Het Hof spreekt abusievelijk over [X] B.V.B.A. Per 1 januari 2020 is het Belgische Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen ingrijpend gewijzigd. Een van de aanpassingen is dat de Belgische besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BVBA) is vervangen door de Belgische besloten vennootschap (BV). Volgens het overgangsrecht moet vanaf die datum voor bestaande vennootschappen in plaats van besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid te worden gelezen besloten vennootschap.
HR, 18-07-2025, nr. 22/02691, nr. 22/02695
ECLI:NL:HR:2025:1163
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-07-2025
- Zaaknummer
22/02691
22/02695
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1162, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:572
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:1731
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:541
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1163, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:572
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:1732
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:540
ECLI:NL:PHR:2023:572, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1163
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1162
ECLI:NL:PHR:2023:540, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1163
ECLI:NL:PHR:2023:541, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1162
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025071815
NDFR Nieuws 2025/1168
FutD 2025-1469
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/794
NLF 2025/1566
V-N 2025/34.8 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/1216 met annotatie van dr. M. van Dun
BNB 2025/122 met annotatie van O.C.R. Marres
FED 2025/104 met annotatie van K.N.C. van Buuren
AA20260218 met annotatie van Wilde de M.F. Maarten, Wisman C. Ciska
Viditax (FutD) 2025071815
FutD 2025-1469
NLF 2025/1536 met annotatie van Luc Mengelers
V-N 2025/34.7 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/1217
BNB 2025/123 met annotatie van O.C.R. Marres
FED 2025/105 met annotatie van K.N.C. van Buuren
AA20260218 met annotatie van Wilde de M.F. Maarten, Wisman C. Ciska
NTFR 2023/1029
NLF 2023/1441 met annotatie van Michiel Hennevelt
V-N 2023/29.10 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/1030
NLF 2023/1475
Viditax (FutD) 2023060903
FutD 2023-1501
NTFR 2023/1028 met annotatie van mr. drs. J. Bierman BA
NLF 2023/1440 met annotatie van Michiel Hennevelt
V-N 2023/31.6 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD) 2023060903
FutD 2023-1501
Beroepschrift 18‑07‑2025
BETREFT | Motivering cassatieberoep [X] B.V.1. te [Z], België |
Edelhoogachtbaar college,
Hierbij voorziet belanghebbende haar beroep van gronden en een conclusie.
I. Inleiding
1
Belanghebbende is een Belgische houdster- en investeringsmaatschappij. Haar aandelen zijn in handen van Belgische natuurlijke personen. Zij heeft in 2018 een dividenduitkering ontvangen uit [A] BV (hierna [A]), een Nederlandse vennootschap waarin zij een aandelenbelang van 38,71% bezit. Indien belanghebbende in Nederland gevestigd zou zijn geweest, was op het ontvangen dividend de deelnemingsvrijstelling van art. 13 van de Wet Vpb van toepassing. Op grond van art. 4, lid 2, letter a, onder 1, en letter b, van de Wet Db dient daarom inhouding van dividendbelasting op de dividenduitkering in beginsel achterwege te blijven (inhoudingsvrijstelling).
2
Op grond van art. 4, lid 3, letter c, Wet Db 1965 is de inhoudingsvrijstelling op die uitkering echter niet van toepassing als
‘de opbrengstgerechtigde het belang bedoeld in het tweede lid onderdeel b, heeft met als hoofddoel of een van de hoofddoelen de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie (…)’
Het eerste element van deze bepaling — het ontgaansmotief — wordt hierna in overeenstemming met de wetgeschiedenis van de betreffende wettelijke bepalingen aangeduid als de subjectieve toets; het tweede element — de kunstmatige constructie — als de objectieve toets.
3
De Rechtbank en het Hof hebben geoordeeld dat zowel aan de subjectieve als aan de objectieve toets was voldaan. Belanghebbende komt tegen dat oordeel op in cassatie; zij meent dat noch aan de subjectieve, noch aan de objectieve toets is voldaan.
II. Middel van cassatie
Het Hof heeft het recht geschonden, in het bijzonder art. 4, lid 2, en art. 4, lid 3, letter c, Wet Db 1965, art. 1, leden 2, 3 en 4 van Richtlijn 2011/96/EU (de Moeder-dochterrichtlijn, MDR), artt. 20, 49 en 63 VWEU, artt. 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en art. 8:77 Awb, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de inhoudingsvrijstelling, althans doordat het Hof de bewijslast dienaangaande in te vergaande mate bij belanghebbende heeft neergelegd, zulks ten onrechte en/of op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen om één of beide van de volgende redenen:
- (a)
Het Hof heeft zijn oordeel dat belanghebbende haar belang in [A] hield met als hoofddoel of één van de hoofddoelen het ontgaan van belasting, kennelijk gegrond op de enkele omstandigheid dat de (uiteindelijke) aandeelhouders van belanghebbende natuurlijke personen zijn die zonder gebruik van belanghebbende geen beroep zouden kunnen doen op de inhoudingsvrijstelling van art. 4, lid 2, Wet Db (de wegdenkgedachte).2. De uitleg die het Hof daarmee heeft gegeven aan de subjectieve toets is onjuist, althans 's Hofs oordeel op dit punt is onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
- (b)
Bij de beoordeling of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit heeft het Hof kennelijk bepalend geacht dat belanghebbende niet beschikt over een materiële onderneming, noch over eigen personeel of kantoorruimte.3. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of het is onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd.
III. Toelichting
Algemeen, de verhouding tussen de subjectieve en objectieve toets
4
Het Hof heeft bij het aanleggen van de subjectieve toets en de objectieve toets het arrest BNB 2020/80 tot richtsnoer genomen.4. Dat arrest betrof het jaar 2012 en ging over de belastingplicht van een buitenlandse aanmerkelijk-belanghouder onder art. 17 lid 3 Wet Vpb. De tekst van die bepaling voor het jaar 2012 verschilt van de hierboven aangehaalde tekst art. 4, lid 3, letter c Wet Db:
‘indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming’
5
Het Hof heeft dit verschil onderkend, maar het meent dat tussen beide formuleringen naar de bedoeling van de wetgever geen inhoudelijk verschil bestaat. Dat is niet juist. Het is duidelijk dat in de tekst van art. 17, lid 3 Wet Vpb uit 2012 doorslaggevend was of het belang behoorde tot het vermogen van een onderneming, waarvoor de Hoge Raad in BNB 2020/80 bepalend acht of het belang wordt aangehouden ter belegging. Voor art. 4, lid 3, letter c, Wet Db (tekst 2018) ligt dat anders; daar draait alles om het aan de Europeesrechtelijke jurisprudentie ontleende begrip kunstmatige constructie. Die jurisprudentie kent noch aan de afwezigheid van een materiële onderneming, noch aan de aanwezigheid van passieve beleggingsinkomsten een doorslaggevende betekenis toe (zie hieronder §§ 32–33).
6
Voor de verhouding tussen de wegdenkgedachte, de subjectieve toets en de objectieve toets kan aan BNB 2020/80 het volgende worden ontleend.
- (i)
Elk concreet geval moet in zijn geheel worden onderzocht. De rechter kan er niet mee volstaan slechts vooraf vastgestelde criteria toe te passen. Automatische toepassing van een antimisbruikmaatregel van algemene strekking zonder dat de inspecteur gehouden is ook maar een begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik over te leggen gaat verder dan nodig is ter voorkoming van misbruik (ro.2.6.5.).
- (ii)
Aan de subjectieve toets is in beginsel voldaan als de achterliggende aandeelhouder(s) over de betreffende uitdeling meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zouden zijn verschuldigd als zij het belang in de Nederlandse vennootschap rechtstreeks zouden houden (ro. 2.6.2.).
- (iii)
Vervulling van de subjectieve toets levert een vermoeden van misbruik op, dat de belastingplichtige kan ontzenuwen door feiten te stellen die erop wijzen dat geen sprake is van een kunstmatige constructie.
Onderdeel (a), subjectieve toets
Het Hof kent ten onrechte een absolute betekenis toe aan de wegdenkgedachte.
7
Het Hof heeft voor de subjectieve toets bepalend geacht dat de (uiteindelijke) aandeelhouders van belanghebbende natuurlijke personen zijn die zonder gebruik van belanghebbende geen beroep zouden kunnen doen op de inhoudingsvrijstelling. Op grond van deze wegdenkgedachte concludeert het Hof dat het ontgaan van dividendbelasting bij de (uiteindelijke) aandeelhouders het hoofddoel of één van de hoofddoelen is geweest van het gebruik van een houdstervennootschap. Dat wordt volgens het Hof niet weggenomen door de andere omstandigheden die belanghebbende heeft aangevoerd voor het gebruik van een houdstervennootschap.
8
De wegdenkgedachte is voor het eerst aan de orde geweest in de parlementaire geschiedenis bij de wijziging van art. 17, lid 3, letter b, Wet Vpb 1969 per 1 januari 2012, toen die regeling in overeenstemming werd gebracht met het EU-recht door toevoeging van de additionele voorwaarde dat het aanmerkelijk belang door het buitenlandse lichaam moet worden gehouden met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting bij een ander. Naar aanleiding van vragen van de CDA-fractie is in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de behandeling van het Belastingplan 2012 in de Tweede Kamer het volgende opgemerkt:5.
‘Om te bepalen of een motief is gelegen in het ontgaan van Nederlandse dividendbelasting of buitenlandse belasting wordt een vergelijking gemaakt tussen de situatie dat de coöperatie de aandelen, winstbewijzen of geldleningen houdt, ten opzichte van de situatie dat de aandelen, winstbewijzen of geldleningen rechtstreeks zouden worden gehouden door de achterligger(s) die — direct of indirect — het lidmaatschapsrecht in de coöperatie bezit/bezitten, dus zonder tussenkomst van de coöperatie. Indien de situatie zonder tussenkomst van de coöperatie niet zou leiden tot een hogere Nederlandse dividendbelastingclaim of buitenlandse belastingclaim, zal er geen sprake zijn van ontgaan van Nederlandse dividendbelasting of buitenlandse belasting.’
Ook bij de parlementaire behandeling van de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie, waarmee per 1 januari 2018 diezelfde antimisbruikbepaling werd geïntroduceerd in de Wet Db 1965, is de wegdenkgedachte op deze manier toegelicht.6.
9
Wonderlijk genoeg lijkt de staatssecretaris, nadat de Tweede Kamer de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie had aangenomen, tijdens de behandeling in de Eerste Kamer van gedachten te zijn veranderd. In antwoord op vragen van de WD-fractie zegt hij daar eerst7.:
‘Indien de situatie zonder tussenkomst van het in het buitenland gevestigde lichaam niet zou leiden tot een hogere Nederlandse inkomstenbelastingclaim of dividendbelastingclaim, zal geen sprake zijn van ontgaan van Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting. ’
Met andere woorden de wegdenkgedachte is inderdaad een safe harbor. De staatssecretaris vervolgt echter:
‘Of dit het geval is, dient steeds te worden getoetst op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap opkomt of het dividend wordt uitgekeerd. Er kan in zoverre dus niet op voorhand gesproken worden van een safe harbor. Indien op basis van de subjectieve toets sprake is van een ontgaansmotief, kan de objectieve toets in feite als een vorm van tegenbewijs worden beschouwd. Een alternatieve vorm van tegenbewijs binnen de subjectieve toets herbergt het risico dat de antimisbruikbepaling een loze bepaling wordt.’
Opeens was de wegdenkgedachte dus veranderd van een safe harbor in een onweerlegbaar vermoeden van een ontgaansmotief. Daarmee is de subjectieve toets in feite een objectieve toets geworden; het gaat immers niet meer om motieven, maar om een objectief verschil in belastingheffing. Bovendien is ook de bewijslast met betrekking tot de objectieve toets nu omgeslagen. Waar eerst de inspecteur de bewijslast droeg ten aanzien van zowel de subjectieve als de objectieve toets. Is die laatste nu een veranderd in ‘een vorm van tegenbewijs’, wat niet anders kan betekenen dan dat het de belastingplichtige is die moet bewijzen dat er géén sprake is van een kunstmatige constructie.
10
We moeten deze passage beschouwen als een uitglijer. Zij staat haaks op wat eerder tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is gezegd, zonder dat bij die koerswijziging enige toelichting wordt gegeven. Het was juist de bedoeling van het wetsvoorstel dat de Nederlandse wetgeving in lijn gebracht zou worden met de MDR die met zoveel woorden een subjectieve toets voorschrijft.
11
Logischerwijs kan aan de wegdenktoets wel in beginsel, maar niet zonder meer de consequentie worden verbonden dat belastingvermijding het motief geweest moet zijn. De wegdenktoets kan een belangrijke aanwijzing zijn: als het opnemen van de belastingplichtige in de structuur niet leidt tot minder Nederlandse dividendbelasting, dan is logischerwijs uitgesloten dat vermijding van dividendbelasting daarvoor het motief is geweest. Dat betekent echter niet dat het omgekeerde ook geldt.8. Het is immers heel goed denkbaar dat andere, niet-fiscale motieven (of buitenlandse fiscale motieven) zo belangrijk zijn geweest dat de Nederlandse fiscale gevolgen überhaupt geen, of slechts een bijkomstige rol hebben gespeeld bij de beslissing. Bovendien betrekt de wegdenkgedachte alleen de gevolgen voor de Nederlandse belastingheffing in de analyse. Het is dus ook mogelijk dat een bepaalde structuur weliswaar leidt tot minder Nederlandse belasting, maar in plaats daarvan belastingdruk ontstaat in een ander land, waardoor per saldo helemaal geen belastingvoordeel optreedt. Ook in die gevallen is niet a priori aannemelijk dat vermijding van (Nederlandse) belasting een hoofddoel is van de structuur.
12
Een motief kan bovendien logischerwijs alleen worden getoetst op het moment dat het zijn werking heeft, dat wil in dit geval zeggen: op het moment dat besloten wordt de buitenlandse houdstermaatschappij in de structuur op te nemen, of eventueel op het moment dat besloten wordt om de aandelen van de Nederlandse vennootschap bij deze houdster onder te brengen en niet elders in de structuur. Zeker in geval van een niet-controlerende belang, is het in werkelijkheid natuurlijk niet zo dat bij elke uitkering opnieuw wordt besloten welke houdster voor deze bijzondere gelegenheid de aandelen zal houden. Het dividend wordt gewoon uitgekeerd aan de houdster die de aandelen heeft, omdat nou eenmaal al op een eerder moment zo is besloten. Het motief kan dus, wat de staatssecretaris ook heeft gezegd, niet worden getoetst op het moment dat de uitkering wordt ontvangen.
13
Het is niet verwonderlijk dat in de literatuur uitgesproken kritisch op deze uitspraken van de staatssecretaris is gereageerd.9. Zelfs als de uitspraken van de staatssecretaris wél zo bedoeld zijn als ze zijn opgeschreven, is het staatsrechtelijk dubieus of aan die uitspraken enige betekenis kan worden gehecht bij de interpretatie van de wet. De Tweede Kamer had immers het wetsvoorstel aangenomen in zijn oorspronkelijke vorm, met de wegdenkgedachte als safe harbor. De Eerste Kamer heeft geen recht van amendement en kan een wetsvoorstel dus slechts aannemen of verwerpen, maar niet inhoudelijk wijzigen. Dat sluit ook uit dat die inhoud impliciet zou kunnen worden gewijzigd doordat uit de behandeling in de Eerste Kamer een fundamenteel andere inhoud wordt afgeleid dan door de Tweede Kamer is aanvaard.
14
In het stramien van BNB 2020/80 kan de wegdenkgedachte er weliswaar toe kan leiden dat in beginsel aan de subjectieve toets wordt voldaan, maar de rechter mag niet definitief concluderen dat dat het geval is zonder van de inspecteur (een begin van) concreet bewijs te verlangen.
15
De inspecteur heeft naast zijn standpunt over de wegdenktoets echter geen andere stellingen betrokken, laat staan bewijs geleverd, omtrent de motieven om het belang in [A] te laten houden door belanghebbende. Het Hof heeft dus slechts op grond van een algemeen geformuleerd objectief criterium — de wegdenkgedachte — aangenomen dat aan de subjectieve toets is voldaan, zonder van de inspecteur enig concreet bewijs te verlangen. Daarmee heeft het Hof naar de mening van belanghebbende de bewijslast onjuist verdeeld.
's Hofs oordeel dat aan de subjectieve toets is voldaan, is onbegrijpelijk.
