Rb. Gelderland, 13-08-2025, nr. C/05/447022 / HZ ZA 25-27
ECLI:NL:RBGEL:2025:11951
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
13-08-2025
- Zaaknummer
C/05/447022 / HZ ZA 25-27
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2025:11951, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 29‑10‑2025; (Bodemzaak)
ECLI:NL:RBGEL:2025:7089, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 13‑08‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBGEL:2025:8544, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 18‑06‑2025; (Tussenuitspraak)
Uitspraak 29‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Eindvonnis na tussenvonnis. Opzegging aannemingsovereenkomst met vaste aanneemsom. Volledige aanneemsom minus besparingen verschuldigd. Omvang verschuldigde aanneemsom vastgesteld.
Partij(en)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/447022 / HZ ZA 25-27
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
[naam eisend bedrijf] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. D. Warnink,
tegen
1. [naam gedaagde 1] ,
te [woonplaats] , 2. [naam gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagden] ,
advocaat: mr. P.J. Contermans.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 augustus 2025- de akte van [de eiser] van 10 september 2025- de akte van [de gedaagden] van 8 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnissen van 18 juni 2025 en 13 augustus 2025, tenzij in het navolgende uitdrukkelijk anders wordt overwogen en beslist.
2.2.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 18 juni 2025 geoordeeld dat [de eiser] en [de gedaagden] een aannemingsovereenkomst met een vaste aanneemsom hebben gesloten die door [de gedaagden] is opgezegd voor de afronding van de overeengekomen werkzaamheden. Ten aanzien van de door [de eiser] gevorderde (resterende) volledige aanneemsom van € 104.227,39 (inclusief btw) heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over i) welk deel van het door [de eiser] gevorderde bedrag van € 104.227,39 winst betreft, ii) welk winstpercentage dit oplevert en iii) welk winstpercentage gebruikelijk en redelijk is. Beide partijen hebben vervolgens gelijktijdig een akte genomen om zich over voornoemde punten uit te laten.
2.3.
In het tussenvonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat [de eiser] (nog) niet heeft voldaan aan haar mededelingsplicht in het kader van artikel 7:764 lid 2 BW. De rechtbank heeft [de eiser] daarom in de gelegenheid gesteld nadere informatie in het geding te brengen. Daarbij heeft de rechtbank specifiek gevraagd om de volgende informatie:
- -
de gemaakte kosten, bijvoorbeeld voor reeds aangeschafte of bestelde materialen, alsmede informatie over welke bestelde materialen niet meer konden worden (her)gebruikt of doorverkocht;
- -
andere kosten die onvermijdelijk zijn geworden door de opzegging.
Vervolgens heeft [de eiser] een akte genomen, waarna [de gedaagden] daarop bij akte heeft gereageerd.
2.4.
[de eiser] heeft bij akte van 10 september 2025 de hiervoor verzochte informatie verschaft. Als productie 51 heeft [de eiser] een kostenoverzicht overgelegd dat hij samen met zijn accountant heeft opgesteld. In dit overzicht worden de materiaalkosten gespecificeerd, waar mogelijk onderbouwd met (inkoop)facturen. Verder heeft [de eiser] een toelichting gegeven op de door hem bestede (en bespaarde) arbeidskosten en de daarbij gehanteerde bedragen. [de eiser] heeft het een en ander onderbouwd met een urenspecificatie (productie 55).
2.5.
Voor zover [de gedaagden] in zijn akte van 8 oktober 2025 concludeert dat [de eiser] niet is geslaagd in de aan haar verstrekte bewijsopdracht, is dit onjuist. [de gedaagden] miskent hiermee dat op hem de stelplicht en bewijslast rust van de door [de eiser] genoten besparingen. Het uitgangspunt van de wet is immers dat [de eiser] als gevolg van de opzegging van de aannemingsovereenkomst door [de gedaagden] recht heeft op vergoeding van de volledige tussen partijen overeengekomen vaste aanneemsom, verminderd met besparingen die voor [de eiser] uit die opzegging voortvloeien. [de eiser] hoeft dan ook niet te bewijzen welke kosten zij heeft gemaakt, zij dient slechts noodzakelijke informatie te verschaffen teneinde [de gedaagden] in staat te stellen eventuele besparingen aan te tonen. Dat heeft [de eiser] naar het oordeel van de rechtbank met haar akte van 10 september 2025 en eerdere stukken gedaan. Daarom stelt de rechtbank in dit vonnis de hoogte van de vordering van [de eiser] vast.
2.6.
De rechtbank herhaalt nogmaals dat het uitgangspunt daarbij is dat [de eiser] recht heeft op betaling van de overeengekomen aanneemsom van € 143.298,57 (inclusief btw). Daarop moeten de besparingen die voor [de eiser] uit de opzegging voortvloeien in mindering worden gebracht. [de gedaagden] gaat steeds slechts in op de door [de eiser] gemaakte kosten. Hij stelt dat [de eiser] deze kosten onvoldoende heeft onderbouwd. Daarmee gaat [de gedaagden] echter uit van een onjuist kader. Het enkele feit dat [de eiser] bepaalde begrote kosten niet heeft gemaakt, betekent nog niet dat het geen besparingen zijn in de zin van artikel 7:764 lid 2 BW. Daarvoor is immers vereist dat [de eiser] deze kosten niet heeft hoeven te maken als gevolg van de opzegging door [de gedaagden] . Het is aan [de gedaagden] om dit te stellen en onderbouwen.
