Morganatisch burgerschap
Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/4.5:4.5 Besluit
Morganatisch burgerschap 2019/4.5
4.5 Besluit
Documentgegevens:
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181188:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk IV
In dit vierde hoofdstuk ging het om de ontwikkeling van LGO in de LGO-besluiten van de Raad en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. Daartoe is de tijdsduur sinds de inwerkingtreding van het eerste LGO- besluit in 1964 tot aan het laatste Raadsbesluit van 2013 onderverdeeld in drie verschillende tijdvakken. Gedurende elk tijdvak zijn drie Raadsbesluiten en relevante rechtspraak aan de orde gesteld.
Parallellie LGO-ACS
Uit vorenstaande inventarisatie blijkt dat aanvankelijk de LGO in tegenstelling tot de ACS-staten tot het LGO-besluit in 1991 weinig prioriteit genoten op de agenda van de Gemeenschap. Zij werden beschouwd als het verlengstuk van de ACS-staten, met als gevolg dat de eerste vijf Raadsbesluiten inzake de LGO nagenoeg overeenkwamen met de eerste vijf Overeenkomsten die zijn gesloten met de ACS-staten. Ook de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de LGO kent zijn hoogtepunt niet in de eerste drie decennia na de inwerkingtreding van het eerste LGO-besluit in 1964. Pas in 1991 is op initiatief van het Koninkrijk getracht het zesde LGO-besluit in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van het E(E)G-Verdrag inzake de LGO-associatieregeling. Een belangrijk verschil tussen het LGO-regime en het ACS-regime na de inwerkingtreding van het LGO-besluit in 1991 was dat de producten van de LGO rechtenvrij konden worden ingevoerd in de Gemeenschap. Daarnaast gold ook dat de producten van ACS-origine na een lichte bewerking in de LGO zonder beperkingen konden worden ingevoerd in de gemeenschappelijke markt. Deze constructie zorgde echter, zoals was voorzien door enkele verontruste lidstaten, voor een verlegging van handelsstromen, met als gevolg een verstoring van de gemeenschappelijke markt inzake voornamelijk rijst en suiker.
Het besluit tot tussentijdse herziening van het LGO-besluit van 1991 trachtte tegemoet te komen aan deze gemeenschappelijke marktverstoring door vrijwaringsmaatregelen inzake enkele producten van ACS-origine mogelijk te maken door een maximum te koppelen aan de jaarhoeveelheid van enkele producten van ACS-origine die in de Gemeenschap konden worden ingevoerd na een bewerking in de LGO. Hierover is relatief veel geprocedeerd bij het Hof van Justitie en het Gerecht, waarbij deze rechterlijke instanties werd verzocht de nietigverklaring uit te spreken van zowel het herzieningsbesluit van 1997 als de verschillende vrijwaringsmaatregelen die in beginsel bij wijze van verordeningen werden vastgesteld. In deze uitspraken werden in de regel de betreffende beroepen, die afwisselend waren ingesteld door particulieren en door de LGO zelf, verworpen.
Convergentie LGO-UPG
Naast de rechtspraak over deze zogenoemde verlegging van de handelsstromen is opvallend dat het Hof van Justitie in zijn rechtspraak verschillende basisprincipes inzake de gelding van het Gemeenschaps- resp. Unierecht op de LGO heeft uiteengezet. Zo valt bijvoorbeeld uit Kaefer en Procacci af te leiden dat ook LGO-rechters rechterlijke instanties zijn in de zin van art. 267 VwEU, met als gevolg dat zij prejudiciële vragen kunnen stellen aan het Hof van Justitie. Daarnaast kunnen particulieren van de LGO een beroep doen op het Unierecht dat de LGO bindt. Uit Leplat volgt dat bepalingen van het Gemeenschapsrecht zonder uitdrukkelijke verwijzing niet van toepassing zijn op de LGO. Deze regel kan echter worden beperkt indien het effet utile van Deel IV VwEU zich verzet tegen een dergelijke strikte interpretatie. Daarnaast verduidelijkt het Gerecht in Antillean Rice Mills dat de instellingen en organen van de Gemeenschap zich dienen te houden aan alle beginselen waarop de Gemeenschap is gestoeld bij het vaststellen van LGO-besluiten. Met betrekking tot het verleggen van de werkingssfeer van de Gemeenschaps- resp. Unierecht ging het Hof van Justitie verder. In het baanbrekende arrest Eman en Sevinger oordeelde het Hof van Justitie dat ingezetenen van de LGO die de nationaliteit hebben van een van de lidstaten van de Unie rechten kunnen ontlenen aan Deel II VwEU. Over deze uitspraak volgt meer in Hoofdstuk V van dit proefschrift. De huidige stand van zaken met betrekking tot de gelding van het Unierecht op de LGO is dat naast Deel IV VwEU, tevens de Delen I (‘De beginselen’) en II (‘Non- discriminatie en burgerschap van de Unie’) en art. 267 VwEU (Deel VI Institutionele en financiële bepalingen) gelden ten aanzien van LGO.
