Rb. Gelderland, 13-08-2025, nr. C/05/447022 / HZ ZA 25-27
ECLI:NL:RBGEL:2025:7089
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
13-08-2025
- Zaaknummer
C/05/447022 / HZ ZA 25-27
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2025:7089, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 13‑08‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBGEL:2025:8544, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 18‑06‑2025; (Tussenuitspraak)
Uitspraak 13‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Opzegging aannemingsovereenkomst met vaste aanneemsom. Volledige aanneemsom minus besparingen verschuldigd. Omvang besparingen kan nog niet worden vastgesteld. Partijen mogen zich uitlaten.
Partij(en)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/447022 / HZ ZA 25-27
Vonnis van 13 augustus 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. D. Warnink,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] , 2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. P.J. Contermans.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025- de akte van [eiseres]- de akte van [gedaagden] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Inleiding
2.1.
De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 18 juni 2025 (hierna: het tussenvonnis), tenzij in het navolgende uitdrukkelijk anders wordt overwogen en beslist.
2.2.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat [eiseres] en [gedaagden] een aannemingsovereenkomst met een vaste aanneemsom hebben gesloten die door [gedaagden] is opgezegd voor de afronding van de overeengekomen werkzaamheden. Ten aanzien van de door [eiseres] gevorderde (resterende) volledige aanneemsom van € 104.227,39 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over i) welk deel van de door [eiseres] gevorderde bedrag van € 104.227,39 winst betreft, ii) welk winstpercentage dit oplevert en iii) welk winstpercentage gebruikelijk en redelijk is. Beide partijen hebben vervolgens gelijktijdig een akte genomen om zich over voornoemde punten uit te laten.
[eiseres] heeft haar mededelingsplicht geschonden
2.3.
Zoals overwogen in rechtsoverweging 4.14 van het tussenvonnis, is het uitgangspunt van de op grond van artikel 7:764 lid 2 BW te berekenen vergoeding de tussen partijen overeengekomen een vaste aanneemsom van € 143.298,57 (inclusief btw). Daarop moeten de door [eiseres] gerealiseerde besparingen in mindering worden gebracht. Het begrip ‘besparingen’ is een elastische term. Daaronder vallen volgens de memorie van toelichting niet alleen de bespaarde kosten van (eigen) arbeid en materiaal, maar bijvoorbeeld ook de opbrengsten van het werk dat de aannemer als gevolg van de door de opzegging vrijkomende capaciteit voor derden heeft kunnen verrichten.1.De wetgever heeft bewust gekozen voor een elastische term als ‘besparingen’ om zo de rechter vrijheid te geven tot een billijk resultaat te komen.2.Zo kan de rechtbank de misgelopen winst waarop een aannemer aanspraak maakt matigen wanneer deze excessief is.3.
Een aannemer heeft bij opzegging – gelet op het voorgaande – in beginsel aanspraak op:
a. de misgelopen winst;
b. de gemaakte kosten, bijvoorbeeld voor reeds aangeschafte of bestelde materialen;
c. andere kosten die onvermijdelijk zijn geworden.4.
2.4.
Zoals in het tussenvonnis overwogen, rust de stelplicht en bewijslast van door [eiseres] genoten besparingen op [gedaagden] . [eiseres] heeft daarbij wel een belangrijke mededelingsplicht, aangezien zij de beschikking heeft over de noodzakelijke gegevens om eventuele besparingen aan te tonen. Deze mededelingsplicht wordt ook wel aangeduid als een verzwaarde motiveringsplicht aan de zijde van de aannemer. Het is aan [eiseres] om aan de hand van feitelijke gegevens voldoende concreet en onderbouwd inzicht te geven in haar besparingen.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] (nog) niet heeft voldaan aan haar mededelingsplicht, daartoe is het volgende redengevend. De offerte van [eiseres] die heeft te gelden als basis voor de tussen partijen overeengekomen vaste aanneemsom, bevat geen stelposten. Daarin is slechts het overeengekomen totaalbedrag opgenomen, zonder daaruit kan worden afgeleid welk gedeelte van de aanneemsom ziet op materiaal, arbeid, algemene kosten, winst, et cetera. Zonder goed onderbouwde informatie van [eiseres] kan derhalve niet worden vastgesteld welke besparingen [eiseres] heeft als gevolg van de opzegging door [gedaagden] en of dit correspondeert met de overeengekomen aanneemsom. De door [eiseres] verschafte informatie over zijn kosten en besparingen is echter op meerdere vlakken tegenstrijdig.