16
Het Hof stelt vast dat belanghebbende is opgericht in 2004 en fungeert als houdstermaatschappij van het belang in [A].10. Met andere woorden: belanghebbende bestond al geruime tijd voordat de investering in [A] aan de horizon verscheen. Belanghebbende heeft daar onweersproken aan toegevoegd dat zij winsten niet uitkeert, maar herinvesteert.11. Dat zij in 2018 degene was die het dividend uit [A] ontving was niet meer dan een uitvloeisel van al eerder genomen beslissingen. Zij is niet opgericht of tussengeschoven met het oog op een te verwachten dividend, zoals bijvoorbeeld kennelijk het geval was in een recente uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.12. Er heeft ook niet, zoals in BNB 2020/80, een zetelverplaatsing of iets dergelijks plaatsgevonden waardoor de Nederlandse dividendbelastingclaim werd gefrustreerd.
17
Dat belanghebbende in 2018 degene was die het dividend uit [A] ontving, was niet meer dan een uitvloeisel van de al in 2011 genomen investeringsbeslissing. Belanghebbende is niet opgericht of tussengeschoven met het oog op een te verwachten dividend, zoals bijvoorbeeld kennelijk het geval was in een recente uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.13. Er heeft ook niet, zoals in BNB 2020/80, een zetelverplaatsing of iets dergelijks plaatsgevonden waardoor de Nederlandse dividendbelastingclaim werd gefrustreerd.
18
Onder die omstandigheden is, geheel los van de verdeling van de bewijslast en de rol van de wegdenktoets, onbegrijpelijk dat het Hof tot het oordeel komt dat belanghebbende haar belang in [A] hield met als hoofddoel of één van de hoofddoelen het ontgaan van Nederlandse dividendbelasting.
De rechtsopvatting van het Hof zou leiden tot door het primaire EU-recht verboden discriminatie en kan dus niet de juiste zijn.
19
De aanpak van het Hof, waarbij alleen op basis van de wegdenkgedachte (behoudens tegenbewijs) misbruik wordt aangenomen, is voorts in strijd met EU-recht. Een buitenlandse houdster met buitenlandse natuurlijke personen als (uiteindelijke) aandeelhouders zal immers altijd zakken voor de wegdenktest. Als de inspecteur alleen al daardoor van zijn bewijslast wordt verlost, zal een buitenlandse houdster dus altijd bewijs moeten leveren van achterliggende motieven, terwijl een Nederlandse houdster, of een houdster met Nederlandse aandeelhouders, zonder nader bewijs zal kunnen profiteren van de inhoudingsvrijstelling. Dit is precies wat het HvJ EU in Eqiom en Enka in strijd met het Unierecht achtte en ook in Deister Holding & Juhler Holding beschouwde als een te algemeen vermoeden van misbruik.14.
20
Als het oordeel van het Hof juist zou zijn, maakt art. 4, lid 3, onderdeel c, Wet Db een onderscheid tussen enerzijds de situatie van belanghebbende — Belgische familie houdt aandelen [A] via een Belgische houdstermaatschappij — en anderzijds de situatie waarin een Nederlandse familie aandelen [A] houdt via een Nederlandse houdstermaatschappij. In dat laatste geval behoeft [A] bij winstuitkeringen aan de tussenhoudster op grond van art. 4, lid 1 Wet Db geen dividendbelasting in te houden, zonder dat daarbij een met het derde lid te vergelijken misbruiktoets wordt aangelegd. Het is bovendien in binnenlandse verhoudingen staande jurisprudentie dat natuurlijke personen de vrijheid hebben om hun onderneming, werkzaamheden, of vermogen over te dragen aan een BV en zo de inkomsten daaruit ten goede te laten komen aan die vennootschap.15. De Nederlandse familie zou dus ook niet bang hoeven te zijn dat haar houdsterstructuur met fraus legis bestreden zou worden. De Belgische familie zou zich dus met betrekking tot de heffing van dividendbelasting over de uitkeringen door [A] in een duidelijk nadeliger situatie bevinden dan de Nederlandse.
21
Het Hof erkent weliswaar dat hier sprake is van een verschil in behandeling, maar het meent dat deze gevallen niet vergelijkbaar zijn, omdat bij een Nederlandse tussenhoudster tenminste éénmaal Nederlandse belastingheffing plaatsvindt over het beleggingsresultaat.16. Dit omdat Nederland, als een binnenlandse tussenhoudster vervolgens zelf dividend uitkeert, alsnog dividendbelasting kan heffen, terwijl dat bij een uitdeling door een Belgische houdster niet mogelijk is. Dat is echter precies de situatie die ook in Deister/Juhler en Eqiom/Enka aan de orde was en in die zaken heeft het HvJ EU beslist dat buitenlandse houdsters wél vergelijkbaar zijn met binnenlandse.17. De redenering van het Hof komt erop neer dat in grensoverschrijdende situaties altijd sprake zou (moeten) zijn van dubbele heffing, namelijk heffing door de bronstaat ten laste van de houdstervennootschap bij uitkering én de heffing ten laste aandeelhouder door de woonstaat. De consequentie is dat grensoverschrijdende investeringen als misbruik worden aangemerkt (en binnenlandse investeringen niet).
22
23
Het Hof voegt aan zijn oordeel nog toe dat in geval van het gebruik van een Nederlandse tussenhoudster er geen sprake is van toepassing van de MDR, zodat dan niet wordt toegekomen aan het toepassen van de misbruiktoets.18. Het Hof gaat daarmee geheel voorbij aan het oordeel van het HvJ EU in Miljoen, X en Société Générale19.:
‘De artikelen 63 VWEU en 65 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan op dividenden die door een ingezeten vennootschap zowel aan ingezeten belastingplichtigen als aan niet-ingezeten belastingplichtigen worden uitgekeerd een bronheffing moet worden ingehouden, waarbij enkel voor ingezeten belastingplichtigen is voorzien in een mechanisme van aftrek of teruggaaf van die inhouding, terwijl deze voor niet-ingezeten belastingplichtigen, natuurlijke personen en vennootschappen, een definitieve belasting vormt, voor zover — het is aan de verwijzende rechterlijke instanties, dit in de hoofdgedingen te verifiëren — de definitieve belastingdruk die in verband met die dividenden in die staat op niet-ingezeten belastingplichtigen komt te rusten zwaarder is dan die voor ingezeten belastingplichtigen.’
24
Het spreekt voor zich — en volgt ook uit Amurta20. — dat het voorgaande ook geldt voor een vrijstelling als de deelnemingsvrijstelling.
Uitputtende harmonisatie is niet het punt.
25
Het Hof overweegt21. dat art. 4, lid 3, onderdeel c, Wet Db 1965 niet getoetst kan worden aan het primaire EU-recht, omdat de MDR een uitputtende harmonisatie zou inhouden. Dat is echter niet het punt; ook als de MDR op dit punt een uitputtende harmonisatie beoogt, betekent dat niet dat die harmonisatie inhoudelijk erop neer zou komen dat lidstaten verplicht zijn bepaalde structuren als misbruik aan te merken wanneer daarbij families of houdstermaatschappijen in andere lidstaten betrokken zijn, terwijl dezelfde structuren met binnenlandse families en houdstermaatschappijen ongemoeid worden gelaten. Maar dat is, zoals hierboven uiteengezet, wel de consequentie van de interpretatie die het Hof geeft aan art. 4, lid 3, onderdeel c, Wet Db 1965, respectievelijk art. 1, lid 2 MDR.
26
Belanghebbendes standpunt is dus niet dat de MDR getoetst moet worden aan primair EU-recht. Belanghebbende meent slechts dat de uitleg die het Hof geeft aan de Nederlandse Wet Db 1965 en de MDR niet de juiste kan zijn, omdat die uitleg zou leiden tot een verboden verschil in behandeling tussen binnenlandse en grensoverschrijdende structuren.
27
Overigens, als de MDR een uitputtende harmonisatie inhoudt, betekent dat weliswaar dat niet getoetst kan worden aan de vrijheden van het VWEU, maar niet dat ook de toetsing aan het Handvest is uitgesloten.
Onderdeel (b), objectieve toets
Objectieve toets, globale beschouwing.
28
Uit het bovenstaande vloeit voort dat het Hof naar de mening van belanghebbende ten onrechte heeft geoordeeld dat voldaan is aan de subjectieve toets. Als de Hoge Raad op dit punt tot een ander oordeel zou komen, leidt dat tot een vermoeden van misbruik dat belanghebbende kan ontzenuwen door feiten te stellen die erop wijzen dat geen sprake is van een kunstmatige constructie. Voor dat geval gaat belanghebbende in dit onderdeel in op de feiten die door het Hof zijn vastgesteld en de redenen waarom zij meent dat op basis van die feiten van een kunstmatige constructie geen sprake kan zijn.
29
De volgende door het Hof vastgestelde, dan wel onweersproken feiten zijn van belang voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende en haar deelneming in [A] deel uitmaken van een kunstmatige constructie in zin van art. 4, lid 3, onderdeel c, Wet Db 1965.
- (i)
Belanghebbende is gevestigd — en altijd gevestigd geweest — in België. Zij fungeert sinds haar oprichting in 2004 als houdstervennootschap (ro. 2.1.).
- (ii)
Belanghebbende is destijds opgericht om de aandelen in de Belgische [I] N.V. te houden en te besturen. [I] N.V. hield zich bezig met de productie van elektriciteit op basis van hernieuwbare energie alsook het verhandelen van groene stroomcertificaten. In 2011 heeft belanghebbende haar participatie in [I] N.V. verkocht (r.o. 2.3).
- (iii)
De aandelen in belanghebbende worden gehouden door leden van de familie [C]. Belanghebbende dient als platform voor herinvestering van behaalde winsten, zonder dat (belaste) uitkeringen aan de aandeelhouders hoeven plaats te vinden en zonder dat dergelijke uitkeringen hebben plaatsgevonden (ro. 5.1.1.).
- (iv)
Zo heeft belanghebbende vanaf 2011 geïnvesteerd in [A], waaruit zij op 31 juli 2018 een uitkering ten laste van de winst- en agioreserve heeft ontvangen van ruim€ 1 mio. (proces-verbaal zitting, blz. 2, eerste alinea).22.
- (v)
Belanghebbende heeft zelf geen personeel in dienst en zij huurt zelf geen kantoorruimte.
- (vi)
De uiteindelijke zeggenschap in belanghebbende is (zoals altijd bij kapitaalvennootschappen) in handen van haar aandeelhouders die via de algemene vergadering van aandeelhouders de bestemming van haar resultaten kunnen bepalen (ro. 5.3.6.).
- (vii)
Belanghebbendes activiteiten vormen geen onderneming en belanghebbende noch haar aandeelhouders oefenen invloed uit op het door [A] gevoerde beleid of op de door [A] gehouden investeringen (ro. 5.3.6.).
30
Over deze feiten bestaat tussen partijen, zoals het Hof in ro. 5.3.1. vaststelt, geen verschil van mening.23. In cassatie gaat het slechts om de vraag of zij, afzonderlijk of tezamen, een kunstmatige constructie opleveren. Dat is een rechtsvraag, net als de vraag naar doel en strekking van de wet bij toepassing van het Nederlandse leerstuk van fraus legis. Het gaat erom of onder de hierboven geschetste objectieve omstandigheden een vrijstelling van dividendbelasting in strijd komt met het door de Unierechtelijke regeling (de MDR) beoogde doel.24.
31
Belanghebbende meent dat de juiste uitleg van art. 1, lid 2 MDR — en dus de juiste uitleg van art. 4, lid 3 onderdeel c Wet Db 1965 — is dat geen van de hierboven in § 28 opgesomde omstandigheden, noch twee of meer van die omstandigheden tezamen, maken dat sprake is van een kunstmatige constructie. Het oordeel van het Hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
32
Rechtbank25., Hof26. en partijen zijn het erover eens dat het begrip kunstmatige constructie in de Nederlandse wet moet worden uitgelegd in overeenstemming met de jurisprudentie daarover van het HvJ EU.
33
Daarbij is van belang dat een houdstermaatschappij die geen andere economische activiteit ontplooit dan het houden en aan- en verkopen van deelnemingen niet reeds daarom aangemerkt kan worden als een kunstmatige constructie.27. Passieve inkomsten kunnen weliswaar een indicatie zijn dat nader onderzoek geboden is, maar zijn op zichzelf niet genoeg om te oordelen dat sprake is van een kunstmatige constructie.28.
34
Het HvJ EU heeft in het arrest T Danmark & Y Denmark29. de volgende feitelijke bestanddelen opgesomd van kunstmatige constructies in de context van houdstermaatschappijen, dividendstromen en bronbelastingen.
- (i)
De tussenvoeging van een vennootschap heeft plaatsgevonden op of rond het moment van inwerkingtreding van belangrijke nieuwe belastingwetgeving (r.o. 106).
- (ii)
De betrokkenheid van entiteiten die niet zijn gevestigd in de bronstaat of de staat van de uiteindelijk gerechtigden (r.o. 100 en 102).
- (iii)
De betrokkenheid van entiteiten die zijn gevestigd buiten de EU (r.o. 102).
- (iv)
Het zeer snel na ontvangst volledig of nagenoeg volledig doorsluizen van ontvangen dividenden (ro. 101).30.
Het is natuurlijk niet gezegd dat de bestanddelen die het HvJ EU hier opsomt, de enige zijn die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een kunstmatige constructie, maar andere kenmerken zijn (vooralsnog) uit de jurisprudentie van het HvJ EU niet bekend. In elk geval is het tekenend dat we van de bestanddelen die het HvJ EU wél heeft genoemd, er geen enkele aantreffen bij de houdsterstructuur in deze zaak.
35
BNB 2020/80 bouwt voort op het arrest T Danmark & Y Denmark met de overweging31. dat een concernstructuur kan worden beschouwd als een volstrekt kunstmatige constructie:
‘indien in een concernstructuur met (een) buiten de Unie gevestigde, achterliggende aandeelhouder(s) en een in Nederland gevestigde vennootschap een binnen de Unie gevestigd lichaam is tussengeschoven (…) zonder dat dit EU-lichaam of de vestiging van het lichaam in de EU-lidstaat reële betekenis heeft.’
Het onderhavige geval is allereerst anders omdat het gaat het om achterliggende aandeelhouders binnen de EU, het eerste element ontbreekt dus. Belangrijker is wellicht nog dat het in BNB 2020/80 ging om een tussenliggende vennootschap in een andere jurisdictie dan die van het onderliggende belang (dus niet Nederland) en dan die van de achterliggende aandeelhouders. Ook dit element ontbreekt geheel in de onderhavige casus. Daarbij zij nog opgemerkt dat in BNB 2020/80 het hof uitdrukkelijk had overwogen dat de structuur met de tussenvoeging van de houdstervennootschap en de latere verplaatsing van de fiscale vestigingsplaats van de houdstervennootschap naar Luxemburg erop wezen dat de structuur in zoverre is gekozen met als doorslaggevende beweegreden de daaraan voor de achterliggende aandeelhouders verbonden gunstige fiscale gevolgen. In de onderhavige casus is ook geen sprake van dergelijke verplaatsingen van de fiscale vestigingsplaats.
36
De benadering van het Hof komt er in wezen op neer dat als sprake is van beleggingsactiviteiten, er sprake is van misbruik, althans in grensoverschrijdende situaties. Er is echter geen regel van Nederlands, Belgisch of EU recht die verbiedt om via een vennootschap te beleggen. Het is in Nederland, België en vele andere landen binnen en buiten de EU ook volstrekt gebruikelijk om te beleggen via een vennootschap. Dat betreft zowel situaties waarin er ooit een materiële onderneming was die is verkocht als situaties waarin er nooit een materiële onderneming is geweest. Vergelijk in dat verband Orange European Smallcap Fund,32. waarin het HvJ EU de vrijheid van kapitaalverkeer op een fiscale beleggingsinstelling toepast. Beleggen via een vennootschap vormt niet per definitie misbruik en is ook geen indicatie van misbruik. Met name de vrijheid van kapitaalverkeer is niet, of althans niet alleen, bedoeld om ondernemingsactiviteiten te bevorderen, maar juist om alle investeringen binnen de EU te bevorderen.
37
Samenvattend: belanghebbende is bijna twintig jaar geleden opgericht als investeringsmaatschappij van leden van de familie [C]. Belanghebbende is destijds opgericht om de aandelen in de Belgische vennootschap te houden en te besturen, welk belang in 2011 is verkocht. Belanghebbende is altijd gevestigd geweest in het land — België — waar de familie woont. Er is, meent belanghebbende, aan een dergelijke houdsterstructuur niet kunstmatigs; er is gewoon geen sprake van een kunstmatige constructie in de betekenis die het HvJ EU aan die term geeft.
38
Daarmee zijn, meent belanghebbende, de Nederlandse wetsgeschiedenis en de daaruit voortkomende discussie over toerekening aan een onderneming, vermoedens en tegenbewijs nog maar zeer beperkt relevant. Volledigheidshalve gaat zij nochtans hierna nog in op een aantal specifieke aspecten van het oordeel van het Hof.
De controle van de vennootschap door aandeelhouders leidt niet tot toerekening aan de aandeelhouders.
