V-N 2025/34.8
Belgische holding heeft geen recht op inhoudingsvrijstelling dividendbelasting
HR 18-07-2025, ECLI:NL:HR:2025:1162, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 juli 2025
- Magistraten
Van Hilten, Fierstra, Faase, Cools, Peters
- Zaaknummer
22/02691
22/02695
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD18129:1
- Vakgebied(en)
Dividendbelasting / Inhoudingsvrijstelling
- Brondocumenten
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1162, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1163, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:572, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:540, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:541, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2023
- Wetingang
art. 4 Wet Div. bel. 1965
Essentie
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat, behoudens tegenbewijs, sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en waarmee heffing van Nederlandse dividendbelasting bij de aandeelhouders van X BVBA wordt ontgaan.
Samenvatting
Belanghebbende, het Belgische X BVBA, is in 2004 opgericht als een houdstervennootschap van een Belgische naamloze vennootschap (Q NV). De aandelen Q NV worden in 2011 verkocht. Sinds 2016 houdt X BVBA een belang van 38,71% in A BV, een Nederlandse tussenhoudster. Verder bezit X BVBA twee oldtimers met een balanswaarde van ruim € 200.000. De aandeelhouders zijn drie ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.