De bespaarde materiaalkosten
2.7.
[de eiser] voert aan dat hij een bedrag van € 9.611,40 heeft bespaard aan materiaalkosten (productie 29). Zoals overwogen in rechtsoverweging 4.15 van het tussenvonnis van 18 juni 2025, heeft [de eiser] deze besparingen uitgebreid onderbouwd. [de gedaagden] stelt niet wat volgens hem de door [de eiser] bespaarde materiaalkosten zijn. [de gedaagden] is slechts ingegaan op de door [de eiser] aangevoerde kosten en voert aan dat [de eiser] zijn kosten onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover [de gedaagden] bedoelt te stellen dat de besparingen van [de eiser] hoger zijn dan € 9.611,40, heeft hij dit onvoldoende onderbouwd. [de gedaagden] heeft namelijk niet gesteld dat vermeende verdere besparingen voortvloeien uit de opzegging, zoals wel is vereist op grond van artikel 7:764 lid 2 BW. De rechtbank gaat daarom uit van bespaarde materiaalkosten ter hoogte van € 9.611,40 (exclusief btw).
De bespaarde arbeidskosten
2.8.
De rechtbank komt terug van hetgeen zij omtrent bespaarde loonkosten heeft overwogen in rechtsoverweging 4.15 van het tussenvonnis van 18 juni 2025. De daar genoemde bedragen zijn niet de door [de eiser] aangevoerde besparingen betreffende arbeidskosten, maar de bedragen die [de eiser] gebruikt bij het berekenen van het pro forma uurtarief van zijn medewerkers. [de eiser] heeft bij akte herhaald dat hij 792 uren heeft kunnen besparen. Reeds bij dagvaarding (productie 30) heeft [de eiser] uiteengezet welke werkzaamheden niet meer verricht hoefden te worden en hoeveel uren hij daarvoor had begroot. In productie 41 bij dagvaarding heeft [de eiser] de bespaarde loonkosten (in totaal 792 uren) onder elkaar gezet. Het gaat in totaal om € 18.984,08 aan besparingen.
2.9.
Ook ten aanzien van de arbeidskosten stelt [de gedaagden] niet dat [de eiser] meer besparingen heeft genoten dan het hiervoor genoemde bedrag van € 18.984,08. [de gedaagden] gaat slechts in op diverse uren uit het kostenoverzicht van [de eiser] die [de eiser] volgens hem niet heeft gemaakt. Indien [de gedaagden] meent dat deze volgens hem niet gemaakte kosten besparingen in de zin van artikel 7:764 lid 2 BW zijn, had het op zijn weg gelegen om te stellen en onderbouwen dat deze uren niet zijn gemaakt én na de opzegging alsnog zouden zijn gemaakt, zodat deze uren als gevolg van de opzegging zijn bespaard. Nu [de gedaagden] dit heeft nagelaten, heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht. De rechtbank gaat derhalve uit van bespaarde arbeidskosten van € 18.984,08 (exclusief btw).
De totale besparingen van [de eiser]
2.10.
[de eiser] heeft aangevoerd dat hij naast voornoemde besparingen op arbeid en materiaal nog enkele besparingen heeft genoten, zoals benzinekosten. In totaal heeft [de eiser] naar eigen zeggen € 39.071,18 (inclusief btw) kunnen besparen. Nu [de gedaagden] – naast een betwisting van de door [de eiser] aangevoerde kosten – niet heeft gesteld, althans onderbouwd, dat [de eiser] als gevolg van de opzegging meer besparingen heeft genoten, gaat de rechtbank uit van voornoemd bedrag aan besparingen. Wanneer dit bedrag in mindering wordt gebracht op de overeengekomen aanneemsom, resteert het bedrag van € 104.227,39.
Winst
2.11.
In de tussenvonnissen heeft de rechtbank overwogen dat [de eiser] alleen recht heeft op vergoeding van misgelopen winst, voor zover het winstpercentage redelijk is. Indien volledige toewijzing van misgelopen winst leidt tot een excessief winstpercentage, kan de rechtbank de misgelopen winst matigen. Partijen hebben zich naar aanleiding van het tussenvonnis van 18 juni 2025 uitgelaten over de vraag wat volgens hen een redelijk winstpercentage is. Volgens [de gedaagden] is dit maximaal 15%, volgens [de eiser] is een winstmarge van 10 á 25% redelijk. De rechtbank gaat er daarom van uit dat een winstpercentage van 15% in ieder geval redelijk is.
2.12.
