Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.1.6.2:3.1.6.2 Aard- en nagelvast
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.1.6.2
3.1.6.2 Aard- en nagelvast
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644847:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Nierop (1937), p. 37. Van der Grinten, WPNR 1961/4701, 521.
HR 18 mei 1951, ECLI:NL:HR:1951:97 (Mony-arrest).
HR 18 mei 1951, ECLI:NL:HR:1951:97 (Mony-arrest).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Of een zaak aard- of nagelvast was verbonden, hing af van het antwoord op de vraag of afscheiding nog mogelijk was zonder dat sprake was van verbreking of beschadiging.1 Zo beantwoordde de Hoge Raad de vraag ontkennend of een machine op grond van 562 OBW een onroerende zaak was geworden, nadat zij in een fabriek was geplaatst. De machines waren in dit concrete geval op een betonnen rand geplaatst waarin een of meer bouten waren verwerkt. Deze bouten pasten in de opening van de machines, welke door het aandraaien van een paar moeren vastgezet konden worden. Doordat deze machines zonder verbreking en beschadiging aan de fabriek en aan henzelf van hun plaats konden worden verwijderd, besloot de Hoge Raad in het zogenaamde Mony-arrest dat “deze niet als aard- en nagelvast aan het gebouw in den zin van art. 562 B.W. konden gelden.”2
Hij overwoog:
“(…) dat de rechtbank voorts, door, bij de beantwoording van de vraag, of bepaalde machines als onroerend door bestemming moesten worden beschouwd, omdat zij geacht moesten worden tot het wezen (cursief: JCTF) van de fabriek te behoren, in aanmerking te nemen, of tussen den opzet van het gebouw en het daarin uitgeoefende bedrijf, waaraan de machines dienstbaar waren, een bijzonder verband aanwezig was, aan art. 563, eerste lid, onder 1o een juiste toepassing heeft gegeven.”3
De machines waren niet onroerend volgens de Hoge Raad, aangezien tussen de fabriek en de machines geen speciaal verband aanwezig was. Het fabrieksgebouw was niet aangepast om de machines daar te laten functioneren en omgekeerd waren de machines niet speciaal voor dit gebouw gemaakt.
De artt. 562 en 563 OBW spraken uitsluitend over de vraag of een zaak als roerend dan wel als onroerend moest worden beschouwd. Over de vraag wie eigenaar van deze zaken was, doen de artikelen geen mededeling. Die vraag beantwoorden de artikelen over natrekking.