2.6.
[eiseres] heeft in haar akte na het tussenvonnis haar kosten voor de opdracht voor [gedaagden] onder elkaar gezet. Het gaat om de volgende kosten tot het moment van opzegging (exclusief btw):
Post | Uren | Kosten per uur | Totaal |
generiek + projectspecifiek materiaal | € 13.599,00 | ||
uren timmerman en leerling | 388 | € 48,00 | € 18.624,00 |
uren leerling | 152 | € 22,50 | € 3.420,00 |
uren werkvoorbereiding | 117 | € 69,00 | € 8.073,00 |
uren projectcoördinatie | 193 | € 69,00 | € 13.317,00 |
algemene kosten | € 14.181,00 |
2.7.
De door [eiseres] genoemde kosten corresponderen niet met haar eerdere stellingen. Zo heeft [eiseres] in een e-mail van 20 november 2024 aan [gedaagden] (productie 7 bij conclusie van antwoord) aangegeven dat in haar offerte een bedrag van € 37.231,00 is opgenomen voor te gebruiken materialen. Daarvan is een bedrag van € 6.057,77 bedoeld voor onvoorziene kosten. Derhalve resteert een bedrag van € 31.173,00 voor begrote materialen. Uit het overzicht van bespaarde materialen dat [eiseres] heeft overgelegd (productie 33) blijkt dat zij aanvoert dat zij voor een bedrag van € 9.611,40 aan materiaal heeft bespaard. Dit zou betekenen dat [eiseres] voor € 21.561,60 (inclusief btw, € 17.033,66 exclusief btw) aan kosten heeft gehad voor materiaal. De nu door [eiseres] genoemde kosten voor generiek en projectspecifiek materiaal zijn niet te rijmen met de eerder door [eiseres] verschafte informatie. Verder zijn geen van de door [eiseres] genoemde bedragen betreffende materiaal onderbouwd met stukken, zodat niet kan worden nagegaan of de door [eiseres] genoemde kosten juist zijn. Evenmin kan worden vastgesteld of [eiseres] alle materialen waarvoor zij kosten in rekening brengt ook daadwerkelijk heeft ingekocht en of deze niet op andere projecten konden worden gebruikt.
2.8.
Ook ten aanzien van de arbeidskosten is de door [eiseres] verschafte informatie tegenstrijdig. Zo gaat [eiseres] in bovenstaand kostenoverzicht uit van kosten per uur van € 48,00, € 22,50 en € 69,00. In de dagvaarding heeft [eiseres] daarentegen gesteld dat de kosten van haar drie werknemers per uur € 34,91, € 26,08 en € 9,98 betreffen. Deze laatstgenoemde kosten zijn door [eiseres] onderbouwd met berekeningen. Voor de in de hierboven genoemde hogere bedragen mist iedere onderbouwing. Evenmin kan worden vastgesteld of de door [eiseres] genoemde uren corresponderen met de eerder door hem in de e-mail van 20 november 2024 opgegeven uren voor het gehele project (1040 exclusief de uren van de leerling) verminderd met de door hem genoemde bespaarde uren in productie 29.
2.9.
Gelet op het voorgaande kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de door [eiseres] verschafte informatie. Zonder deze informatie kan de omvang van de vordering van [eiseres] niet worden vastgesteld. [gedaagden] is zonder die informatie namelijk niet in staat om aan zijn stelplicht ten aanzien van de besparingen van [eiseres] te voldoen. [eiseres] krijgt daarom nog eenmaal de gelegenheid om onderbouwde informatie te verschaffen, zodat haar vordering kan worden vastgesteld. De rechtbank wenst de volgende informatie te ontvangen:
- -
de gemaakte kosten, bijvoorbeeld voor reeds aangeschafte of bestelde materialen, alsmede informatie over welke bestelde materialen niet meer konden worden (her)gebruikt of doorverkocht;
- -
andere kosten die onvermijdelijk zijn geworden door de opzegging.