Tussen partijen is in geschil welk deel van de overeengekomen aanneemsom winst betreft. De tussen partijen overeengekomen aanneemsom bedraagt € 143.298,57. In de offerte die ten grondslag ligt aan de tussen partijen gesloten overeenkomst, zijn geen afzonderlijke posten opgenomen. In die offerte staan slechts de te verrichten werkzaamheden, extra opties en een totaalprijs. Uit de offerte (en dus de overeenkomst) volgt derhalve niet welk bedrag ziet op materiaal, welk bedrag ziet op loonkosten, of algemene kosten zijn meegenomen en van welk winstpercentage [de eiser] is uitgegaan. Dit is achteraf ook niet meer vast te stellen. [de eiser] heeft wel uitvoerig onderbouwd dat hij gemiddeld een winstpercentage heeft van 26,32%. De rechtbank gaat er daarom van uit dat ditzelfde winstpercentage van toepassing is op de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. Dit betekent dat van de overeengekomen aanneemsom een bedrag van € 37.716,18 winst betreft. De vordering van [de eiser] in deze procedure (aanneemsom minus besparingen) is € 104.227,39. Wanneer voornoemd bedrag aan winst volledig zou worden toegewezen, is sprake van een winstpercentage van 36,19%. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een excessief winstpercentage, nu dit ruim twee keer zo veel is als het door de rechtbank redelijke geachte winstpercentage van 15%. De rechtbank zal de winst gelet hierop matigen tot 15%. Dit leidt tot een toewijsbaar bedrag van € 76.487,89 ((104.227,39 – 37.716,18) x 1.15).
Verrekening
2.13.
[de gedaagden] stelt een tweetal vorderingen te hebben op [de eiser] en beroept zich in dat kader op verrekening. De eerste vordering ziet – zo begrijpt de rechtbank – op deskundigenkosten die [de gedaagden] heeft gemaakt door het inschakelen van [bouwkundig adviesbureau] (€ 1.149,50). Gesteld noch gebleken is echter op grond waarvan [de eiser] gehouden zou zijn deze kosten aan [de gedaagden] te vergoeden. [de gedaagden] heeft [bouwkundig adviesbureau] kennelijk ingeschakeld om te verifiëren of de door [de eiser] gestelde besparingen hout snijden. [bouwkundig adviesbureau] heeft daartoe de waarde van het door [de eiser] uitgevoerde werk vastgesteld. Voor zover [de gedaagden] meent dat de kosten van [bouwkundig adviesbureau] hierdoor kosten zijn in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW, geldt dat dit artikel geen zelfstandige grondslag voor (schade)vergoeding biedt. Gesteld noch gebleken is dat [de eiser] aansprakelijk is voor de door [de gedaagden] gemaakte deskundigenkosten. Deze vordering van [de gedaagden] is dus niet toewijsbaar.
2.14.
Ten tweede stelt [de gedaagden] dat [de eiser] had toegezegd een factuur te zullen verstrekken met daarop de hoeveelheden gebruikte materialen met isolatiewaarden. Deze factuur had [de gedaagden] nodig voor de aanvraag van een ISDE-subsidie ter hoogte van € 7.500,00. [de eiser] heeft niet betwist dat partijen deze afspraak hebben gemaakt. Evenmin heeft [de eiser] betwist dat [de gedaagden] aanspraak zou kunnen maken op subsidie van € 7.500,00. Vast staat dat [de eiser] geen factuur met daarop de hoeveelheden gebruikte materialen met isolatiewaarden aan [de gedaagden] heeft verstrekt. [de eiser] is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van deze tussen partijen gemaakte afspraak. Als gevolg daarvan heeft [de gedaagden] schade geleden ter hoogte van € 7.500,00. Dit bedrag zal worden verrekend met de toewijsbare vordering van [de eiser] ter hoogte van € 76.487,89, zodat [de gedaagden] nog € 68.987,89 aan [de eiser] moet betalen.
Wettelijke rente
2.15.
[de eiser] vordert wettelijke rente over zijn vordering vanaf 23 november 2024. Voor de verschuldigdheid van wettelijke rente is vereist dat [de gedaagden] in verzuim is met de betaling van een geldsom (artikel 6:119 lid 1 BW). In beginsel is voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling vereist (artikel 6:82 BW), tenzij een van de situaties uit artikel 6:83 BW aan de orde is. Gesteld noch gebleken is dat dit het geval is. [de eiser] heeft [de gedaagden] voor het eerst bij brief van 5 december 2024 in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen 15 dagen na ontvangst van de brief te betalen. Vast staat dat [de gedaagden] niet heeft betaald. [de gedaagden] is daarom in verzuim vanaf 21 december 2024 in verzuim. De wettelijke rente zal daarom vanaf die datum worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.16.
[de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [de gedaagden] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [de eiser] heeft aan [de gedaagden] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 1.539,88 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
Proceskosten
2.17.