39
Het Hof acht mede redengevend dat de besluitvorming van belanghebbende volledig in handen is van leden van de familie [C]. Volgens het Hof kunnen zij volledig de bestemming van de resultaten van belanghebbende bepalen en kan belanghebbende daarom niet vrij beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit [A].33. Het Hof lijkt daarmee de criteria van HvJ EU uit het arrest T Danmark & Y Denmark34. te willen toepassen.
40
Het HvJ EU overweegt dienaangaande het volgende:35.
‘De verschillende overeenkomsten die zijn gesloten tussen de bij de betreffende financiële verrichtingen betrokken vennootschappen en die geldstromen binnen de groep doen ontstaan, de wijze waarop de verrichtingen worden gefinancierd, de waardering van het eigen vermogen van de tussenvennootschappen, alsook het gebrek aan bevoegdheid van de doorstroomvennootschappen om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken, kunnen eveneens aanwijzingen vormen voor een dergelijke constructie. Dergelijke aanwijzingen kunnen niet alleen bestaan in een contractuele of wettelijke verplichting voor de moedermaatschappij die de dividenden ontvangt om deze dividenden door te betalen aan een derde, maar eveneens in het feit dat deze onderneming, zoals de verwijzende rechter opmerkt, ‘in wezen’ niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting.’
41
Uit dit citaat blijkt dat het HvJ EU met niet kunnen beschikken doelt op contractuele arrangementen of doorstroomsituaties die daar feitelijk mee overeenkomen. Het Hof heeft dus waarschijnlijk de verkeerde maatstaf gehanteerd. Als het van de juiste maatstaf is uitgegaan, is zijn oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
De mogelijkheid vanuit de houdster te herinvesteren is een legitiem zakelijk belang, ook als er geen verplichting tot herinvestering bestaat.
42
Een van de voordelen van het gebruik van een houdstervennootschap waarop belanghebbende heeft gewezen, is de mogelijkheid om niet-uitgekeerde winsten te herinvesteren. Het Hof acht dit op zichzelf een legitieme zakelijke reden om te beleggen door middel van een houdstervennootschap, maar vindt het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan in casu sprake is. Het Hof motiveert dat oordeel door erop te wijzen dat er geen enkele verplichting is voor belanghebbende om behaalde winsten geheel of gedeeltelijk te herinvesteren.36. Dit oordeel is onbegrijpelijk. Niet valt in te zien waarom het relevant zou zijn dat er een herinvesteringsverplichting bestaat. Het voordeel is gelegen in de mogelijkheid van herinvestering en het is klip en klaar dat die mogelijkheid bestaat voor belanghebbende en dat zij de uitkering die zij heeft ontvangen van [A] inderdaad niet heeft doorgestoten naar haar aandeelhouders, maar heeft aangehouden ter herinvestering. Voorts is onbegrijpelijk waarom het Hof in dit kader belang hecht aan de rol die de aandeelhouders — net als in iedere andere vennootschap — spelen bij het nemen van de beslissing winsten uit te keren of te herinvesteren. De besluitvorming zegt toch niets over de vraag of de mogelijkheid van herinvestering een legitiem zakelijk doel is om te beleggen door middel van een houdstervennootschap?
43
Een ander voordeel van het gebruik van een houdstervennootschap waarop belanghebbende heeft gewezen, is de mogelijkheid om belastingheffing over winstuitkeringen uit te stellen. Het Hof vermag niet in te zien waarom dit een geldige zakelijke reden is, indien er geen (directe) verplichting is om winst uit te keren door belanghebbende. Ook hier begrijpt belanghebbende niet waarom het Hof belang hecht aan het bestaan van een verplichting tot — in dit geval — winstuitkering. Het gestelde voordeel betreft immers de mogelijkheid van uitstel van winstuitkeringen. Dat er in de toekomst alsnog winstuitkeringen zouden kunnen plaatsvinden, zoals het Hof overweegt, doet daaraan evenmin iets af. Integendeel. Het bevestigt juist dat door gebruikmaking van een houdstervennootschap belastingheffing over uitgekeerde winst tot een later datum kan worden uitgesteld. Daar staat overigens tegenover dat de resultaten uit opgepotte winst bij de vennootschap in beginsel zijn onderworpen aan winstbelasting, 's Hofs oordeel op deze punten is onbegrijpelijk.
De rechtsopvatting van het Hof zou leiden tot door het primaire EU-recht verboden discriminatie en kan dus niet de juiste zijn.
44
Zo de in onderdeel (a) ter zake van het EU-recht genoemde argumenten bij de subjectieve toets niet aan bod zouden komen, zouden deze toch bij de objectieve toets aan bod moeten komen. Onder meer uit de aldaar aangehaalde jurisprudentie blijkt dat in binnenlandse situaties niet wordt aangenomen dat een beleggingsvennootschap een volstrekt kunstmatige constructie zou vormen. Dat wellicht met uitzondering van bepaalde specifieke situaties waar sprake is van specifieke bijkomende kunstgrepen, maar van een dergelijke situatie is in casu geen sprake. Dan volgt uit het EU-recht dat in grensoverschrijdende situaties een beleggingsvennootschap ook geen volstrekt kunstmatige constructie kan vormen.
IV. Conclusie
45
Op grond van het bovenstaande kan, meent belanghebbende, de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen op de grond dat niet is voldaan aan de subjectieve en/of de objectieve toets.
46
Zo in dit geval twijfel mocht blijven bestaan aan de juiste uitleg van het begrip misbruik en/of kunstmatige constructie, zullen daaromtrent prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het HvJ EU.
47
Als de Hoge Raad, al dan niet na prejudiciële vragen aan het HvJ EU, tot het oordeel zou komen dat bewijslast niet goed is verdeeld door het Hof, is nader onderzoek nodig op basis van de juiste verdeling van de bewijslast. In dat geval is naar de mening van belanghebbende verwijzing nodig.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑07‑2025
R.o. 5.3.4.
R.o. 5.3.6.
Ro. 5.3.3.
Kamerstukken II 2017/18 34 788, nr. 3, blz 6 en nr. 6, blz 23 en 26–27
Kamerstukken I 2017/18, 34 788, nr. D blz. 23–24.
Simpel voorbeeld: Een kip is een dier met een snavel en veren. Dus als ik een dier zie dat geen snavel en geen veren heeft, weet ik zeker dat het geen kip is. Maar als het wél een snavel en veren heeft, rechtvaardigt dat niet zonder meer de gevolgtrekking dat we met een kip van doen hebben. Het zou ook bijvoorbeeld een eend kunnen zijn.
Bijvoorbeeld: V-N 2017/63.2; O.C.R. Marres, Over de schakelfunctie en drie andere misverstanden, NTFR 2022/2349; R.P.C. Cornelisse, Enige bespiegelingen over art. 17, lid 3, onderdeel b, Wet Vpb 1969, NTFR 2018/359 en D.M. Weber, Enkele EU-aspecten van de antimisbruikbepaling van de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting, WFR 2018/75.
Ro. 2.1 en 2.2.
Ro. 5.1.1.
Rb Zeeland-West-Brabant, 4 mei 2022, V-N 2022/33.10
Rb Zeeland-West-Brabant, 4 mei 2022, V-N 2022/33.10
HvJ EU 7 september 2017, C-6/16, Eqiom SAS en Enka SA, ro. 55–56 en HvJ EU 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S ro. 89–90.
HR 17 november 1993, BNB 1994/37, ro. 3.4 en HR 15 juni 1994, BNB 1994/231, ro. 7.
Ro. 5.3.18.
HvJ EU 7 september 2017, C-6/16, Eqiom SAS en Enka SA, ro. 60 en HvJ EU 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, ro. 93. In deze arresten zijn ook de door de betrokken bronstaten aangevoerde rechtvaardigingsgronden — misbruikbestrijding en evenwichtige verdeling van heffingsgrondslag — verworpen (respectievelijk ro. 65 en ro. 99).
Ro. 5.3.18.
HvJ EU 17 september 2015, C-10/14, C-14/14 en C-17/14, Miljoen, X en Société Générale.
HvJ EU 8 november 2007, C-379/05, Amurta.
Ro. 5.3.14.
Zoals uit het proces-verbaal van de zitting bij het Hof blijkt, constateerde de voorzitter terecht dat in onderhavige zaak door de Rechtbank abusievelijk de feiten zijn overgenomen uit de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Rechtbank ECLI:NL:RBNHO:2020:5137. In r.o. 1.1. heeft het Hof dan ook het correcte bedrag van de ingehouden dividenduitkering van € 50.793 vermeld, zijnde 5% van € 1.015.862. In r.o. 2.2 had het Hof on die reden punt 6 van de uitspraak van de Rechtbank moeten corrigeren door een uitkering van € 1.015.862 aan belanghebbende in de plaats te stellen van het bedrag van € 2.082.518 voor alle aandeelhouders tezamen vermeld door de Rechtbank.
Zie echter ook voetnoot 22 voor een misslag in de vaststelling van de feiten.
HvJ EU 14 december 2000, C-110/99, Emsland-Starke, ro. 52
Ro. 15.
Ro. 5.3.5.
HvJ EU 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, ro. 73.
HvJ EU 26 februari 2019, C-135/17, X GmbH, ro. 86.
HvJ EU 26 februari 2019, C-116/16 en C-117/16.
Anders dan het Hof in ro.5.3.6. van de bestreden uitspraak, ziet het HvJ EU dus niet al misbruik op grond van het enkele feit dat de mogelijkheid bestaat van dooruitdeling op een (veel) later tijdstip.
Ro. 2.6.7.
HvJ EU 20 mei 2008, C-194/06 (Orange European Smallcap Fund), BNB 2008/290.
Ro 5.3.6.
HvJ EU 26 februari 2019, C-116/16 en C-117/16.
Ro 105.
Ro. 5.3.7.
Uitspraak 18‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Dividendbelasting; art. 4, lid 3, aanhef en letter c, Wet op de dividendbelasting 1965 (tekst 2018); buitenlandse AB-regeling; kunstmatige constructie? strijd met Unierecht?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02691
Datum 18 juli 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V.B.A. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juni 2022, nr. 20/004381., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 19/879) betreffende inhouding van dividendbelasting.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M. Sanders, advocaat, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door M. Sanders voornoemd.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 26 mei 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is een in België gevestigde en naar Belgisch recht opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BVBA). Zij is in 2004 opgericht als houdstermaatschappij van een Belgische naamloze vennootschap (hierna: de Belgische NV) die zich bezighield met productie van elektriciteit op basis van hernieuwbare energie en met het verhandelen van groene-stroomcertificaten. Belanghebbende was tevens bestuurder van die naamloze vennootschap. In 2011 heeft belanghebbende haar belang in de Belgische NV verkocht.
2.2
In het onderhavige jaar (2018) waren de aandelen van belanghebbende in handen van drie in België woonachtige natuurlijke personen uit één familie, van wie er één bestuurder is van belanghebbende. Belanghebbende beschikt niet over kantoorruimte in België en heeft geen werknemers in dienst.
2.3
In elk geval sinds 2016 houdt belanghebbende 38,71 procent van de aandelen in een in Nederland gevestigde besloten vennootschap (hierna: de BV) die fungeert als een zogeheten ‘feeder vennootschap’ voor een fonds van een Nederlands private-equityhuis. De BV heeft naast belanghebbende nog twee andere Belgische aandeelhouders. Zij heeft als enige bezitting een belang van 17,11 procent in een besloten vennootschap die commanditair vennoot is in een commanditaire vennootschap met minderheidsbelangen in diverse portfolio-investeringen. Zowel de BV en de commanditaire vennoot, als de beherende vennoot van de commanditaire vennootschap worden bestuurd door (werknemers van) het private-equityhuis. De portfolio-investeringen worden feitelijk beheerd door werknemers van het private-equityhuis. Het middellijke belang van belanghebbende in de individuele portfolio-investeringen varieert van 0,65 procent tot 1,2 procent. Naast de aandelen in de BV bezat belanghebbende in 2018 twee oldtimers (personenauto’s).
2.4
Op 31 juli 2018 heeft de BV een dividenduitkering aan belanghebbende gedaan (hierna: de dividenduitkering). Op de dividenduitkering is 5 procent dividendbelasting ingehouden. Het door belanghebbende tegen deze inhouding gemaakte bezwaar is door de Inspecteur afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
3. De oordelen van het Hof
3.1.1 Belanghebbende heeft voor het Hof het standpunt ingenomen dat zij recht heeft op de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, lid 2, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: de Wet), omdat in haar geval is voldaan aan de subjectieve noch de objectieve voorwaarde. Zij heeft daartoe de volgende omstandigheden aangevoerd:(i) het gebruik van een houdstervennootschap beperkt de aansprakelijkheid voor de schulden van de vennootschap;(ii) de verkoop van beleggingen en andere investeringen kan gemakkelijker plaatsvinden door de levering van aandelen in plaats van alle activa en passiva;(iii) belanghebbende fungeert als ‘pooling vehicle’ voor de hiervoor in 2.2 bedoelde Belgische familie, waardoor het mogelijk is om grotere bedragen te investeren en daarmee markten te betreden die anders gesloten zouden blijven;(iv) uitstel van Belgische belastingheffing van de aandeelhouders is mogelijk tot het moment van winstuitkering. Hierdoor kunnen winsten worden geherinvesteerd. De winsten zijn weliswaar onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting, maar verliezen zijn aftrekbaar;(v) er is geen verplichting voor belanghebbende om winst uit te keren en die winst is in dit geval ook niet uitgekeerd;(vi) belanghebbende moet bij winstuitkeringen aan haar aandeelhouders 30 procent Belgische roerende voorheffing inhouden; die heffing bedraagt dus meer dan het tarief in box 2 van de Wet IB 2001;(vii) een actieve betrokkenheid bij de BV van belanghebbende of haar aandeelhouders is niet vereist;(viii) belanghebbende en haar aandeelhouders zijn in dezelfde lidstaat gevestigd.
3.1.2 Voor het Hof heeft de Inspecteur zich erop beroepen dat artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet in de weg staat aan de door belanghebbende bepleite vrijstelling van dividendbelasting op grond van lid 2 van dat artikel. Het Hof heeft geoordeeld dat op de Inspecteur de bewijslast rust de in de hiervoor genoemde letter c gestelde omstandigheden aannemelijk te maken. Die bewijslast ziet volgens het Hof op de vraag of het belang in de BV door belanghebbende is gehouden met als hoofddoel of één van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (hierna: de subjectieve voorwaarde) en op de vraag of sprake is van een kunstmatige (reeks van) constructie(s) of (samenstel van) transactie(s) (hierna: de objectieve voorwaarde). Slaagt de Inspecteur in deze bewijslast, dan heeft belanghebbende de mogelijkheid aannemelijk te maken dat de – in beginsel bewezen – kunstmatige constructie of transactie is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, aldus het Hof.
3.2.1 Voor het antwoord op de vraag of de Inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat zowel aan de subjectieve als aan de objectieve voorwaarde is voldaan, heeft het Hof het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21 (hierna: het arrest van 10 januari 2020), tot richtsnoer genomen. Naar zijn oordeel kan op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet worden aangenomen dat de wetgever met de invoering van dat artikel geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd ten opzichte van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2012), welke antimisbruikbepaling aan de orde was in het arrest van 10 januari 2020, zodat dat arrest ook van belang is voor de uitleg en toepassing van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet.
3.2.2 Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur in verband met de vraag of voldaan is aan de subjectieve voorwaarde, terecht heeft gewezen op de omstandigheid dat de aandeelhouders van belanghebbende natuurlijke personen zijn die zonder gebruik van belanghebbende geen beroep zouden kunnen doen op de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, lid 2, van de Wet (wegdenkgedachte). Evenmin zouden die aandeelhouders een beroep kunnen doen op de toepassing van artikel 5 van de moeder-dochterrichtlijn3., aangezien zij natuurlijke personen zijn. De door belanghebbende aangevoerde, hiervoor in 3.1.1 vermelde, omstandigheden nemen volgens het Hof niet weg dat het ontgaan van dividendbelasting bij de aandeelhouders het hoofddoel of één van de hoofddoelen is om het belang in de BV te houden via belanghebbende.Het standpunt van belanghebbende dat de wegdenkgedachte geen gerechtvaardigde toets zou zijn in het kader van het Unierecht, heeft het Hof verworpen met verwijzing naar de rechtsoverwegingen 2.6.2 tot en met 2.6.4 van het arrest van 10 januari 2020 en naar punt 102 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (hierna: het arrest T Danmark).Op grond van dit een en ander is volgens het Hof voldaan aan de subjectieve voorwaarde.