[eiseres] mag deze informatie verschaffen bij akte van maximaal drie pagina’s A4, zo veel mogelijk onderbouwd met facturen en andere onderbouwende stukken. Vervolgens krijgt [gedaagden] de gelegenheid om bij akte van dezelfde omvang te reageren op de door [eiseres] verschafte informatie. Indien [eiseres] niet slaagt in het aanleveren van deze informatie, zal de rechtbank de vergoeding vaststellen aan de hand van het rapport van [naam 1] , rekening houdend met een redelijk winstpercentage bovenop de in dat rapport vastgestelde kosten.
2.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 10 september 2025 voor het nemen van een akte door [eiseres] over hetgeen is bepaald in rechtsoverweging 2.9,
3.2.
bepaalt dat de zaak, nadat [eiseres] een akte heeft genomen, op de rol zal komen van vier weken daarna voor het nemen van een antwoordakte door [gedaagden] ,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2025.
RG/PB
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑08‑2025
Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 38-39.
Concl. A-G J. Spier, ECLI:NL:PHR:2013:BY8728, 3.22.2 onder b.
Hof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2127, r.o. 3.14.
Uitspraak 18‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis, aanneming van werk, opzegging of ontbinding
Partij(en)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/447022 / HZ ZA 25-27
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D. Warnink,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] Gld, 2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] Gld,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. P.J. Contermans.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 april 2025
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
2.1.
[gedaagden] is sinds 15 augustus 2024 eigenaar van een woonboerderij gelegen aan [adres en plaats] (Gelderland). [eiser] heeft in 2024 in opdracht van [gedaagden] (ver)bouwwerkzaamheden verricht aan de woonboerderij.
2.2.
Tijdens de werkzaamheden is tussen partijen een geschil ontstaan over de planning, de uitvoering en de kosten van de werkzaamheden. De samenwerking is op 23 november 2024 op initiatief van [gedaagden] beëindigd. De werkzaamheden waren op dat moment nog niet afgerond.
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 104.227,39, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 november 2024, of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum,
II. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.817,27, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum,
III. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis.
3.2.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Partijen hebben een vaste aanneemsom afgesproken
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat de werkzaamheden in het begin werden verricht op regiebasis. Zij verschillen van mening over de vraag of op een later moment een nieuwe overeenkomst van opdracht met een vaste prijs tot stand is gekomen. Volgens [eiser] zijn partijen op 14 november 2024 een vaste prijs overeengekomen. [gedaagden] betwist dat.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat partijen op 14 november 2024 een vaste prijs zijn overeengekomen. Een overeenkomst komt tot stand door het aanbod van de ene partij en de aanvaarding daarvan door de andere partij (artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). [eiser] heeft op 8 november 2024 een offerte aan [gedaagden] gestuurd voor de nog te verrichten werkzaamheden en een aantal meerwerkopties. De aanneemsom bedroeg € 118.000,00 zonder meerwerk en € 143.298,57 met alle meerwerkopties. Op 14 november 2024 heeft [gedaagden] per e-mail aan [eiser] gestuurd “De offerte is akkoord”.
4.3.
Volgens [gedaagden] was het niet zijn bedoeling om akkoord te gaan met het aanbod van [eiser] . Dit betekent niet dat geen overeenkomst is ontstaan. [eiser] mocht er namelijk gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagden] wel akkoord wilde gaan met zijn aanbod (artikel 3:35 BW). Allereerst kwam het initiatief om een vaste prijs af te spreken van [gedaagden] , omdat hij meer duidelijkheid wilde over de kosten van de werkzaamheden. Daarnaast zijn partijen verder gegaan met de samenwerking alsof de overeenkomst met een vaste prijs tot stand was gekomen. [eiser] heeft immers gesteld dat hij na 14 oktober 2024 is gaan factureren op basis van de volgens hem overeengekomen prijs, terwijl hij daarvoor factureerde op regiebasis. [gedaagden] heeft dit niet betwist. Ten slotte heeft [gedaagden] op 23 november 2024 zowel per Whatsapp als per e-mail bevestigd dat hij op 14 november 2024 akkoord is gegaan met de offerte. Partijen hebben daarom op 14 november 2024 een vaste prijs afgesproken. Dat zij na die datum zijn blijven praten over de prijs en de planning, verandert dat niet.