[de gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding | € | 122,16 | |
- griffierecht | € | 6.861,00 | |
- salaris advocaat | € | 5.787,00 | (3 punten × € 1.929,00) |
- nakosten | € | 178,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
Totaal | € | 12.948,16 |
2.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt [de gedaagden] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 68.987,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [de gedaagden] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 1.539,88 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling
3.3.
veroordeelt [de gedaagden] in de proceskosten van € 12.948,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
veroordeelt [de gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5.
verklaart dit vonnis tot dusver uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025. | ||
RG/PB
Uitspraak 13‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Opzegging aannemingsovereenkomst met vaste aanneemsom. Volledige aanneemsom minus besparingen verschuldigd. Omvang besparingen kan nog niet worden vastgesteld. Partijen mogen zich uitlaten.
Partij(en)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/447022 / HZ ZA 25-27
Vonnis van 13 augustus 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. D. Warnink,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] , 2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. P.J. Contermans.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025- de akte van [eiseres]- de akte van [gedaagden] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Inleiding
2.1.
De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 18 juni 2025 (hierna: het tussenvonnis), tenzij in het navolgende uitdrukkelijk anders wordt overwogen en beslist.
2.2.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat [eiseres] en [gedaagden] een aannemingsovereenkomst met een vaste aanneemsom hebben gesloten die door [gedaagden] is opgezegd voor de afronding van de overeengekomen werkzaamheden. Ten aanzien van de door [eiseres] gevorderde (resterende) volledige aanneemsom van € 104.227,39 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over i) welk deel van de door [eiseres] gevorderde bedrag van € 104.227,39 winst betreft, ii) welk winstpercentage dit oplevert en iii) welk winstpercentage gebruikelijk en redelijk is. Beide partijen hebben vervolgens gelijktijdig een akte genomen om zich over voornoemde punten uit te laten.
[eiseres] heeft haar mededelingsplicht geschonden
2.3.
Zoals overwogen in rechtsoverweging 4.14 van het tussenvonnis, is het uitgangspunt van de op grond van artikel 7:764 lid 2 BW te berekenen vergoeding de tussen partijen overeengekomen een vaste aanneemsom van € 143.298,57 (inclusief btw). Daarop moeten de door [eiseres] gerealiseerde besparingen in mindering worden gebracht. Het begrip ‘besparingen’ is een elastische term. Daaronder vallen volgens de memorie van toelichting niet alleen de bespaarde kosten van (eigen) arbeid en materiaal, maar bijvoorbeeld ook de opbrengsten van het werk dat de aannemer als gevolg van de door de opzegging vrijkomende capaciteit voor derden heeft kunnen verrichten.1.De wetgever heeft bewust gekozen voor een elastische term als ‘besparingen’ om zo de rechter vrijheid te geven tot een billijk resultaat te komen.2.Zo kan de rechtbank de misgelopen winst waarop een aannemer aanspraak maakt matigen wanneer deze excessief is.3.
Een aannemer heeft bij opzegging – gelet op het voorgaande – in beginsel aanspraak op:
a. de misgelopen winst;
b. de gemaakte kosten, bijvoorbeeld voor reeds aangeschafte of bestelde materialen;
c. andere kosten die onvermijdelijk zijn geworden.4.
2.4.
Zoals in het tussenvonnis overwogen, rust de stelplicht en bewijslast van door [eiseres] genoten besparingen op [gedaagden] . [eiseres] heeft daarbij wel een belangrijke mededelingsplicht, aangezien zij de beschikking heeft over de noodzakelijke gegevens om eventuele besparingen aan te tonen. Deze mededelingsplicht wordt ook wel aangeduid als een verzwaarde motiveringsplicht aan de zijde van de aannemer. Het is aan [eiseres] om aan de hand van feitelijke gegevens voldoende concreet en onderbouwd inzicht te geven in haar besparingen.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] (nog) niet heeft voldaan aan haar mededelingsplicht, daartoe is het volgende redengevend. De offerte van [eiseres] die heeft te gelden als basis voor de tussen partijen overeengekomen vaste aanneemsom, bevat geen stelposten. Daarin is slechts het overeengekomen totaalbedrag opgenomen, zonder daaruit kan worden afgeleid welk gedeelte van de aanneemsom ziet op materiaal, arbeid, algemene kosten, winst, et cetera. Zonder goed onderbouwde informatie van [eiseres] kan derhalve niet worden vastgesteld welke besparingen [eiseres] heeft als gevolg van de opzegging door [gedaagden] en of dit correspondeert met de overeengekomen aanneemsom. De door [eiseres] verschafte informatie over zijn kosten en besparingen is echter op meerdere vlakken tegenstrijdig.
2.6.
[eiseres] heeft in haar akte na het tussenvonnis haar kosten voor de opdracht voor [gedaagden] onder elkaar gezet. Het gaat om de volgende kosten tot het moment van opzegging (exclusief btw):
Post | Uren | Kosten per uur | Totaal |
generiek + projectspecifiek materiaal | € 13.599,00 | ||
uren timmerman en leerling | 388 | € 48,00 | € 18.624,00 |
uren leerling | 152 | € 22,50 | € 3.420,00 |
uren werkvoorbereiding | 117 | € 69,00 | € 8.073,00 |
uren projectcoördinatie | 193 | € 69,00 | € 13.317,00 |
algemene kosten | € 14.181,00 |
2.7.