3.2.3 Daarna heeft het Hof geoordeeld dat ook is voldaan aan de objectieve voorwaarde. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd:(a) dat het belang van belanghebbende in de BV voor de toepassing van artikel 4, lid 2, van de Wet functioneel niet kan worden toegerekend aan een materiële onderneming van belanghebbende;(b) dat bovendien van een materiële onderneming ook overigens geen sprake is;(c) dat er vanuit belanghebbende geen enkele bemoeienis is met de BV en/of door de BV gehouden belangen;(d) dat, bij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten van belanghebbende, geen sprake is van enige relevante substance en ook overigens niet is gebleken van economische activiteiten van belanghebbende, ook niet ten aanzien van de twee door haar gehouden oldtimers;(e) dat de besluitvorming van belanghebbende volledig in handen is van leden van de hiervoor in 2.2 bedoelde familie, die volledig de bestemming van de resultaten van belanghebbende kunnen bepalen; belanghebbende kan niet vrij beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit de BV.Uit deze omstandigheden heeft het Hof de conclusie getrokken dat – behoudens tegenbewijs – sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en waarmee heffing van Nederlandse dividendbelasting bij de aandeelhouders van belanghebbende wordt ontgaan. Volgens het Hof dringt zich een gelijkenis op met de in het arrest T Danmark aan de orde zijnde doorstroomvennootschappen; daarvoor acht het Hof niet vereist dat winsten direct worden uitgekeerd, maar acht het voldoende dat daartoe de mogelijkheid bestaat.
3.2.4 Belanghebbende is volgens het Hof niet geslaagd in het leveren van het van haar verlangde tegenbewijs als hiervoor in 3.2.3 bedoeld. Met de door belanghebbende aangedragen omstandigheden als hiervoor in 3.1.1 vermeld, heeft zij, aldus het Hof, geen feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat er geldige zakelijke redenen zijn die de economische realiteit weerspiegelen, althans geen andere redenen dan het ontgaan van Nederlandse dividendbelasting. Dit betekent dat niet aannemelijk is dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit, aldus het Hof.
3.3.1 Tot slot heeft het Hof zich gebogen over de door belanghebbende aangevoerde stelling dat artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet, althans de wijze waarop daaraan invulling is gegeven door middel van de subjectieve en de objectieve voorwaarde, in strijd is met het Unierecht.
3.3.2 Bij de beoordeling van die stelling heeft het Hof vooropgesteld dat de in artikel 2 [de Hoge Raad leest: artikel 1], leden 2, 3 en 4, van de moeder-dochterrichtlijn opgenomen antimisbruikbepalingen hun neerslag hebben gevonden in artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet. Deze laatste bepaling en haar toepassing dienen dan ook in overeenstemming te zijn met de moeder-dochterrichtlijn, aangezien de moeder-dochterrichtlijn van toepassing is op belanghebbendes deelneming in de BV. Voor het bewijs dat sprake is van misbruik verlangt het Unierecht – zoals is overwogen in de punten 97 en 98 van het arrest T Danmark – enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat, aldus het Hof.
3.3.3 Naar het oordeel van het Hof is op grond van zijn oordelen, zoals hiervoor in 3.2.1 tot en met 3.2.4 weergegeven, voldaan aan de Unierechtelijke criteria voor misbruik. Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende verworpen dat uit de punten 99 tot en met 106 van het arrest T Danmark volgt dat in haar geval geen sprake is van misbruik. In die punten wordt volgens het Hof weliswaar een karakterisering van doorstroomvennootschappen gegeven, maar daaruit volgt niet dat ingeval nog geen sprake is van dooruitdeling van winsten, terwijl die mogelijkheid wel bestaat dan wel de winsten op andere wijze tot de aandeelhouders kunnen komen, bijvoorbeeld door middel van (belastingvrije) verkoop van hun belang in belanghebbende, geen sprake zou zijn van misbruik. Dat belanghebbende al lang bestond vóór de invoering van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet wil niet zeggen dat er geen sprake is van een ‘tussenschuiven’, en maakt als zodanig ook niet dat geen sprake kan zijn van misbruik. Bovendien zou artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet eenvoudig te ontgaan zijn indien deze antimisbruikbepaling niet zou kunnen worden toegepast op reeds bestaande vennootschappen.
3.3.4 Het Hof heeft ook het beroep van belanghebbende op het arrest van het Hof van Justitie van 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C-504/16 en C-613/16, ECLI:EU:C:2017:1009, verworpen. Uit dat arrest kan volgens het Hof niet worden afgeleid dat ook de activiteit van een zogenoemde niet-moeiende holding onder de moeder-dochterrichtlijn als economische activiteit, en dus als niet volstrekt kunstmatig, kan worden aangemerkt, terwijl de in punt 73 van dat arrest als economische activiteit aangeduide omstandigheden zich in het geval van belanghebbende niet voordoen.
3.3.5 Het Hof heeft belanghebbende evenmin gevolgd in haar standpunt dat in haar geval artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet moet worden getoetst aan het recht op vrij verkeer van kapitaal in plaats van aan de moeder-dochterrichtlijn. De in artikel 1 van die richtlijn opgenomen antimisbruikmaatregel bevat volgens het Hof een (uitputtende) regeling die de nationale overheid geen mogelijkheid biedt daarvan af te wijken of daarbinnen nadere afwegingen/keuzes te maken. Artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet geeft uitvoering aan die antimisbruikmaatregel en kan daarom niet autonoom aan het primaire Unierecht worden getoetst. Voorts doet zich naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval geen kwestie voor waarbij de uitleg van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet dan wel van artikel 1 van de moeder-dochterrichtlijn vragen oproept omtrent het met de moeder-dochterrichtlijn in overeenstemming zijn van de nationale wet. Naar het oordeel van het Hof sluit artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet naadloos aan op artikel 1 van de moeder-dochterrichtlijn. Ook op deze grond wordt niet toegekomen aan toetsing van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet aan het primaire Unierecht, aldus het Hof.Het Hof heeft daaraan nog toegevoegd, met verwijzing naar punt 123 van het arrest T Danmark, dat in misbruiksituaties waarop de antimisbruikmaatregel uit de moeder-dochterrichtlijn van toepassing is, voor toetsing aan de in het VWEU neergelegde vrijheden geen plaats is.
3.3.6 Aan zijn hiervoor in 3.3.5 weergegeven oordelen wordt volgens het Hof niet afgedaan door hetgeen het Hof van Justitie heeft geoordeeld in zijn arrest van 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6/16, ECLI:EU:C:2017:641, omdat dat arrest ziet op de uitlegging van artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn zoals dat luidde vóór de aanpassing daarvan in 2015. Verder biedt volgens het Hof punt 37 van dat arrest geen steun aan de opvatting van belanghebbende dat geen gebruik mag worden gemaakt van de wegdenkgedachte.
3.3.7 De door belanghebbende gemaakte vergelijking met het geval van een Nederlandse houdstervennootschap met in Nederland wonende natuurlijke personen als aandeelhouders, in welk geval de BV bij winstuitkeringen aan de houdstervennootschap geen dividendbelasting zou hoeven in te houden en geen sprake is van een misbruiktoets, gaat volgens het Hof niet op. Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van gelijke gevallen, omdat bij gebruik van een Nederlandse houdstervennootschap ten minste éénmaal ten laste van de uiteindelijke aandeelhouders/natuurlijke personen Nederlandse belasting wordt geheven over het beleggingsresultaat, ongeacht of deze aandeelhouders in Nederland wonen.
3.3.8 Op grond van zijn hiervoor in 3.3.2 tot en met 3.3.7 weergegeven oordelen heeft het Hof de hiervoor in 3.3.1 vermelde stelling van belanghebbende verworpen.
4. De door het middel aangevoerde klachten
4.1
Het middel richt zich in de eerste plaats tegen het oordeel van het Hof dat is voldaan aan de subjectieve voorwaarde (zie hiervoor in 3.2.2).
4.1.1
Het betoogt onder meer dat het Hof dit oordeel kennelijk uitsluitend heeft gegrond op de wegdenkgedachte en dat dit niet juist is.
4.1.2
Volgens het middel heeft het Hof ook ten onrechte of in te vergaande mate de bewijslast bij belanghebbende gelegd.
4.1.3
Verder bestrijdt het middel in dit verband de hiervoor in 3.3.5 tot en met 3.3.7 weergegeven oordelen van het Hof. De uitleg die het Hof geeft aan artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet is volgens het middel in strijd met het primaire Unierecht, in het bijzonder met de vrijheden van artikel 20, lid 2, artikel 49 en artikel 63, lid 1, VWEU, en met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), omdat deze uitleg leidt tot een verboden verschil in behandeling tussen binnenlandse en grensoverschrijdende structuren.
4.1.4
Het oordeel van het Hof is volgens het middel bovendien onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd. Belanghebbende bestond al geruime tijd voordat de investering in de BV plaatsvond. Zij keert winsten niet uit, maar herinvesteert. Dat zij degene was die in 2018 het dividend uit de BV ontving, was niet meer dan een uitvloeisel van de al in 2011 genomen investeringsbeslissing; belanghebbende is niet opgericht of tussengeschoven met het oog op een te verwachten dividend.
4.2
Het middel richt zich in de tweede plaats, voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat wel is voldaan aan de subjectieve voorwaarde, tegen het hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordeel van het Hof dat is voldaan aan de objectieve voorwaarde dat sprake is van een kunstmatige constructie, alsmede tegen het hiervoor in 3.2.4 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende niet erin is geslaagd te bewijzen dat er geldige zakelijke redenen zijn die de economische realiteit weerspiegelen.
4.2.1
Het middel wijst hiertoe op de vaststaande feiten en op de door belanghebbende voor het Hof aangevoerde omstandigheden als hiervoor in 3.1.1 vermeld. Het middel voegt daaraan toe(a) dat belanghebbende altijd gevestigd is geweest in België en sinds haar oprichting in 2004 om de aandelen in de Belgische NV te houden en te besturen, fungeert als houdstervennootschap,(b) dat belanghebbende in 2011 haar participatie in de Belgische NV heeft verkocht en heeft geïnvesteerd in de BV, waaruit zij in 2018 ten laste van de winstreserve de dividenduitkering heeft ontvangen,(c) dat de uiteindelijke zeggenschap in belanghebbende in handen is van haar aandeelhouders, die via de algemene vergadering van aandeelhouders de bestemming van haar resultaten kunnen bepalen, en(d) dat de activiteiten van belanghebbende geen onderneming vormen en belanghebbende noch haar aandeelhouders invloed uitoefenen op het door de BV gevoerde beleid of op de door de BV gehouden investeringen.Het middel betoogt dat deze omstandigheden afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een kunstmatige constructie.
4.2.2
Het middel acht in dit verband van belang dat een buitenlandse houdstermaatschappij die geen andere economische activiteit ontplooit dan het passief houden en het aan- en verkopen van beleggingsdeelnemingen, niet reeds daarom kan worden aangemerkt als een kunstmatige constructie. Passieve inkomsten kunnen weliswaar een indicatie zijn dat nader onderzoek geboden is, maar zijn op zichzelf niet genoeg om te oordelen dat sprake is van een kunstmatige constructie. De benadering van het Hof komt in wezen erop neer dat bij grensoverschrijdende beleggingsactiviteiten steeds sprake is van misbruik van recht, hetgeen zich niet verdraagt met de rechtspraak van het Hof van Justitie over de vrijheid van kapitaalverkeer, aldus het middel.
4.2.3
Verder betoogt het middel dat in de onderhavige zaak geen enkele van de in de punten 100, 101, 102 en 106 van het arrest T Danmark genoemde bestanddelen van een kunstmatige constructie aanwezig is. Het middel wijst voorts erop dat deze zaak anders is dan het geval dat aan de orde was in het arrest van 10 januari 2020, omdat hier (i) de aandeelhouders van belanghebbende binnen de Europese Unie wonen en zelfs in dezelfde jurisdictie als waar belanghebbende is gevestigd, en (ii) geen sprake is van een structuur met tussenvoeging van een houdstervennootschap en latere verplaatsing van de fiscale vestigingsplaats van die houdstervennootschap.
4.2.4
Tot slot betoogt het middel(a) dat het Hof, voor zover het voor zijn oordeel dat sprake is van een kunstmatige constructie mede redengevend heeft geacht de hiervoor in 3.2.3, onder (e), beschreven omstandigheid dat belanghebbende niet vrij zou kunnen beschikken over de uit de BV ontvangen dividenden, een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd, dan wel zijn oordeel onbegrijpelijk of ontoereikend heeft gemotiveerd; een gebrek aan beschikkingsbevoegdheid is namelijk – gelet op punt 105 van het arrest T Danmark –alleen aanwezig als sprake is van contractuele arrangementen of daarmee feitelijk overeenkomende doorstroomsituaties, en(b) dat het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet is geslaagd in het leveren van het van haar verlangde tegenbewijs (zie hiervoor in 3.2.4), in zoverre onbegrijpelijk is dat het Hof daarbij (i) heeft meegewogen dat er geen enkele verplichting is voor belanghebbende om behaalde winsten geheel of gedeeltelijk te herinvesteren, aangezien alleen relevant is of de mogelijkheid daartoe bestaat, (ii) belang heeft gehecht aan de rol die de aandeelhouders spelen bij het nemen van de beslissing om winsten uit te keren of te herinvesteren, aangezien de besluitvorming niet relevant is voor de beoordeling of de mogelijkheid tot herinvestering een zakelijk doel is om te beleggen door middel van een houdstervennootschap, en (iii) belang heeft gehecht aan het al dan niet bestaan van een verplichting tot winstuitkering door belanghebbende, omdat het gestelde voordeel is gelegen in de mogelijkheid tot uitstel van winstuitkeringen.
5. Beoordeling van het middel
Rechtskader
5.1
Artikel 4 van de Wet (tekst 2018) luidt voor zover hier van belang:
“1 Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, indien:
a. de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of de deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa van die wet, van toepassing is op de voordelen die de tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen, winstbewijzen en geldleningen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming;
b. (…).
2 Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, indien:
a. de opbrengstgerechtigde een lichaam is dat volgens de fiscale wetgeving van:
1°. een andere lidstaat van de Europese Unie (…) aldaar is gevestigd, (…), en
b. de opbrengstgerechtigde op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld een belang in de inhoudingsplichtige heeft waarop de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of de deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa van die wet, van toepassing zou zijn indien hij in Nederland zou zijn gevestigd.
3 Het tweede lid vindt geen toepassing ingeval:
a. (…);
b. (…), of
c. de opbrengstgerechtigde het belang, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, heeft met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties waarbij:
1°. een constructie of transactie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;
2°. een constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij, onderscheidenlijk het, niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.”
5.2.1
Artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet is – evenals artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2018) – een antimisbruikbepaling waarmee uitvoering wordt gegeven aan de algemene antimisbruikbepaling uit de moeder-dochterrichtlijn. Beide bepalingen dienen dus in lijn te zijn met de antimisbruikbepalingen die worden gehanteerd op Europees niveau.4.Gelet hierop moet artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de moeder-dochterrichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van recht en de daarbij geldende regels over stelplicht en bewijslast.5.
5.2.2
In de rechtsoverwegingen 4.5.1 tot en met 4.6.6 van het arrest van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668 (hierna: het arrest van 25 april 2025), heeft de Hoge Raad uiteengezet hoe artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de moeder-dochterrichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van recht, met inbegrip van de daarbij geldende regels over stelplicht en bewijslast, een en ander zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 4.4.1 tot en met 4.4.6 van dat arrest.Gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.1 is overwogen, zijn de rechtsoverwegingen 4.5.1 tot en met 4.6.6 van het arrest van 25 april 2025 van overeenkomstige toepassing bij de uitleg en toepassing van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet.
5.2.3
Aan dit toetsingskader wordt toegevoegd dat de vraag of sprake is van een concern dat als een kunstmatige constructie kan worden beschouwd als omschreven in rechtsoverweging 4.4.3 van het arrest van 25 april 2025, moet worden beantwoord aan de hand van een onderzoek dat niet is beperkt tot de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het opzetten van de constructie. Gelet op de context van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn kan namelijk niet worden uitgesloten dat een constructie die aanvankelijk is opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, vanaf een bepaald moment als kunstmatig moet worden beschouwd omdat die constructie ondanks een wijziging in de omstandigheden in stand is gehouden. Daarom kunnen bij de beoordeling of de constructie kunstmatig is, mede feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die zich voordoen of hebben voorgedaan na de totstandkoming van de constructie.6.
5.3.1
Zoals volgt uit het arrest van 25 april 2025 en hetgeen hiervoor in 5.2.3 is overwogen, moet bij de beantwoording van de vraag of sprake is van misbruik in de zin van het Unierecht worden beoordeeld of een constructie is opgezet dan wel in stand is gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om een door het Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren of te handhaven waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Dit subjectieve element van misbruik van Unierecht bevat de bestanddelen van artikel 4, lid 3, letter c, van de Wet, dat wil zeggen zowel de subjectieve voorwaarde dat het hoofddoel of een van de hoofddoelen is om belastingheffing bij een ander te ontgaan, als de objectieve voorwaarde dat sprake is van, kort gezegd, een constructie of reeks van constructies die als kunstmatig wordt beschouwd. Daarom moet aan deze beide voorwaarden tezamen op een zodanige wijze inhoud worden gegeven dat daaraan slechts wordt voldaan indien dit subjectieve element van misbruik van recht aanwezig is.7.Voor de constatering dat sprake is van misbruik in de zin van het Unierecht moet bovendien zijn voldaan aan het vereiste dat het door (in dit geval) artikel 4, lid 2, van de Wet, uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn, beoogde doel niet wordt bereikt (het objectieve element van misbruik van Unierecht).8.
