Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.1.1
4.1.1 Introductie
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS461969:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 3.3.4.2. Zie hierover ook: Vlot 1998; Willems 2000b.
Vergelijk art. 2.2.3.8 Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven 2008 : ‘Indien voldoende van spoedeisendheid is gebleken kan, mits het verzoekschrift uiterlijk maandag vóór 12.00 uur is ingediend, mondelinge behandeling in beginsel plaatsvinden op de eerstvolgende donderdag. Voorafgaand overleg met de griffie van de Ondernemingskamer is hiertoe noodzakelijk, mede in verband met de omstandigheid dat de gedingstukken in dergelijke zaken rechtstreeks aan de wederpartij(en) en aan de leden van de Ondernemingskamer die geen kantoor houden op het (bezoek)adres van de Ondernemingskamer, dienen te worden toegezonden. In bijzondere (spoedeisende) zaken kan worden bepaald dat op andere dagen dan [donderdag, de vaste zittingsdag van de Ondernemingskamer; zie art. 2.2.3.6, FV] zitting wordt gehouden.’
Onder de eerste fase versta ik de fase die wordt ingeleid met het verzoek tot het instellen van een onderzoek (art. 2: 345 BW) en die eindigt op het moment dat het onderzoeksverslag ter griffie wordt gedeponeerd (art. 2: 353 BW).
Aldus ook het Rapport Cools/Kroeze 2009, p. 92.
Ik ben tot deze getallen gekomen op basis van mij ter beschikking staande uitspraken. Het is niet ondenkbaar dat deze getallen nog hoger zijn nu in het Rapport Cools/Kroeze 2009, p. 7-8, wordt opgemerkt dat uit een controle van het archief van de OK bleek van nog bijna 200 beschikkingen die tot nu toe onbekend waren en die in het verleden ook niet zijn rondgestuurd aan geïnteresseerden.
85. Art. 2: 349a lid 2 BW bepaalt dat de Ondernemingskamer op verzoek van de indiener(s) van het enquêteverzoek in elke stand van het geding en voor ten hoogste de duur van het geding onmiddellijke voorzieningen kan treffen indien dit vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek. Het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen kan worden ingediend tezamen met dat tot het instellen van een onderzoek, maar ook op een later moment in het geding. Uit de jurisprudentie blijkt bovendien dat sinds 1996, het jaar waarin mr. J.H.M. Willems tot voorzitter van de Ondernemingskamer is benoemd, de mogelijkheid openstaat verzoeken tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen gescheiden te laten behandelen, in die zin dat de Ondernemingskamer meteen uitspraak doet op het laatste verzoek, onder aanhouding van de (def initieve) beoordeling van het verzoek tot het instellen van een onderzoek.1 Deze ‘ontkoppeling’ draagt er toe bij dat de Ondernemingskamer zo nodig verzoeken tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandelt op een termijn die niet of nauwelijks langer is dan in kort geding.2
86.In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan de impassezaken waarin de Ondernemingskamer in de eerste fase van de procedure onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen.3 De centrale vraag luidt of deze fase vanwege de aard en inrichting van de procedure en de bevoegdheden van de Ondernemingskamer geschikt is om impasses tussen aandeelhouders te doorbreken. Het belang van de analyse schuilt hierin dat hoewel de enquêteprocedure niet voor dit type van geschilbeslechting is bedoeld (vergelijk hoofdstuk 2), de Ondernemingskamer voorziet in een grote behoefte in de praktijk4 : zij heeft sinds 1994 in ten minste 135 impassezaken onmiddellijke voorzieningen getroffen, terwijl de aandeelhouders in ongeveer 25 andere impassezaken ter terechtzitting een minnelijke regeling hebben bereikt.5 De analyse heeft overigens een breder bereik: een aantal conclusies is eveneens relevant voor andersoortige enquêteprocedures waarin onmiddellijke voorzieningen worden getroffen.