De door [eiseres] genoemde kosten corresponderen niet met haar eerdere stellingen. Zo heeft [eiseres] in een e-mail van 20 november 2024 aan [gedaagden] (productie 7 bij conclusie van antwoord) aangegeven dat in haar offerte een bedrag van € 37.231,00 is opgenomen voor te gebruiken materialen. Daarvan is een bedrag van € 6.057,77 bedoeld voor onvoorziene kosten. Derhalve resteert een bedrag van € 31.173,00 voor begrote materialen. Uit het overzicht van bespaarde materialen dat [eiseres] heeft overgelegd (productie 33) blijkt dat zij aanvoert dat zij voor een bedrag van € 9.611,40 aan materiaal heeft bespaard. Dit zou betekenen dat [eiseres] voor € 21.561,60 (inclusief btw, € 17.033,66 exclusief btw) aan kosten heeft gehad voor materiaal. De nu door [eiseres] genoemde kosten voor generiek en projectspecifiek materiaal zijn niet te rijmen met de eerder door [eiseres] verschafte informatie. Verder zijn geen van de door [eiseres] genoemde bedragen betreffende materiaal onderbouwd met stukken, zodat niet kan worden nagegaan of de door [eiseres] genoemde kosten juist zijn. Evenmin kan worden vastgesteld of [eiseres] alle materialen waarvoor zij kosten in rekening brengt ook daadwerkelijk heeft ingekocht en of deze niet op andere projecten konden worden gebruikt.
2.8.
Ook ten aanzien van de arbeidskosten is de door [eiseres] verschafte informatie tegenstrijdig. Zo gaat [eiseres] in bovenstaand kostenoverzicht uit van kosten per uur van € 48,00, € 22,50 en € 69,00. In de dagvaarding heeft [eiseres] daarentegen gesteld dat de kosten van haar drie werknemers per uur € 34,91, € 26,08 en € 9,98 betreffen. Deze laatstgenoemde kosten zijn door [eiseres] onderbouwd met berekeningen. Voor de in de hierboven genoemde hogere bedragen mist iedere onderbouwing. Evenmin kan worden vastgesteld of de door [eiseres] genoemde uren corresponderen met de eerder door hem in de e-mail van 20 november 2024 opgegeven uren voor het gehele project (1040 exclusief de uren van de leerling) verminderd met de door hem genoemde bespaarde uren in productie 29.
2.9.
Gelet op het voorgaande kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de door [eiseres] verschafte informatie. Zonder deze informatie kan de omvang van de vordering van [eiseres] niet worden vastgesteld. [gedaagden] is zonder die informatie namelijk niet in staat om aan zijn stelplicht ten aanzien van de besparingen van [eiseres] te voldoen. [eiseres] krijgt daarom nog eenmaal de gelegenheid om onderbouwde informatie te verschaffen, zodat haar vordering kan worden vastgesteld. De rechtbank wenst de volgende informatie te ontvangen:
- -
de gemaakte kosten, bijvoorbeeld voor reeds aangeschafte of bestelde materialen, alsmede informatie over welke bestelde materialen niet meer konden worden (her)gebruikt of doorverkocht;
- -
andere kosten die onvermijdelijk zijn geworden door de opzegging.
[eiseres] mag deze informatie verschaffen bij akte van maximaal drie pagina’s A4, zo veel mogelijk onderbouwd met facturen en andere onderbouwende stukken. Vervolgens krijgt [gedaagden] de gelegenheid om bij akte van dezelfde omvang te reageren op de door [eiseres] verschafte informatie. Indien [eiseres] niet slaagt in het aanleveren van deze informatie, zal de rechtbank de vergoeding vaststellen aan de hand van het rapport van [naam 1] , rekening houdend met een redelijk winstpercentage bovenop de in dat rapport vastgestelde kosten.
2.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 10 september 2025 voor het nemen van een akte door [eiseres] over hetgeen is bepaald in rechtsoverweging 2.9,
3.2.
bepaalt dat de zaak, nadat [eiseres] een akte heeft genomen, op de rol zal komen van vier weken daarna voor het nemen van een antwoordakte door [gedaagden] ,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2025.
RG/PB
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑08‑2025
Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 38-39.
Concl. A-G J. Spier, ECLI:NL:PHR:2013:BY8728, 3.22.2 onder b.
Hof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2127, r.o. 3.14.
Uitspraak 18‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis, aanneming van werk, opzegging of ontbinding
Partij(en)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/447022 / HZ ZA 25-27
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D. Warnink,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] Gld, 2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] Gld,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. P.J. Contermans.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 april 2025
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
2.1.
[gedaagden] is sinds 15 augustus 2024 eigenaar van een woonboerderij gelegen aan [adres en plaats] (Gelderland). [eiser] heeft in 2024 in opdracht van [gedaagden] (ver)bouwwerkzaamheden verricht aan de woonboerderij.
2.2.
Tijdens de werkzaamheden is tussen partijen een geschil ontstaan over de planning, de uitvoering en de kosten van de werkzaamheden. De samenwerking is op 23 november 2024 op initiatief van [gedaagden] beëindigd. De werkzaamheden waren op dat moment nog niet afgerond.