5.3.2
Een geval als het onderhavige kenmerkt zich daardoor dat:(i) in het buitenland gevestigde aandeelhouders via een in het buitenland gevestigde vennootschap een belang houden in een in Nederland gevestigde vennootschap,(ii) die structuur aanvankelijk is opgezet om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, en(iii) na een wijziging in de omstandigheden als hiervoor in 5.2.3 bedoeld (zoals in dit geval: de vervreemding door belanghebbende van haar belang in de Belgische NV), de structuur met de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap in stand is gehouden.Aangezien hetgeen hiervoor in 5.2.3 is overwogen, ook geldt voor de uitleg en toepassing van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet, kan in zo’n geval de vraag rijzen of de structuur op enig moment na die wijziging een kunstmatig karakter heeft gekregen als bedoeld in rechtsoverweging 4.4.3 van het arrest van 25 april 2025.
5.3.3
Zo’n kunstmatig karakter zal in het bijzonder kunnen worden onderkend indien die structuur niet langer kan worden gerechtvaardigd door daaraan verbonden economische en commerciële voordelen. Zoals is geoordeeld in rechtsoverweging 4.6.2 van het arrest van 25 april 2025, is het aan de inspecteur om feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, waaruit een reeks objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen voortvloeit als bedoeld in rechtsoverweging 4.4.4 van dat arrest, die erop wijzen dat zo’n rechtvaardiging ontbreekt. Indien hij daarin is geslaagd en tevens de overige aanwijzingen voor misbruik van recht als bedoeld in rechtsoverwegingen 4.6.3 en 4.6.4 van dat arrest aanwezig zijn, kan op grond daarvan worden aangenomen dat – behoudens tegenbewijs – de in stand gehouden structuur als kunstmatig moet worden beschouwd en dat daarmee misbruik van recht wordt gepleegd.9.
5.3.4
Het is vervolgens aan de belastingplichtige om, in het kader van het te leveren tegenbewijs als bedoeld in rechtsoverweging 4.6.6 van het arrest van 25 april 2025, feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat de instandhouding van de structuur kan worden gerechtvaardigd door, kort gezegd, geldige zakelijke redenen die kunnen worden gevonden in aan die structuur verbonden andere voordelen dan het dividendbelastingvoordeel van het – op de moeder-dochterrichtlijn gebaseerde – artikel 4, lid 2, van de Wet, (ii) hetzij dat, ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld, de structuur niet is gehandhaafd met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van artikel 4, lid 2, van de Wet (zoals uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn).
Het onderhavige geval
5.4.1
Met zijn hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven oordelen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat in dit geval aanwijzingen aanwezig zijn voor misbruik van recht als hiervoor in 5.3.3 bedoeld, waaronder aanwijzingen als bedoeld in de rechtsoverwegingen 4.6.3 en 4.6.4 van het arrest van 25 april 2025. Die oordelen geven, gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.1 tot en met 5.3.3 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.
5.4.2
Uit zijn hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven, in cassatie tevergeefs bestreden oordelen heeft het Hof zonder schending van enige rechtsregel de conclusie kunnen trekken dat, behoudens tegenbewijs, sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en waarmee heffing van Nederlandse dividendbelasting bij de aandeelhouders van belanghebbende wordt ontgaan.
5.4.3
In het licht van hetgeen hiervoor in 5.2.2, 5.3.3 en 5.3.4 is overwogen, geven de hiervoor in 3.2.4 weergegeven oordelen van het Hof evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Met die oordelen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat belanghebbende niet erin is geslaagd het van haar verlangde tegenbewijs te leveren, omdat enerzijds geldige zakelijke redenen als hiervoor in 5.3.4 onder (i) bedoeld, ontbreken, en anderzijds de hiervoor in 3.1.1 vermelde omstandigheden niet meebrengen dat de onderhavige structuur met belanghebbende als tussengeschakelde buitenlandse vennootschap niet is gehandhaafd met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een dividendbelastingvoordeel (de inhoudingsvrijstelling) te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van artikel 4, lid 2, letter a, van de Wet (zie hiervoor in 5.3.4 onder (ii)).In het bijzonder is het middel tevergeefs voorgesteld voor zover het betoogt dat een buitenlandse houdstervennootschap zoals belanghebbende, met passieve beleggingsactiviteiten, niet enkel vanwege haar activiteiten als een kunstmatige constructie kan worden beschouwd, en daarom steeds gerechtigd is tot de voordelen uit de moeder-dochterrichtlijn indien zij aan de daartoe in die richtlijn gestelde voorwaarden voldoet. In dit verband heeft het Hof kunnen oordelen en meewegen dat de familie die aandeelhouder is van belanghebbende, geheel naar eigen goeddunken kan beslissen om de door de BV aan belanghebbende uitgekeerde winsten al of niet aan zich te laten uitkeren dan wel te doen aanwenden voor herinvestering, en dat belanghebbende in die zin niet vrij kan beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit de BV. In dit kader heeft het Hof mede betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat voor belanghebbende geen verplichting bestaat om de van de BV ontvangen winsten geheel of gedeeltelijk te herinvesteren.De oordelen van het Hof over het tegenbewijs kunnen voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.Het middel faalt ook in zoverre.
5.4.4
Uit hetgeen hiervoor in 5.4.1 tot en met 5.4.3 is overwogen, volgt dat het middel tevergeefs betoogt dat het Hof ten onrechte of op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van Unierecht.Hiervan uitgaande faalt het middel ook, en wel op de gronden vermeld in de onderdelen 5.16 tot en met 5.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, voor zover het een beroep doet op de vrijheden van artikel 20, lid 2, artikel 49 en artikel 63, lid 1, VWEU, alsmede op het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod van de artikelen 20 en 21 van het Handvest.
5.4.5
De slotsom is dat het middel in al zijn onderdelen faalt.
6. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:541, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:572.
Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, Pb 2015, L 21.
Zie Kamerstukken II 2017/2018, 34 788, nr. 3, blz. 5-7.
Vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668, rechtsoverweging 4.3.3.
Vgl. HvJ 3 april 2025, “Nordcurrent group” UAB, C-228/24, ECLI:EU:C:2025:239, punten 34 tot en met 37.
Vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668, rechtsoverweging 4.5.1.
Vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668, rechtsoverweging 4.5.2.
Vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668, rechtsoverweging 4.6.5.
Beroepschrift 18‑07‑2025
Edelhoogachtbaar college,
Hierbij voorziet belanghebbende haar beroep van gronden en een conclusie.
I. Inleiding
1
Belanghebbende is een Belgische houdster- en investeringsmaatschappij. Haar aandelen zijn, indirect, in handen van Belgische natuurlijke personen. Zij heeft in 2018 een dividenduitkering ontvangen uit [A] BV ([A]), een Nederlandse vennootschap waarin zij een aandelenbelang van 24,39% bezit. Als belanghebbende in Nederland gevestigd zou zijn geweest, was op het ontvangen dividend de deelnemingsvrijstelling van art. 13 van de Wet Vpb van toepassing. Op grond van art. 4, lid 2, letter a, onder 1, en letter b, van de Wet Db dient daarom inhouding van dividendbelasting op de dividenduitkering in beginsel achterwege te blijven (inhoudingsvrijstelling).
2
Op grond van art. 4, lid 3, letter c, Wet Db is de inhoudingsvrijstelling op die uitkering echter niet van toepassing als:
‘de opbrengstgerechtigde het belang bedoeld in het tweede lid onderdeel b, heeft met als hoofddoel of een van de hoofddoelen de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie’
Het eerste element van deze bepaling — het ontgaansmotief — wordt hierna in overeenstemming met de wetgeschiedenis van de betreffende wettelijke bepalingen aangeduid als de subjectieve toets; het tweede element — de kunstmatige constructie — als de objectieve toets.
3
De Rechtbank heeft beslist dat geen sprake was van een kunstmatige constructie en dat de inspecteur ten onrechte de toepassing van de inhoudingsvrijstelling heeft geweigerd. Het Hof heeft echter die beslissing vernietigd en geoordeeld dat zowel aan de subjectieve als aan de objectieve toets is voldaan.
4
Belanghebbende komt tegen dat oordeel op in cassatie; zij meent dat noch aan de subjectieve, noch aan de objectieve toets is voldaan.
II. Middel van cassatie
Het Hof heeft het recht geschonden, in het bijzonder art. 4, lid 2, en art. 4, lid 3, letter c, Wet Db 1965, art. 1, leden 2, 3 en 4 van Richtlijn 2011/96/EU (de Moeder-dochterrichtlijn, MDR), artt. 20, 49 en 63 VwEU, artt. 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en art. 8:77 Awb, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de inhoudingsvrijstelling, althans doordat het Hof de bewijslast dienaangaande in te vergaande mate bij belanghebbende heeft neergelegd, zulks ten onrechte en/of op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen om één of beide van de volgende redenen:
- (a)
Het Hof heeft zijn oordeel dat belanghebbende haar belang in [A] hield met als hoofddoel of één van de hoofddoelen het ontgaan van belasting, kennelijk gegrond op de enkele omstandigheid dat de (uiteindelijke) aandeelhouders van belanghebbende natuurlijke personen zijn die zonder gebruik van belanghebbende geen beroep zouden kunnen doen op de inhoudingsvrijstelling van art. 4, lid 2, Wet DB (de wegdenkgedachte).1. De uitleg die het Hof daarmee heeft gegeven aan de subjectieve toets is onjuist, althans is 's Hofs oordeel op dit punt onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
- (b)
Bij de beoordeling of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit (de objectieve toets), heeft het Hof kennelijk bepalend geacht dat het aandelenbelang in [A] functioneel niet aan een materiële onderneming van belanghebbende kan worden toegerekend. Verder heeft het Hof van belang geacht dat geen sprake zou zijn van relevante substance, bij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten, en dat de besluitvorming van belanghebbende volledig in handen zou zijn van leden van de familie [O] zodat belanghebbende niet vrij zou kunnen beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit [A].2. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of het is onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd.
III. Toelichting
Algemeen, de verhouding tussen de subjectieve en objectieve toets
5
Het Hof heeft bij het aanleggen van de subjectieve toets en de objectieve toets het arrest BNB 2020/80 tot richtsnoer genomen.3. Dat arrest betrof het jaar 2012 en ging over de belastingplicht van een buitenlandse aanmerkelijk-belanghouder onder art. 17, lid 3 Wet Vpb. De tekst van die bepaling voor het jaar 2012 verschilt van de hierboven aangehaalde tekst van art. 4, lid 3, letter c Wet Db:
‘indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming’
6
Het Hof heeft dit verschil onderkend, maar het meent dat tussen beide formuleringen naar de bedoeling van de wetgever geen inhoudelijk verschil bestaat. Dat is niet juist. Het is duidelijk dat in de tekst van art. 17, lid 3, Wet Vpb uit 2012 doorslaggevend was of het belang behoorde tot het vermogen van een onderneming, waarvoor de Hoge Raad in BNB 2020/80 bepalend acht of het belang wordt aangehouden ter belegging. Voor art. 4, lid 3, letter c, Wet Db (tekst 2018) ligt dat anders; daar draait alles om het aan de Europeesrechtelijke jurisprudentie ontleende begrip kunstmatige constructie. Die jurisprudentie kent noch aan de afwezigheid van een materiële onderneming, noch aan de aanwezigheid van passieve beleggingsinkomsten een doorslaggevende betekenis toe (zie hieronder §§ 28–29).
7
Voor de verhouding tussen de wegdenkgedachte, de subjectieve toets en de objectieve toets kan aan BNB 2020/80 het volgende worden ontleend.
- (i)
Elk concreet geval moet in zijn geheel worden onderzocht. De rechter kan er niet mee volstaan slechts vooraf vastgestelde criteria toe te passen. Automatische toepassing van een antimisbruikmaatregel van algemene strekking zonder dat de inspecteur gehouden is ook maar een begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik over te leggen gaat verder dan nodig is ter voorkoming van misbruik (ro .2.6.5.).
- (ii)
Aan de subjectieve toets is in beginsel voldaan als de achterliggende aandeelhouder(s) over de betreffende uitdeling meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zouden zijn verschuldigd als zij het belang in de Nederlandse vennootschap rechtstreeks zouden houden (ro. 2.6.2.).
- (iii)
Vervulling van de subjectieve toets levert een vermoeden van misbruik op, dat de belastingplichtige kan ontzenuwen door feiten te stellen die erop wijzen dat geen sprake is van een kunstmatige constructie.
Belanghebbende zal in haar toelichting hieronder deze lijn volgen.
Onderdeel (a), subjectieve toets
Het Hof kent ten onrechte een absolute betekenis toe aan de wegdenkgedachte.
8
Het Hof heeft voor de subjectieve toets bepalend geacht dat de (uiteindelijke) aandeelhouders van belanghebbende natuurlijke personen zijn die zonder gebruik van belanghebbende geen beroep zouden kunnen doen op de inhoudingsvrijstelling. Op grond van deze wegdenkgedachte concludeert het Hof dat het ontgaan van dividendbelasting bij de (uiteindelijke) aandeelhouders het hoofddoel of één van de hoofddoelen is geweest van het gebruik van een houdstervennootschap. Dat wordt volgens het Hof niet weggenomen door de andere omstandigheden die belanghebbende heeft aangevoerd voor het gebruik van een houdstervennootschap.
9
De inspecteur heeft naast zijn standpunt over de wegdenktoets geen andere stellingen betrokken, laat staan bewijs geleverd, omtrent de motieven om het belang in [A] te laten houden door belanghebbende. Het Hof heeft dus slechts op grond van een algemeen geformuleerd objectief criterium — de wegdenkgedachte — aangenomen dat aan de subjectieve toets is voldaan, zonder van de inspecteur enig concreet bewijs te verlangen.
10
Daarmee heeft het Hof naar de mening van belanghebbende de bewijslast onjuist verdeeld. De wegdenktoets kan er in het stramien van BNB 2020/80 weliswaar toe leiden dat in beginsel aan de subjectieve toets wordt voldaan, maar de rechter mag niet definitief concluderen dat dat het geval is zonder van de inspecteur (een begin van) concreet bewijs te verlangen.
11
Logischerwijs kan aan de wegdenktoets wel in beginsel, maar niet zonder meer de consequentie worden verbonden dat belastingvermijding het motief geweest moet zijn.4. De wegdenktoets kan een belangrijke aanwijzing zijn: als de beslissing tot het opnemen van de belastingplichtige in de structuur niet leidt tot minder Nederlandse dividendbelasting, dan is logischerwijs uitgesloten dat vermijding van dividendbelasting daarvoor het motief is geweest. Dat betekent echter niet dat het omgekeerde ook geldt.5. Het is immers heel goed denkbaar dat andere, niet-fiscale motieven (of buitenlandse fiscale motieven) zo belangrijk zijn geweest dat de Nederlandse fiscale gevolgen überhaupt geen, of slechts een bijkomstige rol hebben gespeeld bij de beslissing. Bovendien betrekt de wegdenkgedachte alleen de gevolgen voor de Nederlandse belastingheffing in de analyse. Het is dus ook mogelijk dat een bepaalde structuur weliswaar leidt tot minder Nederlandse belasting, maar in plaats daarvan belastingdruk ontstaat in een ander land, waardoor per saldo helemaal geen belastingvoordeel optreedt. Ook in die gevallen is niet a priori aannemelijk dat vermijding van (Nederlandse) belasting een hoofddoel is van de structuur.
's Hofs oordeel dat aan de subjectieve toets is voldaan, is onbegrijpelijk.
12
Het Hof stelt vast dat belanghebbende is opgericht in 1991 en fungeert als houdstermaatschappij van een groot aantal deelnemingen, veruit de meeste in België.6. Belanghebbende heeft daar onweersproken aan toegevoegd dat zij fungeert als een ‘pooling vehicle’ dat winsten niet uitkeert, maar herinvesteert.7. Met andere woorden: belanghebbende is helemaal niet in de structuur opgenomen met het oog op de investering in [A] en zelfs niet met het oog op enige investering in Nederland. Zij bestond al decennia voordat in 2011 de investering in [A] aan de horizon verscheen. De middelen die zij heeft geïnvesteerd in [A] waren opgepotte resultaten uit haar onderneming en/of eerdere investeringen. Belanghebbende was de meest gerede entiteit om de investering in [A] te doen, simpelweg omdat zij de middelen hield waaruit die investering moest worden bekostigd. Als de familie in 2011 haar belang in [A] buiten belanghebbende om had willen houden, had zij de middelen daarvoor eerst door belanghebbende moeten laten uitkeren naar privé — wat natuurlijk Belgische belasting (roerende voorheffing) had gekost over het gehele in [A] te investeren bedrag.