[gedaagden] kan de overeenkomst niet vernietigen
4.4.
[gedaagden] stelt dat de overeenkomst vernietigbaar is. Volgens hem is namelijk sprake van een oneerlijke handelspraktijk, dwaling of misbruik van omstandigheden. Volgens [gedaagden] is in de offerte onduidelijk of de prijs inclusief of exclusief btw is en is achteraf duidelijk geworden dat [eiser] een verkeerd percentage aan btw berekend heeft. Verder is de door [eiser] voorgestelde prijs niet marktconform volgens [gedaagden] .
4.5.
Het feit dat de overeengekomen prijs volgens [gedaagden] te hoog is, maakt op zichzelf niet dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, dwaling of misbruik van omstandigheden. De prijs is het resultaat van besprekingen en onderhandelingen tussen partijen. Het stond [gedaagden] vrij om niet akkoord te gaan met de offerte. Voor een geslaagd beroep op oneerlijke handelspraktijk, dwaling of misbruik van omstandigheden zijn aanvullende feiten en omstandigheden nodig. [gedaagden] heeft deze niet aangevoerd.
4.6.
Op grond van de wet moet de handelaar de consument essentiële informatie geven die nodig is om een geïnformeerd besluit te kunnen nemen (artikel 6:193d lid 2). Doet hij dit niet, dan is sprake van een oneerlijke handelspraktijk. [gedaagden] verwijst in het bijzonder naar artikel 6:193e lid 1 onder c BW, waarin staat dat de handelaar de prijs inclusief belastingen moet delen met de consument. De offerte van [eiser] is duidelijk over de prijs. [eiser] verricht de in de offerte genoemde werkzaamheden voor een bedrag van € 118.000,00 zonder meerwerk en € 143.298,57 met alle meerwerkopties. [eiser] heeft gesteld dat deze prijzen inclusief btw waren. Vast staat dat [eiser] niet meer in rekening heeft gebracht (of in deze procedure vordert) dan deze bedragen, zodat ervan kan worden uitgegaan dat deze prijzen inderdaad inclusief btw zijn. Daarom is geen sprake van niet genoemde belastingen die later alsnog bij [gedaagden] in rekening zijn gebracht. [gedaagden] betwist dat op zichzelf ook niet. [gedaagden] voert alleen aan dat [eiser] voor een gedeelte van de prijs ten onrechte 9% btw heeft berekend, terwijl hij 21% had moeten berekenen. Hoe [eiser] afrekent met de Belastingdienst is echter iets dat in zijn risicosfeer ligt. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagden] hierdoor is benadeeld. [gedaagden] kon en mocht ervan uitgaan dat de door [eiser] voorgestelde prijs inclusief belastingen was. [gedaagden] kon op basis daarvan een geïnformeerd besluit nemen over de overeenkomst. Daarom is geen sprake van een oneerlijke handelspraktijk.
4.7.
[gedaagden] voert verder aan dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk omdat de offerte niet duidelijk maakt hoe de prijs is opgebouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangevoerd dat hij de kosten voor het sluiten van de overeenkomst heeft doorgenomen met [gedaagden] en dat [gedaagden] hiervan dus volledig op de hoogte was. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] een handgeschreven kostenoverzicht overgelegd waarop verschillende kostenposten en btw-tarieven zijn uitgesplitst. [gedaagden] heeft dit alles niet betwist, zodat het vaststaat (artikel 149 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
4.8.
[gedaagden] kan ook geen geslaagd beroep op dwaling doen. Daarvoor is namelijk vereist dat [eiser] begreep of moest begrijpen dat de doorberekende btw-tarieven voor [gedaagden] van doorslaggevend belang waren (artikel 6:228 BW). Gesteld noch gebleken is dat aan dit vereiste is voldaan.
4.9.
Het beroep van [gedaagden] op misbruik van omstandigheden slaagt ook niet. Allereerst heeft [gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een noodtoestand. Hij stelt dat hij wilde voorkomen dat het gezin in erbarmelijke omstandigheden zou moeten leven, zonder toe te lichten wat deze erbarmelijke omstandigheden zijn en waarom deze een noodtoestand opleveren. Daarnaast onderbouwt hij niet waarom [eiser] daarvan op de hoogte was, of had moeten zijn. Ten slotte heeft [gedaagden] niet gesteld dat (en hoe) [eiser] misbruik heeft gemaakt van die omstandigheden om [gedaagden] te bewegen tot het sluiten van de overeenkomst. Aan de vereisten voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden is daarom niet voldaan (artikel 3:44 lid 4 BW).