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 104.227,39, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 november 2024, of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum,
II. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.817,27, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum,
III. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis.
3.2.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Partijen hebben een vaste aanneemsom afgesproken
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat de werkzaamheden in het begin werden verricht op regiebasis. Zij verschillen van mening over de vraag of op een later moment een nieuwe overeenkomst van opdracht met een vaste prijs tot stand is gekomen. Volgens [eiser] zijn partijen op 14 november 2024 een vaste prijs overeengekomen. [gedaagden] betwist dat.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat partijen op 14 november 2024 een vaste prijs zijn overeengekomen. Een overeenkomst komt tot stand door het aanbod van de ene partij en de aanvaarding daarvan door de andere partij (artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). [eiser] heeft op 8 november 2024 een offerte aan [gedaagden] gestuurd voor de nog te verrichten werkzaamheden en een aantal meerwerkopties. De aanneemsom bedroeg € 118.000,00 zonder meerwerk en € 143.298,57 met alle meerwerkopties. Op 14 november 2024 heeft [gedaagden] per e-mail aan [eiser] gestuurd “De offerte is akkoord”.
4.3.
Volgens [gedaagden] was het niet zijn bedoeling om akkoord te gaan met het aanbod van [eiser] . Dit betekent niet dat geen overeenkomst is ontstaan. [eiser] mocht er namelijk gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagden] wel akkoord wilde gaan met zijn aanbod (artikel 3:35 BW). Allereerst kwam het initiatief om een vaste prijs af te spreken van [gedaagden] , omdat hij meer duidelijkheid wilde over de kosten van de werkzaamheden. Daarnaast zijn partijen verder gegaan met de samenwerking alsof de overeenkomst met een vaste prijs tot stand was gekomen. [eiser] heeft immers gesteld dat hij na 14 oktober 2024 is gaan factureren op basis van de volgens hem overeengekomen prijs, terwijl hij daarvoor factureerde op regiebasis. [gedaagden] heeft dit niet betwist. Ten slotte heeft [gedaagden] op 23 november 2024 zowel per Whatsapp als per e-mail bevestigd dat hij op 14 november 2024 akkoord is gegaan met de offerte. Partijen hebben daarom op 14 november 2024 een vaste prijs afgesproken. Dat zij na die datum zijn blijven praten over de prijs en de planning, verandert dat niet.
[gedaagden] kan de overeenkomst niet vernietigen
4.4.
[gedaagden] stelt dat de overeenkomst vernietigbaar is. Volgens hem is namelijk sprake van een oneerlijke handelspraktijk, dwaling of misbruik van omstandigheden. Volgens [gedaagden] is in de offerte onduidelijk of de prijs inclusief of exclusief btw is en is achteraf duidelijk geworden dat [eiser] een verkeerd percentage aan btw berekend heeft. Verder is de door [eiser] voorgestelde prijs niet marktconform volgens [gedaagden] .
4.5.
Het feit dat de overeengekomen prijs volgens [gedaagden] te hoog is, maakt op zichzelf niet dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, dwaling of misbruik van omstandigheden. De prijs is het resultaat van besprekingen en onderhandelingen tussen partijen. Het stond [gedaagden] vrij om niet akkoord te gaan met de offerte. Voor een geslaagd beroep op oneerlijke handelspraktijk, dwaling of misbruik van omstandigheden zijn aanvullende feiten en omstandigheden nodig. [gedaagden] heeft deze niet aangevoerd.
4.6.
Op grond van de wet moet de handelaar de consument essentiële informatie geven die nodig is om een geïnformeerd besluit te kunnen nemen (artikel 6:193d lid 2). Doet hij dit niet, dan is sprake van een oneerlijke handelspraktijk. [gedaagden] verwijst in het bijzonder naar artikel 6:193e lid 1 onder c BW, waarin staat dat de handelaar de prijs inclusief belastingen moet delen met de consument. De offerte van [eiser] is duidelijk over de prijs. [eiser] verricht de in de offerte genoemde werkzaamheden voor een bedrag van € 118.000,00 zonder meerwerk en € 143.298,57 met alle meerwerkopties. [eiser] heeft gesteld dat deze prijzen inclusief btw waren. Vast staat dat [eiser] niet meer in rekening heeft gebracht (of in deze procedure vordert) dan deze bedragen, zodat ervan kan worden uitgegaan dat deze prijzen inderdaad inclusief btw zijn. Daarom is geen sprake van niet genoemde belastingen die later alsnog bij [gedaagden] in rekening zijn gebracht. [gedaagden] betwist dat op zichzelf ook niet. [gedaagden] voert alleen aan dat [eiser] voor een gedeelte van de prijs ten onrechte 9% btw heeft berekend, terwijl hij 21% had moeten berekenen. Hoe [eiser] afrekent met de Belastingdienst is echter iets dat in zijn risicosfeer ligt. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagden] hierdoor is benadeeld. [gedaagden] kon en mocht ervan uitgaan dat de door [eiser] voorgestelde prijs inclusief belastingen was. [gedaagden] kon op basis daarvan een geïnformeerd besluit nemen over de overeenkomst. Daarom is geen sprake van een oneerlijke handelspraktijk.