13
Dat belanghebbende in 2018 degene was die het dividend uit [A] ontving, was niet meer dan een uitvloeisel van de al in 2011 genomen beslissing de door belanghebbende opgepotte middelen niet uit te keren aan de individuele familieleden, maar door belanghebbende te laten herinvesteren. Belanghebbende is niet opgericht of tussengeschoven met het oog op een te verwachten dividend, zoals kennelijk het geval was in een recente uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.8. Er heeft ook niet, zoals in BNB 2020/80, een zetelverplaatsing of iets dergelijks plaatsgevonden waardoor de Nederlandse dividendbelastingclaim werd gefrustreerd.
14
Onder die omstandigheden is, geheel los van de verdeling van de bewijslast en de rol van de wegdenktoets, onbegrijpelijk dat het Hof tot het oordeel komt dat belanghebbende haar belang in [A] hield met als hoofddoel of één van de hoofddoelen het ontgaan van Nederlandse dividendbelasting.
De rechtsopvatting van het Hof zou leiden tot door het primaire EU-recht verboden discriminatie en kan dus niet de juiste zijn.
15
De aanpak van het Hof, waarbij alleen op basis van de wegdenkgedachte (behoudens tegenbewijs) misbruik wordt aangenomen, is voorts in strijd met EU-recht. Een buitenlandse houdster met buitenlandse natuurlijke personen als (uiteindelijke) aandeelhouders zal immers altijd zakken voor de wegdenktest. Als de inspecteur alleen al daardoor van zijn bewijslast wordt verlost, zal een buitenlandse houdster dus altijd bewijs moeten leveren van achterliggende motieven, terwijl een Nederlandse houdster, of een houdster met Nederlandse aandeelhouders, zonder nader bewijs zal kunnen profiteren van de inhoudingsvrijstelling. Dit is precies wat het HvJ EU in Eqiom en Enka in strijd met het Unierecht achtte en ook in Deister Holding & Juhler Holding beschouwde als een te algemeen vermoeden van misbruik.9.
16
Als het oordeel van het Hof juist zou zijn, maakt art. 4, lid 3, onderdeel c, Wet Db een onderscheid tussen enerzijds de situatie van belanghebbende — Belgische familie houdt aandelen [A] via een Belgische houdstermaatschappij — en anderzijds de situatie waarin een Nederlandse familie aandelen [A] houdt via een Nederlandse houdstermaatschappij. In dat laatste geval behoeft [A] bij winstuitkeringen aan de tussenhoudster op grond van art. 4, lid 1 Wet Db geen dividendbelasting in te houden, zonder dat daarbij een met het derde lid te vergelijken misbruiktoets wordt aangelegd. Het is bovendien in binnenlandse verhoudingen staande jurisprudentie dat natuurlijke personen de vrijheid hebben om hun onderneming, werkzaamheden, of vermogen over te dragen aan een BV en zo de inkomsten daaruit ten goede te laten komen aan die vennootschap.10. De Nederlandse familie zou dus ook niet bang hoeven te zijn dat haar houdsterstructuur met fraus legis bestreden zou worden. De Belgische familie zou zich dus met betrekking tot de heffing van dividendbelasting over de uitkeringen door [A] in een duidelijk nadeliger situatie bevinden dan de Nederlandse.
17
Het Hof erkent weliswaar dat hier sprake is van een verschil in behandeling, maar het meent dat deze gevallen niet vergelijkbaar zijn, omdat bij een Nederlandse tussenhoudster tenminste éénmaal Nederlandse belastingheffing plaatsvindt over het beleggingsresultaat.11. Dit omdat Nederland, als een binnenlandse tussenhoudster vervolgens zelf dividend uitkeert, alsnog dividendbelasting kan heffen, terwijl dat bij een uitdeling door een Belgische houdster niet mogelijk is. Dat is echter precies de situatie die ook in Deister/Juhler en Eqiom/Enka aan de orde was en in die zaken heeft het HvJ EU beslist dat buitenlandse houdsters wél vergelijkbaar zijn met binnenlandse.12. De redenering van het Hof komt erop neer dat in grensoverschrijdende situaties altijd sprake zou (moeten) zijn van dubbele heffing, namelijk heffing door de bronstaat ten laste van de houdstervennootschap bij uitkering én de heffing ten laste aandeelhouder door de woonstaat. De consequentie is dat grensoverschrijdende investeringen als misbruik worden aangemerkt (en binnenlandse investeringen niet).
18
19
Het Hof voegt aan zijn oordeel nog toe dat in geval van het gebruik van een Nederlandse tussenhoudster er geen sprake is van toepassing van de MDR, zodat dan niet wordt toegekomen aan het toepassen van de misbruiktoets.13. Het Hof gaat daarmee geheel voorbij aan het oordeel van het HvJ EU in Miljoen, X en Société Générale14.:
‘De artikelen 63 VWEU en 65 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan op dividenden die door een ingezeten vennootschap zowel aan ingezeten belastingplichtigen als aan niet-ingezeten belastingplichtigen worden uitgekeerd een bronheffing moet worden ingehouden, waarbij enkel voor ingezeten belastingplichtigen is voorzien in een mechanisme van aftrek of teruggaaf van die inhouding, terwijl deze voor niet-ingezeten belastingplichtigen, natuurlijke personen en vennootschappen, een definitieve belasting vormt, voor zover — het is aan de verwijzende rechterlijke instanties, dit in de hoofdgedingen te verifiëren — de definitieve belastingdruk die in verband met die dividenden in die staat op niet-ingezeten belastingplichtigen komt te rusten zwaarder is dan die voor ingezeten belastingplichtigen.’
20
Het spreekt voor zich — en volgt ook uit Amurta15. — dat het voorgaande ook geldt voor een vrijstelling als de deelnemingsvrijstelling.
Uitputtende harmonisatie is niet het punt.
21
Het Hof overweegt16. dat art. 4, lid 3, onderdeel c, Wet Db niet getoetst kan worden aan het primaire EU-recht, omdat de MDR een uitputtende harmonisatie zou inhouden. Dat is echter niet het punt; ook als de MDR op dit punt een uitputtende harmonisatie beoogt, ligt niet in de rede dat die harmonisatie inhoudelijk erop neer zou komen dat lidstaten verplicht zijn bepaalde structuren als misbruik aan te merken wanneer daarbij families of houdstermaatschappijen in andere lidstaten betrokken zijn, terwijl dezelfde structuren met binnenlandse families en houdstermaatschappijen ongemoeid worden gelaten. Maar dat is, zoals hierboven uiteengezet, wel de consequentie van de interpretatie die het Hof geeft aan art. 4, lid 3, onderdeel c, Wet Db, respectievelijk art. 1, lid 2, MDR.
22
Belanghebbendes standpunt is dus niet dat de MDR getoetst moet worden aan primair EU-recht. Belanghebbende meent slechts dat de uitleg die het Hof geeft aan de Nederlandse Wet Db en de MDR niet de juiste kan zijn, omdat die uitleg zou leiden tot een verschil in behandeling tussen binnenlandse en grensoverschrijdende structuren.
23
Overigens, als de MDR een uitputtende harmonisatie inhoudt, betekent dat weliswaar dat niet getoetst kan worden aan de vrijheden van het VWEU, maar niet dat ook de toetsing aan het Handvest is uitgesloten.
Onderdeel (b), objectieve toets
Objectieve toets, globale beschouwing.
24
Uit het bovenstaande vloeit voort dat het Hof naar de mening van belanghebbende ten onrechte heeft geoordeeld dat voldaan is aan de subjectieve toets. Als de Hoge Raad op dit punt tot een ander oordeel zou komen, leidt dat tot een vermoeden van misbruik dat belanghebbende kan ontzenuwen door feiten te stellen die erop wijzen dat geen sprake is van een kunstmatige constructie. Voor dat geval gaat belanghebbende in dit onderdeel in op de feiten die door het Hof zijn vastgesteld en de redenen waarom zij meent dat op basis van die feiten van een kunstmatige constructie geen sprake kan zijn.
25
De volgende door het Hof vastgestelde, dan wel onweersproken feiten zijn van belang voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende en haar deelneming in [A] deel uitmaken van een kunstmatige constructie in zin van art. 4, lid 3, onderdeel c, Wet Db.
- (i)
Belanghebbende is gevestigd — en altijd gevestigd geweest — in België. Zij fungeert sinds haar oprichting in 1991 als participatiemaatschappij en houdt inmiddels een groot aantal — meest Belgische — investeringen (ro. 2.1.).
- (ii)
De aandelen in belanghebbende worden middellijk, via Belgische houdstermaatschappijen, gehouden door leden van de familie [O], allen eveneens inwoners van België. Belanghebbende is een ‘pooling vehicle’ waarin vermogen van de aandeelhouders is samengebracht om gezamenlijk investeringen te doen. Zij dient als platform voor herinvestering van behaalde winsten, zonder dat (belaste) uitkeringen aan de aandeelhouders hoeven plaats te vinden (ro. 5.2.7.).
- (iii)
Zo heeft belanghebbende vanaf 2011 geïnvesteerd in [A], waaruit zij op 31 juli 2018 een uitkering ten laste van de winst- en agioreserve heeft ontvangen van ruim € 0,5 mio. (ro. 2.1.).17.
- (iv)
Belanghebbende heeft zelf geen personeel in dienst en zij huurt zelf geen kantoorruimte. Het juridische en administratieve beheer van haar investeringen en het onderzoeken van mogelijke nieuwe acquisities en participaties zijn opgedragen aan verschillende personen die in dienst zijn van andere door de leden van de familie [O] gehouden vennootschappen. De daarvoor aan belanghebbende doorbelaste personeels- en kantoorkosten beliepen in 2017 ongeveer € 675.000 (ro. 2.1.).
- (v)
De uiteindelijke zeggenschap in belanghebbende is (zoals altijd bij kapitaalvennootschappen) in handen van haar aandeelhouders, die via de algemene vergadering van aandeelhouders de bestemming van haar resultaten kunnen bepalen (ro. 5.3.6.).
- (vi)
Belanghebbendes activiteiten omtrent de door haar gehouden deelnemingen vormen een onderneming, maar zij oefent geen invloed uit op het door [A] gevoerde beleid, of op de door [A] gehouden investeringen (ro. 5.3.6.).
26
Over deze feiten bestaat tussen partijen, zoals het Hof in ro. 5.3.1. vaststelt, geen verschil van mening. In cassatie gaat het slechts om de vraag of zij, afzonderlijk of tezamen, een kunstmatige constructie opleveren (welke vraag naar de mening van belanghebbende ontkennend moet worden beantwoord). Dat is een rechtsvraag, net als de vraag naar doel en strekking van de wet bij toepassing van het Nederlandse leerstuk van fraus legis. Het gaat erom of onder de hierboven geschetste objectieve omstandigheden een vrijstelling van dividendbelasting in strijd komt met het door de Unierechtelijke regeling (de MDR) beoogde doel.18.
27
Belanghebbende meent dat de juiste uitleg van art. 1, lid 2, MDR — en dus de juiste uitleg van art. 4, lid 3, onderdeel c, Wet Db — is dat geen van de hierboven in § 25 opgesomde omstandigheden, noch twee of meer van die omstandigheden tezamen, maken dat sprake is van een kunstmatige constructie. Het oordeel van het Hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Belanghebbende baseert dat in grote lijnen op de redenen die ook ten grondslag liggen aan het oordeel van de Rechtbank op dit punt.
28
Rechtbank19., Hof20. en partijen zijn het erover eens dat het begrip kunstmatige constructie in de Nederlandse wet moet worden uitgelegd in overeenstemming met de jurisprudentie daarover van het HvJ EU.
29
Daarbij is van belang dat een houdstermaatschappij die geen andere economische activiteit ontplooit dan het houden en aan- en verkopen van deelnemingen niet reeds daarom aangemerkt kan worden als een kunstmatige constructie.21. Passieve inkomsten kunnen weliswaar een indicatie zijn dat nader onderzoek geboden is, maar zijn op zichzelf niet genoeg om te oordelen dat sprake is van een kunstmatige constructie.22.
30
Het HvJ EU heeft in het arrest T Danmark & Y Denmark23. de volgende feitelijke bestanddelen opgesomd van kunstmatige constructies in de context van houdstermaatschappijen, dividendstromen en bronbelastingen.
- (i)
De tussenvoeging van een vennootschap heeft plaatsgevonden op of rond het moment van inwerkingtreding van belangrijke nieuwe belastingwetgeving (r.o. 106).
- (ii)
De betrokkenheid van entiteiten die niet zijn gevestigd in de bronstaat of de staat van de uiteindelijk gerechtigden (r.o. 100 en 102).
- (iii)
De betrokkenheid van entiteiten die zijn gevestigd buiten de EU (r.o. 102).
- (iv)
Het zeer snel na ontvangst volledig of nagenoeg volledig doorsluizen van ontvangen dividenden (ro. 101).24.
Het is natuurlijk niet gezegd dat de bestanddelen die het HvJ EU hier opsomt, de enige zijn die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een kunstmatige constructie, maar andere kenmerken zijn (vooralsnog) uit de jurisprudentie van het HvJ EU niet bekend. In elk geval is het tekenend dat we van de bestanddelen die het HvJ EU wél heeft genoemd, er geen enkele aantreffen bij de houdsterstructuur in deze zaak.
31
BNB 2020/80 bouwt voort op het arrest T Danmark & Y Denmark met de overweging25. dat een concernstructuur kan worden beschouwd als een volstrekt kunstmatige constructie:
‘indien in een concernstructuur met (een) buiten de Unie gevestigde, achterliggende aandeelhouder(s) en een in Nederland gevestigde vennootschap een binnen de Unie gevestigd lichaam is tussengeschoven (…) zonder dat dit EU-lichaam of de vestiging van het lichaam in de EU-lidstaat reële betekenis heeft.’
In het geval van belanghebbende is geen sprake van buiten de Unie gevestigde aandeelhouders die een EU-lichaam tussenschuiven, maar van een Belgische familie die gewoon in haar eigen land een investeringsmaatschappij heeft opgericht. En, anders dan in BNB 2020/80, waar de belanghebbende nog slechts als kasgeldvennootschap fungeerde, hebben belanghebbende en haar vestiging in België wel degelijk reële betekenis. Het Hof heeft immers vastgesteld dat belanghebbende in België een materiële onderneming drijft. Ook hier geldt dus dat geen van de indicatoren die de Hoge Raad noemt op belanghebbende van toepassing is.
32
Samenvattend: belanghebbende is meer dan dertig jaar geleden opgericht als gezamenlijke investeringsmaatschappij van de familie [O]. Al die jaren heeft zij investeringen gedaan, belangen verkocht en de opbrengsten opnieuw geïnvesteerd. Zij is altijd gevestigd geweest in het land — België — waar de familie woont en waar ook het merendeel van haar investeringen zich bevindt. Zij drijft haar onderneming met deskundige medewerkers en bestuurders, al zijn die in arbeidsrechtelijke zin niet bij haar in dienst, maar bij een gelieerde maatschappij, die de (aanzienlijke) kosten doorbelast. Er is, meent belanghebbende, aan een dergelijke houdsterstructuur niet kunstmatigs; er is gewoon geen sprake van een kunstmatige constructie in de betekenis die het HvJ EU aan die term geeft. De Rechtbank had het op dit punt dus bij het rechte eind.
33
In aanvulling op de algemene analyse hierboven gaat belanghebbende hierna nog in op een aantal specifieke aspecten van het oordeel van het Hof.
Toerekening aan een materiële onderneming.
34
Het Hof heeft26. voor de objectieve toets ‘bepalend’ geacht dat het aandelenbelang in [A] niet aan een materiële onderneming van belanghebbende kan worden toegerekend, hoewel in verband met activiteiten omtrent andere door haar gehouden deelnemingen wel sprake is van een materiële onderneming. Het Hof heeft voor dat oordeel ook van belang geacht dat belanghebbende geen enkele bemoeienis heeft met [A], enkel een som geld ter beschikking heeft gesteld en geen enkele invloed heeft op het uiteindelijk verkregen rendement.
35
Het gebruik van het woord ‘bepalend’ impliceert dat het Hof de niet-toerekenbaarheid aan een materiële onderneming ziet als een zelfstandig dragende grond om te kunnen oordelen tot misbruik. Het Hof is ten onrechte ervan uitgegaan dat er geen inhoudelijk verschil bestaat tussen het criterium in art. 17, lid 3, Wet Vpb (tekst 2012) — niet toerekenbaar aan het vermogen van een onderneming — en dat van art. 4, lid 3, letter c, Wet Db in het onderhavige jaar-geen kunstmatige constructie (vgl. § 6 hiervoor).