[gedaagden] heeft de aanneemovereenkomst opgezegd
4.10.
Op 23 november 2024 heeft [gedaagden] via WhatsApp aan [eiser] geschreven:
“Ik heb 14 oktober akkoord gegeven op de offerte. Ik annuleer hierbij de opdracht. Ik zal dit ook per mail bevestigen.”
Vervolgens heeft [gedaagden] een e-mail gestuurd met als onderwerp “Ontbinding overeenkomst wegens wanprestatie”. Hoewel partijen het erover eens zijn dat de overeenkomst hiermee op initiatief van [gedaagden] is beëindigd op 23 november 2024, verschillen zijn van mening over de juridische grondslag en gevolgen daarvan. Volgens [eiser] heeft [gedaagden] de overeenkomst opgezegd. [gedaagden] stelt dat hij de overeenkomst heeft ontbonden.
4.11.
Voordat een overeenkomst kan worden ontbonden, moet sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming (artikel 6:265 lid 1 BW). Van een tekortkoming kan bijvoorbeeld sprake zijn als het door [eiser] uitgevoerde werk gebreken bevat. Hoewel [gedaagden] lijkt te stellen dat dit het geval is, staat dat niet vast. [gedaagden] heeft een deskundigenrapport van BouwDock overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat in de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden geen gebreken zijn aangetroffen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagden] erkend dat er geen indicaties zijn dat het opgeleverde werk niet goed was.
4.12.
[gedaagden] voert verder aan dat [eiser] te laat klaar was met de werkzaamheden. Volgens hem hadden partijen afgesproken dat de werkzaamheden uiterlijk 1 december 2024 klaar moesten zijn. Vast staat dat de werkzaamheden niet klaar zouden zijn op 1 december 2024. Hoewel partijen het erover eens lijken te zijn dat zij aan het begin van de samenwerking hebben gesproken over 1 december 2024 als datum waarop [gedaagden] wilde verhuizen, verschillen zij van mening over of deze datum ooit is afgesproken als opleverdatum. De vraag die moet worden beantwoord is of partijen in de overeenkomst van 14 november 2024 zijn overeengekomen dat het werk uiterlijk op 1 december 2024 moest worden opgeleverd. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. [gedaagden] heeft zelf aangevoerd dat hij voordat de overeenkomst van 14 november 2024 werd gesloten (bijvoorbeeld op 4 november 2024) meerdere keren aan [eiser] heeft gevraagd welke werkzaamheden klaar zouden zijn voor 1 december 2024. [eiser] heeft daarop volgens [gedaagden] geantwoord “nou volgens mij nog niks.” In de offerte van 8 november 2024 is vervolgens niets bepaald over 1 december 2024 als opleverdatum. Onder die omstandigheden kon en mocht [gedaagden] er niet van uitgaan dat 1 december 2024 (nog) als opleveringsdatum gold. Toch heeft [gedaagden] de offerte van [eiser] op 14 november 2024 aanvaard. Dat de werkzaamheden niet voor 1 december 2024 klaar zouden zijn, levert gelet op het voorgaande geen tekortkoming in de nakoming op.
4.13.
Aangezien geen sprake is van een tekortkoming, kon [gedaagden] de aannemingsovereenkomst niet ontbinden. Het onder 4.10 geciteerde WhatsAppbericht en de daarna gestuurde e-mail, moet daarom worden begrepen als opzegging van de overeenkomst. Een overeenkomst kan door de opdrachtgever namelijk op ieder moment zonder reden worden opgezegd (artikel 7:764 lid 1 BW).
Partijen mogen zich uitlaten over de besparingen van [eiser]
4.14.
Omdat [gedaagden] de aannemingsovereenkomst met vaste prijs heeft opgezegd, moet hij de prijs voor het hele werk betalen, verminderd met de besparingen voor [eiser] (artikel 7:764 lid 2 BW). Het is daarbij aan [gedaagden] om te stellen en bewijzen dat [eiser] besparingen heeft door de opzegging. [eiser] heeft in dit kader een mededelingsplicht.