4.7.
[gedaagden] voert verder aan dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk omdat de offerte niet duidelijk maakt hoe de prijs is opgebouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangevoerd dat hij de kosten voor het sluiten van de overeenkomst heeft doorgenomen met [gedaagden] en dat [gedaagden] hiervan dus volledig op de hoogte was. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] een handgeschreven kostenoverzicht overgelegd waarop verschillende kostenposten en btw-tarieven zijn uitgesplitst. [gedaagden] heeft dit alles niet betwist, zodat het vaststaat (artikel 149 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
4.8.
[gedaagden] kan ook geen geslaagd beroep op dwaling doen. Daarvoor is namelijk vereist dat [eiser] begreep of moest begrijpen dat de doorberekende btw-tarieven voor [gedaagden] van doorslaggevend belang waren (artikel 6:228 BW). Gesteld noch gebleken is dat aan dit vereiste is voldaan.
4.9.
Het beroep van [gedaagden] op misbruik van omstandigheden slaagt ook niet. Allereerst heeft [gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een noodtoestand. Hij stelt dat hij wilde voorkomen dat het gezin in erbarmelijke omstandigheden zou moeten leven, zonder toe te lichten wat deze erbarmelijke omstandigheden zijn en waarom deze een noodtoestand opleveren. Daarnaast onderbouwt hij niet waarom [eiser] daarvan op de hoogte was, of had moeten zijn. Ten slotte heeft [gedaagden] niet gesteld dat (en hoe) [eiser] misbruik heeft gemaakt van die omstandigheden om [gedaagden] te bewegen tot het sluiten van de overeenkomst. Aan de vereisten voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden is daarom niet voldaan (artikel 3:44 lid 4 BW).
[gedaagden] heeft de aanneemovereenkomst opgezegd
4.10.
Op 23 november 2024 heeft [gedaagden] via WhatsApp aan [eiser] geschreven:
“Ik heb 14 oktober akkoord gegeven op de offerte. Ik annuleer hierbij de opdracht. Ik zal dit ook per mail bevestigen.”
Vervolgens heeft [gedaagden] een e-mail gestuurd met als onderwerp “Ontbinding overeenkomst wegens wanprestatie”. Hoewel partijen het erover eens zijn dat de overeenkomst hiermee op initiatief van [gedaagden] is beëindigd op 23 november 2024, verschillen zijn van mening over de juridische grondslag en gevolgen daarvan. Volgens [eiser] heeft [gedaagden] de overeenkomst opgezegd. [gedaagden] stelt dat hij de overeenkomst heeft ontbonden.
4.11.
Voordat een overeenkomst kan worden ontbonden, moet sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming (artikel 6:265 lid 1 BW). Van een tekortkoming kan bijvoorbeeld sprake zijn als het door [eiser] uitgevoerde werk gebreken bevat. Hoewel [gedaagden] lijkt te stellen dat dit het geval is, staat dat niet vast. [gedaagden] heeft een deskundigenrapport van BouwDock overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat in de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden geen gebreken zijn aangetroffen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagden] erkend dat er geen indicaties zijn dat het opgeleverde werk niet goed was.
4.12.
[gedaagden] voert verder aan dat [eiser] te laat klaar was met de werkzaamheden. Volgens hem hadden partijen afgesproken dat de werkzaamheden uiterlijk 1 december 2024 klaar moesten zijn. Vast staat dat de werkzaamheden niet klaar zouden zijn op 1 december 2024. Hoewel partijen het erover eens lijken te zijn dat zij aan het begin van de samenwerking hebben gesproken over 1 december 2024 als datum waarop [gedaagden] wilde verhuizen, verschillen zij van mening over of deze datum ooit is afgesproken als opleverdatum. De vraag die moet worden beantwoord is of partijen in de overeenkomst van 14 november 2024 zijn overeengekomen dat het werk uiterlijk op 1 december 2024 moest worden opgeleverd. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. [gedaagden] heeft zelf aangevoerd dat hij voordat de overeenkomst van 14 november 2024 werd gesloten (bijvoorbeeld op 4 november 2024) meerdere keren aan [eiser] heeft gevraagd welke werkzaamheden klaar zouden zijn voor 1 december 2024. [eiser] heeft daarop volgens [gedaagden] geantwoord “nou volgens mij nog niks.” In de offerte van 8 november 2024 is vervolgens niets bepaald over 1 december 2024 als opleverdatum. Onder die omstandigheden kon en mocht [gedaagden] er niet van uitgaan dat 1 december 2024 (nog) als opleveringsdatum gold. Toch heeft [gedaagden] de offerte van [eiser] op 14 november 2024 aanvaard. Dat de werkzaamheden niet voor 1 december 2024 klaar zouden zijn, levert gelet op het voorgaande geen tekortkoming in de nakoming op.