Strekking LGO
Naast de verruiming van de werkingssfeer van de Verdragen naar de LGO, valt uit verschillende documenten, waaronder Commissiemededelingen en Nederlandse parlementaire stukken, af te leiden dat het doel en de strekking achter de LGO-regeling gedurende de laatste periode aan verandering onderhevig is geweest. Verklaring nr. 36, gehecht aan de slotakte van het Verdrag van Amsterdam, illustreert dat de in 1997 geldende LGO-regeling niet toereikend was voor de twintig LGO die waren overgebleven. Om die reden werd het LGO- besluit van 2001 tegen de achtergrond geplaatst van de vierledige oogmerken van deze Verklaring. In het Groenboek van de Commissie in 2008 en in de Mededeling in 2009 is duidelijk dat de Commissie afstand wil nemen van een LGO-regeling die de nadruk legt op ontwikkelingssamenwerking ter bestrijding van armoede. De Commissie stelde voor om de LGO-regeling in het LGO- besluit van 2013 zodanig in te kleuren dat de nadruk komt te liggen op de bevordering van duurzaamheid, waarbij aandacht wordt besteed aan voornamelijk het bevorderen van het concurrentievermogen, het verminderen van de kwetsbaarheid van de LGO en tot slot het bevorderen van de samenwerking van de LGO in hun regio. De samenwerking met de LGO wordt derhalve na het LGO-besluit van 2013 ingekleurd op grond van wederzijds partnerschap.
Stand van zaken en vervolg
Tot dusver kan het volgende worden gesteld over de stand van zaken van dit onderzoek. Uit de analyse van het burgerschapsbegrip vloeit voort dat dit een wederkerige rechtsbetrekking met zich brengt tussen de burger en zijn rechtsorde. Dit proefschrift onderzoekt de betekenis van de rechtsverhouding tussen de Unie en de LGO-Unieburger voor een duiding van het Nederlanderschap. Uit het voorgaande is naar voren gekomen dat het LGO-regime, dat Franse wortels kent, van kleur is verschoten: waar de LGO-regeling oorspronkelijk gestoeld was op de gedachte van ontwikkelingssamenwerking, blijkt uit dit hoofdstuk dat na de loskoppeling van de LGO-regeling van de ACS-regeling de rechtsbetrekking tussen de LGO en de Unie zoals ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie en de LGO-besluiten van de Raad veeleer moet worden gekwalificeerd als een wederkerige rechtsbetrekking met rechten en verplichtingen over en weer tussen de LGO en de Unie. Nu vaststaat dat de LGO, hoewel deze buiten de territoriale werkingssfeer van het Unierecht vallen, door instellingen van de Unie worden beschouwd als de uiterste grenzen van de Unie, kan de stap worden gezet naar het Unieburgerschap en de werking ervan ten aanzien van de LGO. Welke rechtsbetrekking brengt het Unieburgerschap teweeg in de LGO tussen de LGO-Unieburger en de EU? Daarover volgt meer in Hoofdstuk V. In de Hoofdstukken VI en VII worden de gevolgen van de Unierechtelijke rechtsbetrekking tussen de LGO-Unieburger en de EU geanalyseerd voor de nationaal-Franse en Koninkrijkse rechtsverhouding.