4.15.
[eiser] heeft meerdere producties overgelegd waarin zij aangeeft wat volgens haar de besparingen waren. Allereerst heeft zij een overzicht van de totale besparingen gegeven (productie 29). Daarbij heeft [eiser] aangegeven bij welke onderdelen van de overeengekomen werkzaamheden besparingen optreden en bij welke niet en om welke reden niet. Vervolgens heeft [eiser] beschreven welke werkzaamheden nog verricht hadden moeten worden met daarbij een vermelding van het aantal voor die werkzaamheden begrote uren (productie 30). Dit is nader toegelicht met foto’s (productie 31). [eiser] heeft ook een nader overzicht verschaft van welke materialen zij niet heeft gebruikt en welke besparing hierdoor is opgetreden (productie 33). Het gaat hierbij om een totale besparing van € 9.611,40 ten aanzien van materiaal. In productie 34 heeft [eiser] inzichtelijk gemaakt wat de totale besparingen wat betreft arbeidskosten waren. Het betreft € 5.586,44 voor werknemer 1, € 4.172,22 voor werknemer 2 en € 1.596,63 voor werknemer 3 (leerling). [eiser] heeft deze besparingen onderbouwd met voorbeeldfacturen, om daarmee inzichtelijk te maken welke kosten hij doorgaans rekent. Daarnaast zijn er volgens [eiser] nog enkele besparingen zoals bijvoorbeeld benzinekosten. Nadien heeft [eiser] nog enkele wijzigingen aangebracht, bijvoorbeeld omdat de heer [eiser] eerder opnieuw kon worden ingezet dan aanvankelijk verwacht. Op 24 december 2024 heeft [eiser] een volledig overzicht gedeeld met (de advocaat van) [gedaagden] . De totale besparingen bedragen € 39.071,18. Van de overeengekomen aanneemsom van € 143.298,57 resteert daarom nog een bedrag van € 104.227,39.
4.16.
[gedaagden] is niet specifiek ingegaan op de door [eiser] voorgespiegelde besparingen. Wel voert [gedaagden] aan dat het door [eiser] gevorderde bedrag van € 104.227,39 te hoog is. Ter onderbouwing verwijst [gedaagden] naar een bouwkundig rapport van BouwDock, waarin de waarde van de door [eiser] verrichte werkzaamheden wordt begroot op € 27.305,21. Dit sluit echter niet aan op de wettelijke systematiek van artikel 7:764 lid 2 BW. [eiser] heeft door opzegging als uitgangspunt recht op de gehele aanneemsom. Dat het werk goedkoper verricht had kunnen worden, maakt dat niet anders. [gedaagden] heeft namelijk ingestemd met de overeengekomen aanneemsom. Voor zover [gedaagden] stelt dat [eiser] slechts recht heeft op betaling van € 27.305,21, is dat dus onjuist.
4.17.
[gedaagden] merkt terecht op dat niet duidelijk is welk winstpercentage [eiser] berekent bij het bedrag van € 104.227,39. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven niet te weten welk deel van de door hem gevorderde aanneemsom minus besparingen winst is. Volgens [gedaagden] is het volledige verschil tussen de door [eiser] gevorderde € 104.227,39 en de door BouwDock begrote waarde van het werk van € 27.305,21 winst. Dit komt neer op een winstpercentage van 53,85%. [gedaagden] heeft dit echter niet nader onderbouwd.
4.18.
De rechtbank kan op dit moment niet vaststellen welk deel van de vordering van [eiser] winst betreft. Dit is wel relevant, omdat [eiser] slechts recht heeft op vergoeding van winst voor zover het winstpercentage redelijk is. Partijen worden daarom in de gelegenheid gesteld om zich bij akte van maximaal vijf pagina’s A4 uit te laten over uitsluitend i) welk deel van de door [eiser] gevorderde bedrag van € 104.227,39 winst betreft, ii) welk winstpercentage dit oplevert en iii) welk winstpercentage gebruikelijk en redelijk is.
4.19.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 16 juli 2025 voor het nemen van een akte door partijen over hetgeen is bepaald in rechtsoverweging 4.18,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.
RG/PB