4.13.
Aangezien geen sprake is van een tekortkoming, kon [gedaagden] de aannemingsovereenkomst niet ontbinden. Het onder 4.10 geciteerde WhatsAppbericht en de daarna gestuurde e-mail, moet daarom worden begrepen als opzegging van de overeenkomst. Een overeenkomst kan door de opdrachtgever namelijk op ieder moment zonder reden worden opgezegd (artikel 7:764 lid 1 BW).
Partijen mogen zich uitlaten over de besparingen van [eiser]
4.14.
Omdat [gedaagden] de aannemingsovereenkomst met vaste prijs heeft opgezegd, moet hij de prijs voor het hele werk betalen, verminderd met de besparingen voor [eiser] (artikel 7:764 lid 2 BW). Het is daarbij aan [gedaagden] om te stellen en bewijzen dat [eiser] besparingen heeft door de opzegging. [eiser] heeft in dit kader een mededelingsplicht.
4.15.
[eiser] heeft meerdere producties overgelegd waarin zij aangeeft wat volgens haar de besparingen waren. Allereerst heeft zij een overzicht van de totale besparingen gegeven (productie 29). Daarbij heeft [eiser] aangegeven bij welke onderdelen van de overeengekomen werkzaamheden besparingen optreden en bij welke niet en om welke reden niet. Vervolgens heeft [eiser] beschreven welke werkzaamheden nog verricht hadden moeten worden met daarbij een vermelding van het aantal voor die werkzaamheden begrote uren (productie 30). Dit is nader toegelicht met foto’s (productie 31). [eiser] heeft ook een nader overzicht verschaft van welke materialen zij niet heeft gebruikt en welke besparing hierdoor is opgetreden (productie 33). Het gaat hierbij om een totale besparing van € 9.611,40 ten aanzien van materiaal. In productie 34 heeft [eiser] inzichtelijk gemaakt wat de totale besparingen wat betreft arbeidskosten waren. Het betreft € 5.586,44 voor werknemer 1, € 4.172,22 voor werknemer 2 en € 1.596,63 voor werknemer 3 (leerling). [eiser] heeft deze besparingen onderbouwd met voorbeeldfacturen, om daarmee inzichtelijk te maken welke kosten hij doorgaans rekent. Daarnaast zijn er volgens [eiser] nog enkele besparingen zoals bijvoorbeeld benzinekosten. Nadien heeft [eiser] nog enkele wijzigingen aangebracht, bijvoorbeeld omdat de heer [eiser] eerder opnieuw kon worden ingezet dan aanvankelijk verwacht. Op 24 december 2024 heeft [eiser] een volledig overzicht gedeeld met (de advocaat van) [gedaagden] . De totale besparingen bedragen € 39.071,18. Van de overeengekomen aanneemsom van € 143.298,57 resteert daarom nog een bedrag van € 104.227,39.
4.16.
[gedaagden] is niet specifiek ingegaan op de door [eiser] voorgespiegelde besparingen. Wel voert [gedaagden] aan dat het door [eiser] gevorderde bedrag van € 104.227,39 te hoog is. Ter onderbouwing verwijst [gedaagden] naar een bouwkundig rapport van BouwDock, waarin de waarde van de door [eiser] verrichte werkzaamheden wordt begroot op € 27.305,21. Dit sluit echter niet aan op de wettelijke systematiek van artikel 7:764 lid 2 BW. [eiser] heeft door opzegging als uitgangspunt recht op de gehele aanneemsom. Dat het werk goedkoper verricht had kunnen worden, maakt dat niet anders. [gedaagden] heeft namelijk ingestemd met de overeengekomen aanneemsom. Voor zover [gedaagden] stelt dat [eiser] slechts recht heeft op betaling van € 27.305,21, is dat dus onjuist.
4.17.
[gedaagden] merkt terecht op dat niet duidelijk is welk winstpercentage [eiser] berekent bij het bedrag van € 104.227,39. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven niet te weten welk deel van de door hem gevorderde aanneemsom minus besparingen winst is. Volgens [gedaagden] is het volledige verschil tussen de door [eiser] gevorderde € 104.227,39 en de door BouwDock begrote waarde van het werk van € 27.305,21 winst. Dit komt neer op een winstpercentage van 53,85%. [gedaagden] heeft dit echter niet nader onderbouwd.
4.18.
De rechtbank kan op dit moment niet vaststellen welk deel van de vordering van [eiser] winst betreft. Dit is wel relevant, omdat [eiser] slechts recht heeft op vergoeding van winst voor zover het winstpercentage redelijk is. Partijen worden daarom in de gelegenheid gesteld om zich bij akte van maximaal vijf pagina’s A4 uit te laten over uitsluitend i) welk deel van de door [eiser] gevorderde bedrag van € 104.227,39 winst betreft, ii) welk winstpercentage dit oplevert en iii) welk winstpercentage gebruikelijk en redelijk is.
4.19.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 16 juli 2025 voor het nemen van een akte door partijen over hetgeen is bepaald in rechtsoverweging 4.18,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.
RG/PB