36
Er is bovendien in deze zaak door de inspecteur niets gesteld waaruit het Hof heeft kunnen opmaken dat de deelneming in [A] geen verband hield met de onderneming van belanghebbende; de feiten die zijn vastgesteld wijzen eerder op het tegendeel. Het Hof maakt niet precies duidelijk op basis van welke criteria het heeft beslist dat het belang in [A] niet aan belanghebbendes onderneming kon worden toegerekend. Het slot van ro. 5.3.6. lijkt erop te wijzen dat het passieve karakter van die deelneming voor het Hof doorslaggevend was, maar we weten uit de jurisprudentie van het HvJ EU al dat die omstandigheid geen grond kan zijn om misbruik aan te nemen (zie § 29 hierboven). Het Hof heeft dus waarschijnlijk de verkeerde maatstaf gehanteerd. Als het van de juiste maatstaf is uitgegaan, is zijn oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Personeel kan worden ingeleend en kantoorruimte kan worden gedeeld.
37
Het Hof oordeelt dat de inspecteur terecht heeft gewezen op de omstandigheid dat geen sprake is van enige relevante substance bij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten. Het Hof betrekt in dit oordeel dat de administratie van belanghebbende niet door eigen personeel wordt uitgevoerd, maar is ingehuurd van [J] Holding BV. Er zijn weliswaar kantoorfaciliteiten, maar deze staan volgens het Hof ten dienste aan de vennootschappen die de bestuursfunctie en administratie van belanghebbende verzorgen. Op basis hiervan oordeelt het Hof dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat aan de objectieve voorwaarde is voldaan.27.
38
De inspecteur heeft in zijn verweerschrift in eerste instantie in onderdeel 6.3.2.4 tot en met 6.3.2.7 gesteld dat bij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten belanghebbende geen materiële onderneming drijft. Het Hof oordeelt echter dat belanghebbende wel een materiële onderneming drijft28. (daarvoor is ingeleend personeel en gedeelde kantoorruimte kennelijk wél voldoende), 's Hofs oordeel over de beweerdelijk ontbrekende substance is onjuist. Uit de Memorie van toelichting bij de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling blijkt namelijk dat eerst beoordeeld moet worden of sprake is van een materiële onderneming. Alleen als dat niet het geval is, wordt toegekomen aan de vraag of er relevante substance is:29.
‘Als de aandeelhouder die het belang onmiddellijk houdt zelfgeen materiële onderneming uitoefent, kan ook nog steeds sprake zijn van geldige zakelijke redenen als die aandeelhouder bijvoorbeeld een schakelfunctie vervult (de zogenoemde schakelende tussenhoudster) en beschikt over relevante substance. (…) De term relevant is nieuw. Voorde aanwezigheid van relevante substance dient erin ieder geval ook te worden voldaan aan een tweetal aanvullende nieuwe criteria: het loonkostencriterium van € 100.000 en het vereiste van een eigen kantoorruimte.’
In dit geval heeft het Hof echter al geoordeeld dat belanghebbende wél een materiële onderneming drijft; de vraag naar ‘relevante substance’ is dan niet meer van belang.
39
Het loonkostencriterium in het citaat hierboven suggereert mogelijk dat personeel om tot de ‘relevante substance’ te worden gerekend daadwerkelijk in dienstbetrekking moet zijn bij de belastingplichtige zelf, maar uit het vervolg van de Memorie van toelichting blijkt uitdrukkelijk dat die eis niet wordt gesteld en dat het ook mogelijk is om personeel in te lenen binnen het concern.30. Logischerwijs kan dan ook de kantoorruimte waar dat personeel zijn werk verricht, worden gedeeld met andere entiteiten van het concern
40
Ten slotte maakt het Hof ook de vaststelling van de Rechtbank dat belanghebbende beschikt over eigen kantoorruimte in de woning van [AA] en [N] tot de zijne, zodat de vaststelling van het Hof dat belanghebbende niet over eigen kantoorruimte zou beschikken, innerlijk tegenstrijdig is.
De controle van de vennootschap door aandeelhouders leidt niet tot toerekening aan de aandeelhouders.
41
Het Hof acht mede redengevend dat de besluitvorming van belanghebbende volledig in handen is van leden van de familie [O]. Volgens het Hof kunnen zij volledig de bestemming van de resultaten van belanghebbende bepalen en kan belanghebbende daarom niet vrij beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit [A].31. Een gelijkenis met de doorstroomvennootschappen in het arrest T & Y Danmark dringt zich hier op, zegt het Hof. Het Hof vindt daarbij niet van belang dat belanghebbende haar winsten pleegt op te potten en niet uit te keren aan haar aandeelhouders. In de visie van het Hof is kennelijk elke vennootschap wier aandeelhouders uiteindelijk beslissen over de bestemming van haar resultaten een doorstroomvennootschap. Als die visie de juiste zou zijn, is elke aandelenvennootschap een doorstroomvennootschap. Dat gaat onvergelijkbaar veel verder dan het HvJ EU deed in het door het Hof aangehaalde arrest.32.
De mogelijkheid vanuit de houdster te herinvesteren is een legitiem zakelijk belang, ook als er geen verplichting tot herinvestering bestaat.
42
Een van de voordelen van het gebruik van een houdstervennootschap waarop belanghebbende heeft gewezen, is de mogelijkheid om niet-uitgekeerde winsten te herinvesteren. Het Hof acht dit op zichzelf een legitieme zakelijke reden om te beleggen door middel van een houdstervennootschap, maar vindt het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan in casu sprake is. Het Hof motiveert dat oordeel door erop te wijzen dat er geen enkele verplichting is voor belanghebbende om behaalde winsten geheel of gedeeltelijk te herinvesteren.33. Dit oordeel is onbegrijpelijk. Niet valt in te zien waarom het relevant zou zijn dat er een herinvesteringsverplichting bestaat. Het voordeel is gelegen in de mogelijkheid van herinvestering en het is klip en klaar dat die mogelijkheid bestaat voor belanghebbende en dat zij de uitkering die zij heeft ontvangen van [A] inderdaad niet heeft doorgestoten naar haar aandeelhouders, maar heeft aangehouden ter herinvestering. Voorts is onbegrijpelijk waarom het Hof in dit kader belang hecht aan de rol die de aandeelhouders — net als in iedere andere vennootschap — spelen bij het nemen van de beslissing winsten uit te keren of te herinvesteren. De besluitvorming zegt toch niets over de vraag of de mogelijkheid van herinvestering een legitiem zakelijk doel is om te beleggen door middel van een houdstervennootschap?
43
Een ander voordeel van het gebruik van een houdstervennootschap waarop belanghebbende heeft gewezen, is de mogelijkheid om belastingheffing over winstuitkeringen uit te stellen. Het Hof vermag niet in te zien waarom dit een geldige zakelijke reden is, indien er geen (directe) verplichting is om winst uit te keren door belanghebbende. Ook hier begrijpt belanghebbende niet waarom het Hof belang hecht aan het bestaan van een verplichting tot — in dit geval — winstuitkering. Het gestelde voordeel betreft immers de mogelijkheid van uitstel van winstuitkeringen. Dat er in de toekomst alsnog winstuitkeringen zouden kunnen plaatsvinden, zoals het Hof overweegt, doet daaraan evenmin iets af. Integendeel. Het bevestigt juist dat door gebruikmaking van een houdstervennootschap belastingheffing over uitgekeerde winst tot een later datum kan worden uitgesteld. Daar staat overigens tegenover dat de resultaten uit opgepotte winst bij de vennootschap in beginsel zijn onderworpen aan winstbelasting, 's Hofs oordeel op deze punten is onbegrijpelijk.
IV. Conclusie
44
Op grond van het bovenstaande kan, meent belanghebbende, de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen op de grond dat niet is voldaan aan de subjectieve en/of de objectieve toets.
45
Zo in dit geval twijfel mocht blijven bestaan aan de juiste uitleg van het begrip misbruik en/of kunstmatige constructie, zullen daaromtrent prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het HvJ EU.
46
Als de Hoge Raad, al dan niet na prejudiciële vragen aan het HvJ EU, tot het oordeel zou komen dat wél wordt voldaan aan de objectieve toets en dat aan de subjectieve toets kan worden voldaan ondanks het feit dat belanghebbende een materiële onderneming drijft, moet de subjectieve toets opnieuw tegen het licht worden gehouden. In dat geval is naar de mening van belanghebbende verwijzing nodig, om nader te onderzoeken welke de motieven waren die ten grondslag lagen aan de keuze om de aandelen [A] door haar te doen houden.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑07‑2025
Ro. 5.3.4.
Ro. 5.3.6.
Ro. 5.3.3.
Bovendien kan op basis van de wetsgeschiedenis worden verdedigd dat in dit geval de wegdenktoets überhaupt niet kon worden toegepast. Uit de voorbeelden gegeven in de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inhoudingsplicht houdstercoöperaties (Kamerstukken II 2017/18, 34 788, nr. 3, p. 8) blijkt dat de wegdenktoets stopt bij de eerste vennootschap in de keten die een onderneming drijft. Op vragen van de NOB is dat in de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2017/18, 34 788, nr. 5, p. 23) nog eens uitdrukkelijk bevestigd, zonder dat daarbij de eis is gesteld dat het belang in de deelneming functioneel kan worden toegerekend aan de onderneming van de tussenholding. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende een onderneming dreef en belanghebbende had dus door het Hof niet mogen worden weggedacht bij de beoordeling van de subjectieve toets.
Simpel voorbeeld: Een kip is een dier met een snavel en veren. Dus als ik een dier zie dat geen snavel en geen veren heeft, weet ik zeker dat het geen kip is. Maar als het wél een snavel en veren heeft, rechtvaardigt dat niet zonder meer de gevolgtrekking dat we met een kip van doen hebben. Het zou bijvoorbeeld ook een eend kunnen zijn.
Ro. 2.1 en 2.2.
Ro. 5.2.7.
Rb Zeeland-West-Brabant, 4 mei 2022, V-N 2022/33.10.
HvJ EU 7 september 2017, C-6/16, Eqiom SAS en Enka SA, ro. 55–56 en HvJ EU 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S ro. 89–90.
HR 17 november 1993, BNB 1994/37, ro. 3.4 en HR 15 juni 1994, BNB 1994/231, ro. 7.
Ro. 5.3.18.
HvJ EU 7 september 2017, C-6/16, Eqiom SAS en Enka SA, ro. 60 en HvJ EU 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, ro. 93. In deze arresten zijn ook de door de betrokken bronstaten aangevoerde rechtvaardigingsgronden — misbruikbestrijding en evenwichtige verdeling van heffingsgrondslag — verworpen (respectievelijk ro. 65 en ro. 99).
Ro. 5.3.18.
HvJ EU 17 september 2015, C-10/14, C-14/14 en C-17/14, Miljoen, X en Société Générale.
HvJ EU 8 november 2007, C-379/05, Amurta.
Ro. 5.3.14
In r.o. 2.1 wordt een uitkering genoemd van € 2.082.518, dit betreft de gehele uitkering door [A]. Belanghebbende houdt een belang van 24,39% en ontving dus € 507.931. Hierop is 5% dividendbelasting ingehouden, d.w.z. € 25.397, zie r.o. 1.1.
HvJ EU 14 december 2000, C-110/99, Emsland-Starke, ro. 52.
Ro. 17.
Ro. 5.3.5.
HvJ EU 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, ro. 73.
HvJ EU 26 februari 2019, C-135/17, X GmbH, ro. 86.
HvJ EU 26 februari 2019, C-116/16 en C-117/16.
Anders dan het Hof in ro.5.3.6. van de bestreden uitspraak, ziet het HvJ EU dus niet al misbruik op grond van het enkele feit dat de mogelijkheid bestaat van dooruitdeling op een (veel) later tijdstip.
Ro. 2.6.7.
Ro. 5.3.6.
Ro 5.3.6.
Ro 5.3.6.
Ro 5.3.6.
HvJ EU 26 februari 2019, C-116/16 en C-117/16, ro. 105.
Ro. 5.3.7.
Uitspraak 18‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Dividendbelasting; art 4, lid 3, letter c, Wet op de dividendbelasting 1965 (tekst 2018); buitenlandse AB-regeling; kunstmatige constructie? strijd met Unierecht?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02695
Datum 18 juli 2025
ARREST
in de zaak van
[X] N.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juni 2022, nr. 20/004391., op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 19/862) betreffende inhouding van dividendbelasting.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M. Sanders, advocaat, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door M. Sanders voornoemd.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 26 mei 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.1
Belanghebbende is een in 1991 naar Belgisch recht opgerichte en in België gevestigde naamloze vennootschap, waarvan de aandelen worden gehouden door twee Belgische besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (BVBA’s), die (middellijk) worden gehouden door leden van één in België woonachtige familie, die in elk geval bestaat uit een broer (hierna: de broer) en een zus (hierna: de zus).
2.1.2
Het bestuur van belanghebbende wordt gevormd door een van de BVBA’s en een Belgische naamloze vennootschap (hierna: de NV) waarvan de aandelen worden gehouden door de broer.
2.1.3
Eind 2017 is de aandeelhouder van de andere BVBA, namelijk de zus, eveneens benoemd tot bestuurder van belanghebbende.
2.2
Belanghebbende houdt in het onderhavige jaar (2018) minderheids- en meerderheidsbelangen in zeventien, hoofdzakelijk Belgische en Nederlandse, vennootschappen. Een van die belangen betreft een deelneming van 24,39 procent in een in Nederland gevestigde besloten vennootschap (hierna: de BV) die fungeert als een zogeheten ‘feeder vennootschap’ voor een fonds van een Nederlands private-equityhuis. De BV heeft naast belanghebbende nog vier andere aandeelhouders. Zij heeft als enige bezitting een belang van 13,57 procent in een besloten vennootschap die commanditair vennoot is in een commanditaire vennootschap met minderheidsbelangen in diverse portfolio-investeringen. Zowel de BV en de commanditaire vennoot, als de beherende vennoot van de commanditaire vennootschap worden bestuurd door (werknemers van) het private-equityhuis. De portfolio-investeringen worden feitelijk beheerd door werknemers van het private-equityhuis. Het middellijke belang van belanghebbende in de individuele portfolio-investeringen varieert van 0,33 procent tot 0,61 procent.
2.3
De broer en zijn echtgenote verrichten – via de NV en de hiervoor in 2.1.2 bedoelde BVBA – managementwerkzaamheden respectievelijk juridische en administratieve werkzaamheden voor onder meer belanghebbende. Zij verrichten die werkzaamheden vanuit een daarvoor ingerichte werkruimte in hun woning. De BVBA en de NV brengen jaarlijks een managementvergoeding in rekening aan belanghebbende, waarvan de hoogte afhankelijk is van het geïnvesteerde vermogen van belanghebbende.Belanghebbende heeft geen werknemers in dienst.De broer verricht naast zijn werkzaamheden voor belanghebbende bestuurswerkzaamheden bij vier Belgische deelnemingen van belanghebbende, die alle een materiële onderneming drijven. Ook onderzoekt hij mogelijke acquisities ten behoeve van participatie door belanghebbende.
2.4
Op 31 juli 2018 heeft de BV een dividenduitkering aan belanghebbende gedaan (hierna: de dividenduitkering). Op de dividenduitkering is 5 procent dividendbelasting ingehouden. Het door belanghebbende tegen deze inhouding gemaakte bezwaar is door de Inspecteur afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en bepaald dat de ten laste van belanghebbende geheven dividendbelasting aan haar wordt teruggegeven.
3. De oordelen van het Hof
3.1.1 Voor het Hof heeft de Inspecteur zich erop beroepen dat artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: de Wet) in de weg staat aan de door belanghebbende bepleite vrijstelling van dividendbelasting op grond van lid 2 van dat artikel. Het Hof heeft geoordeeld dat op de Inspecteur de bewijslast rust de in de hiervoor genoemde letter c gestelde omstandigheden aannemelijk te maken. Die bewijslast ziet volgens het Hof op de vraag of het belang in de BV door belanghebbende is gehouden met als hoofddoel of één van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (hierna: de subjectieve voorwaarde) en op de vraag of sprake is van een kunstmatige (reeks van) constructie(s) of (samenstel van) transactie(s) (hierna: de objectieve voorwaarde). Slaagt de Inspecteur in deze bewijslast dan heeft belanghebbende de mogelijkheid aannemelijk te maken dat de – in beginsel bewezen – kunstmatige constructie of transactie is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, aldus het Hof.
