevoerd dat pensioen een onderdeel is van het arbeidsvoorwaardenoverleg tussen werkgevers en werknemers en dat een rol van de ex-werknemers hierbij verstorend zou werken.19 Zelfs in 2011 betoogde de STAR nog dat het zou leiden tot een ‘onbalans’ van de positie van de sociale partners die het arbeidsvoorwaardenoverleg voeren.20 Het feit dat gepensioneerden en hun verenigingen niet deelnemen aan het arbeidsvoorwaardenoverleg was voor de SER in 1987 de reden te pleiten tegen een vertegenwoordiging van gepensioneerden in pensioenfondsbesturen.21 Dat standpunt is ook door meerdere auteurs destijds onderschreven.22
Dat pensioen een onderdeel is van het arbeidsvoorwaardenoverleg is onmiskenbaar juist. Pensioen is in het arbeidsvoorwaardenoverleg uitwisselbaar met andere arbeidsvoorwaarden. Een pensioenfonds heeft echter binnen de randvoorwaarden van het arbeidsvoorwaardenoverleg een zekere eigen beleids- en beslissingsruimte ten aanzien van de uitvoering van de pensioenregeling.23 Om die reden stelde Nypels dat de deelname van gepensioneerden in de uitvoeringsfase (te weten in het pensioenfonds) niets afdoet aan het arbeidsvoorwaardenoverleg.24 Sterker nog, het wetsvoorstel van Giskes en Van Geen zag die eigen beleids- en beslissingsruimte zelfs als grondslag voor (mede)zeggenschap.25 De (mede)zeggenschap binnen een pensioenfonds is om die reden ambigu genoemd: een situatie van interne (mede)zeggenschap en externe invloed door de sociale partners.26 Wanneer wijziging van de pensioenregeling plaatsvindt via de pensioenfondsroute (paragraaf 5.5) zit een pensioenfondsbestuur uiteraard wel (meer) aan de knoppen van de pensioenovereenkomst.
Ook hier is de vraag of dit (beweerdelijke) nadeel van conflict met het arbeidsvoorwaardenoverleg in de weg staat van het verschaffen van een rol van ex-werknemers binnen de OR. Wat mij betreft is dat niet het geval. Nypels merkte al op dat het argument van verstorende invloed op het arbeidsvoorwaardenoverleg door ex-werknemers vreemd voorkomt, gelet op het feit dat de OR al decennia een instemmingsrecht heeft bij verzekerde pensioenregelingen en soms ook in staat werd gesteld pensioenfondsbestuurders te benoemen, maar tegelijkertijd niet deelneemt aan het arbeidsvoorwaardenoverleg.27