3.1.2 Belanghebbende heeft voor het Hof het standpunt ingenomen dat zij recht heeft op de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, lid 2, van de Wet, omdat in haar geval is voldaan aan de subjectieve noch de objectieve voorwaarde. Zij heeft daartoe de volgende omstandigheden aangevoerd:(i) het gebruik van een houdstervennootschap beperkt de aansprakelijkheid voor de schulden van de vennootschap;(ii) de verkoop van beleggingen en andere investeringen kan gemakkelijker plaatsvinden door de levering van aandelen in plaats van alle activa en passiva;(iii) belanghebbende fungeert als ‘pooling vehicle’ voor de broer en de zus, waardoor het mogelijk is om grotere bedragen te investeren en daarmee markten te betreden die anders gesloten zouden blijven;(iv) uitstel van Belgische belastingheffing van de aandeelhouders is mogelijk tot het moment van winstuitkering. Hierdoor kunnen winsten worden geherinvesteerd. De winsten zijn weliswaar onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting, maar verliezen zijn aftrekbaar;(v) er is geen verplichting voor belanghebbende om winst uit te keren en die winst is in dit geval ook niet uitgekeerd;(vi) belanghebbende moet bij winstuitkeringen aan haar aandeelhouders 30 procent Belgische roerende voorheffing inhouden; die heffing bedraagt dus meer dan het tarief in box 2 van de Wet IB 2001;(vii) een actieve betrokkenheid bij de BV van belanghebbende of haar aandeelhouders is niet vereist;(viii) belanghebbende en haar (uiteindelijke) aandeelhouders zijn in dezelfde lidstaat gevestigd.
3.2.1 Voor het antwoord op de vraag of de Inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat zowel aan de subjectieve als aan de objectieve voorwaarde is voldaan, heeft het Hof het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21 (hierna: het arrest van 10 januari 2020), tot richtsnoer genomen. Naar zijn oordeel kan op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet worden aangenomen dat de wetgever met de invoering van dat artikel geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd ten opzichte van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2012), welke antimisbruikbepaling aan de orde was in het arrest van 10 januari 2020, zodat dat arrest ook van belang is voor de uitleg en toepassing van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet.
3.2.2 Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur in verband met de vraag of voldaan is aan de subjectieve voorwaarde, terecht heeft gewezen op de omstandigheid dat de (uiteindelijke) aandeelhouders van belanghebbende natuurlijke personen zijn die zonder gebruik van belanghebbende geen beroep zouden kunnen doen op de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, lid 2, van de Wet (wegdenkgedachte). Evenmin zouden die (uiteindelijke) aandeelhouders een beroep kunnen doen op de toepassing van artikel 5 van de moeder-dochterrichtlijn3., aangezien zij natuurlijke personen zijn. De door belanghebbende aangevoerde, hiervoor in 3.1.2 vermelde, omstandigheden nemen volgens het Hof niet weg dat het ontgaan van dividendbelasting bij de (uiteindelijke) aandeelhouders het hoofddoel of één van de hoofddoelen is om het belang in de BV te houden via belanghebbende. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de subjectieve voorwaarde tot hetzelfde resultaat zou leiden indien deze zou worden toegepast op de hiervoor in 2.1.1 genoemde (houdster)vennootschappen door middel van welke de uiteindelijke aandeelhouders/natuurlijke personen het belang in belanghebbende houden.Het standpunt van belanghebbende dat de wegdenkgedachte geen gerechtvaardigde toets zou zijn in het kader van het Unierecht, heeft het Hof verworpen met verwijzing naar de rechtsoverwegingen 2.6.2. tot en met 2.6.4 van het arrest van 10 januari 2020 en naar punt 102 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (hierna: het arrest T Danmark).Op grond van dit een ander is volgens het Hof voldaan aan de subjectieve voorwaarde.
3.2.3 Daarna heeft het Hof geoordeeld dat ook is voldaan aan de objectieve voorwaarde. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd:(a) dat het belang van belanghebbende in de BV voor de toepassing van artikel 4, lid 2, van de Wet functioneel niet kan worden toegerekend aan een materiële onderneming van belanghebbende, hoewel bij belanghebbende in verband met activiteiten omtrent andere door haar gehouden deelnemingen, wel sprake is van een dergelijke onderneming;(b) dat er vanuit belanghebbende geen enkele bemoeienis is met de BV en/of door de BV gehouden belangen;(c) dat, bij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten van belanghebbende, geen sprake is van enige relevante substance. De administratie van belanghebbende wordt namelijk niet door eigen personeel uitgevoerd, maar door personeel dat is ingehuurd van de hiervoor in 2.1.2 bedoelde BVBA. Er zijn weliswaar kantoorfaciliteiten, maar deze staan ten dienste van de vennootschappen die de bestuursfunctie en administratie verzorgen (de NV en de hiervoor in 2.1.2 bedoelde BVBA); gesteld noch gebleken is dat belanghebbende er een eigen kantoor op nahoudt;(d) dat de besluitvorming van belanghebbende volledig in handen is van leden van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde familie, die volledig de bestemming van de resultaten van belanghebbende kunnen bepalen; belanghebbende kan niet vrij beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit de BV.Uit deze omstandigheden heeft het Hof de conclusie getrokken dat – behoudens tegenbewijs – sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en waarmee heffing van Nederlandse dividendbelasting bij de (uiteindelijke) aandeelhouders van belanghebbende wordt ontgaan. Volgens het Hof dringt zich een gelijkenis op met de in het arrest T Danmark aan de orde zijnde doorstroomvennootschappen; daarvoor acht het Hof niet vereist dat winsten direct worden uitgekeerd, maar acht het voldoende dat daartoe de mogelijkheid bestaat. Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat niet reeds omdat belanghebbende een materiële onderneming drijft, geen sprake is van misbruik. Anders zou de antimisbruikbepaling eenvoudig kunnen worden omzeild door het belang in het uitkerende lichaam onder te brengen bij een vennootschap met andere activiteiten, zonder dat deze laatste enige (beheer)activiteiten ten aanzien van het uitkerende lichaam verricht, aldus het Hof.
3.2.4 Belanghebbende is volgens het Hof niet geslaagd in het leveren van het van haar verlangde tegenbewijs als hiervoor in 3.2.3 bedoeld. Met de door belanghebbende aangedragen omstandigheden als hiervoor in 3.1.2 vermeld, heeft zij, aldus het Hof, geen feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat er geldige zakelijke redenen zijn die de economische realiteit weerspiegelen, althans geen andere redenen dan het ontgaan van Nederlandse dividendbelasting. Dit betekent dat niet aannemelijk is dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit, aldus het Hof.
3.3.1 Tot slot heeft het Hof zich gebogen over de door belanghebbende aangevoerde stelling dat artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet, althans de wijze waarop daaraan invulling is gegeven door middel van de subjectieve en de objectieve voorwaarde, in strijd is met het Unierecht.
3.3.2 Bij de beoordeling van die stelling heeft het Hof vooropgesteld dat de in artikel 2 [de Hoge Raad leest: artikel 1], leden 2, 3 en 4, van de moeder-dochterrichtlijn opgenomen antimisbruikbepalingen hun neerslag hebben gevonden in artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet. Deze laatste bepaling en haar toepassing dienen dan ook in overeenstemming te zijn met de moeder-dochterrichtlijn aangezien de moeder-dochterrichtlijn van toepassing is op belanghebbendes deelneming in de BV. Voor het bewijs dat sprake is van misbruik verlangt het Unierecht – zoals is overwogen in de punten 97 en 98 van het arrest T Danmark – enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat, aldus het Hof.
3.3.3 Naar het oordeel van het Hof is op grond van zijn oordelen, zoals hiervoor in 3.2.1 tot en met 3.2.4 weergegeven, voldaan aan de Unierechtelijke criteria voor misbruik. Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende verworpen dat uit de punten 99 tot en met 106 van het arrest T Danmark volgt dat in haar geval geen sprake is van misbruik. In die punten wordt volgens het Hof weliswaar een karakterisering van doorstroomvennootschappen gegeven, maar daaruit volgt niet dat ingeval nog geen sprake is van dooruitdeling van winsten, terwijl die mogelijkheid wel bestaat dan wel de winsten op andere wijze tot de aandeelhouders kunnen komen, bijvoorbeeld door middel van (belastingvrije) verkoop van hun belang in belanghebbende, geen sprake zou zijn van misbruik. Dat belanghebbende al lang bestond vóór de invoering van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet wil niet zeggen dat er geen sprake is van een ‘tussenschuiven’, en maakt als zodanig ook niet dat geen sprake kan zijn van misbruik. Bovendien zou artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet eenvoudig te ontgaan zijn indien deze antimisbruikbepaling niet zou kunnen worden toegepast op reeds bestaande vennootschappen.
3.3.4 Het Hof heeft ook het beroep van belanghebbende op het arrest van het Hof van Justitie van 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C-504/16 en C-613/16, ECLI:EU:C:2017:1009, verworpen. Uit dat arrest kan volgens het Hof niet worden afgeleid dat ook de activiteit van een zogenoemde niet-moeiende holding onder de moeder-dochterrichtlijn als economische activiteit, en dus als niet volstrekt kunstmatig, kan worden aangemerkt, terwijl de in punt 73 van dat arrest als economische activiteit aangeduide omstandigheden zich in het geval van belanghebbende niet voordoen.
3.3.5 Het Hof heeft belanghebbende evenmin gevolgd in haar standpunt dat in haar geval artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet moet worden getoetst aan het recht op vrij verkeer van kapitaal in plaats van aan de moeder-dochterrichtlijn. De in artikel 1 van die richtlijn opgenomen anti-misbruikmaatregel bevat volgens het Hof een (uitputtende) regeling die de nationale overheid geen mogelijkheid biedt daarvan af te wijken of daarbinnen nadere afwegingen/keuzes te maken. Artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet geeft uitvoering aan die antimisbruikmaatregel en kan daarom niet autonoom aan het primaire Unierecht worden getoetst. Voorts doet zich naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval geen kwestie voor waarbij de uitleg van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet dan wel van artikel 1 van de moeder-dochterrichtlijn vragen oproept omtrent het met de moeder-dochterrichtlijn in overeenstemming zijn van de nationale wet. Naar het oordeel van het Hof sluit artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet naadloos aan op artikel 1 van de moeder-dochterrichtlijn. Ook op deze grond wordt niet toegekomen aan toetsing van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet aan het primaire Unierecht, aldus het Hof.Het Hof heeft daaraan nog toegevoegd, met verwijzing naar punt 123 van het arrest T Danmark, dat in misbruiksituaties waarop de antimisbruikmaatregel uit de moeder-dochterrichtlijn van toepassing is, voor toetsing aan de in het VWEU neergelegde vrijheden geen plaats is.
3.3.6 Aan zijn hiervoor in 3.3.5 weergegeven oordelen wordt volgens het Hof niet afgedaan door hetgeen het Hof van Justitie heeft geoordeeld in zijn arrest van 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6/16, ECLI:EU:C:2017:641, omdat dat arrest ziet op de uitlegging van artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn zoals dat luidde vóór de aanpassing daarvan in 2015. Verder biedt volgens het Hof punt 37 van dat arrest geen steun aan de opvatting van belanghebbende dat geen gebruik mag worden gemaakt van de wegdenkgedachte.
3.3.7 De door belanghebbende gemaakte vergelijking met het geval van een Nederlandse tussenhoudstervennootschap met in Nederland wonende natuurlijke personen als aandeelhouders, in welk geval de BV bij winstuitkeringen aan de tussenhoudster geen dividendbelasting zou hoeven in te houden en geen sprake is van een misbruiktoets, gaat volgens het Hof niet op. Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van gelijke gevallen, omdat bij gebruik van een Nederlandse tussenhoudstervennootschap ten minste éénmaal ten laste van de uiteindelijke aandeelhouders/natuurlijke personen Nederlandse belasting wordt geheven over het beleggingsresultaat, ongeacht of deze aandeelhouders in Nederland wonen.
3.3.8 Op grond van zijn hiervoor in 3.3.2 tot en met 3.3.7 weergegeven oordelen heeft het Hof de hiervoor in 3.3.1 vermelde stelling van belanghebbende verworpen.
4. De door het middel aangevoerde klachten
4.1
Het middel richt zich in de eerste plaats tegen het oordeel van het Hof dat is voldaan aan de subjectieve voorwaarde (zie hiervoor in 3.2.2).
4.1.1
Het betoogt onder meer dat het Hof dit oordeel kennelijk uitsluitend heeft gegrond op de wegdenkgedachte en dat dit niet juist is.
4.1.2
Volgens het middel heeft het Hof ook ten onrechte of in te vergaande mate de bewijslast bij belanghebbende gelegd.
4.1.3
Verder bestrijdt het middel in dit verband de hiervoor in 3.3.5 tot en met 3.3.7 weergegeven oordelen van het Hof. De uitleg die het Hof geeft aan artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet is in strijd met het primaire Unierecht, in het bijzonder met de vrijheden van artikel 20, lid 2, artikel 49 en artikel 63, lid 1, VWEU, en met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), omdat deze uitleg leidt tot een verboden verschil in behandeling tussen binnenlandse en grensoverschrijdende structuren.
4.1.4
Het oordeel van het Hof is volgens het middel bovendien onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd. Belanghebbende bestond al geruime tijd voordat de investering in de BV plaatsvond en is niet in de structuur opgenomen met het oog op de investering in de BV en zelfs niet met het oog op enige investering in Nederland. Belanghebbende keert winsten niet uit, maar herinvesteert. De middelen die zij heeft geïnvesteerd in de BV waren opgepotte resultaten uit haar onderneming en/of eerdere investeringen. Belanghebbende was de meest gerede entiteit om de investering in de BV te doen, omdat zij de middelen hield waaruit die investering moest worden bekostigd. Als de hiervoor in 2.1.1 bedoelde familie in 2011 haar belang in de BV buiten belanghebbende om had willen houden, had zij de middelen daarvoor eerst door belanghebbende moeten laten uitkeren naar privé, hetgeen Belgische belasting (roerende voorheffing) zou hebben gekost over het gehele in de BV te investeren bedrag.
4.2
Het middel richt zich in de tweede plaats, voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat wel is voldaan aan de subjectieve voorwaarde, tegen het hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordeel van het Hof dat is voldaan aan de objectieve voorwaarde dat sprake is van een kunstmatige constructie, alsmede tegen het hiervoor in 3.2.4 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende niet erin is geslaagd te bewijzen dat er geldige zakelijke redenen zijn die de economische realiteit weerspiegelen.
4.2.1
Het middel wijst hiertoe op de vaststaande feiten en op de door belanghebbende voor het Hof aangevoerde omstandigheden als hiervoor in 3.1.2 vermeld. Het middel voegt daaraan toe(a) dat belanghebbende altijd gevestigd is geweest in België en sinds haar oprichting in 1991 fungeert als participatiemaatschappij en inmiddels een groot aantal, meest Belgische, investeringen houdt,(b) dat belanghebbende in 2011 heeft geïnvesteerd in de BV, waaruit zij in 2018 ten laste van de winstreserve de dividenduitkering heeft ontvangen,(c) dat de uiteindelijke zeggenschap in belanghebbende in handen is van haar aandeelhouders, die via de algemene vergadering van aandeelhouders de bestemming van haar resultaten kunnen bepalen, en(d) dat de activiteiten van belanghebbende een onderneming vormen, maar belanghebbende noch haar aandeelhouders invloed uitoefenen op het door de BV gevoerde beleid of op de door de BV gehouden investeringen.Het middel betoogt dat deze omstandigheden afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een kunstmatige constructie.
4.2.2
Het middel acht in dit verband van belang dat een buitenlandse houdstermaatschappij die geen andere economische activiteit ontplooit dan het passief houden en het aan- en verkopen van beleggingsdeelnemingen, niet reeds daarom kan worden aangemerkt als een kunstmatige constructie. Passieve inkomsten kunnen weliswaar een indicatie zijn dat nader onderzoek geboden is, maar zijn op zichzelf niet genoeg om te oordelen dat sprake is van een kunstmatige constructie, aldus het middel.
4.2.3
Verder betoogt het middel dat in de onderhavige zaak geen enkele van de in de punten 100, 101, 102 en 106 van het arrest T Danmark genoemde bestanddelen van een kunstmatige constructie aanwezig is. Het middel wijst voorts erop dat deze zaak anders is dan het geval dat aan de orde was in het arrest van 10 januari 2020, omdat hier (i) de achterliggende aandeelhouders van belanghebbende binnen de Europese Unie wonen en “gewoon in hun eigen land” een investeringsmaatschappij (belanghebbende) hebben opgericht, en (ii) belanghebbende geen kasgeldvennootschap is maar reële betekenis heeft; zij drijft immers een materiële onderneming.
4.2.4
Tot slot betoogt het middel(a) dat het Hof, voor zover het voor zijn oordeel dat sprake is van een kunstmatige constructie mede redengevend heeft geacht de hiervoor in 3.2.3, onder (d), beschreven omstandigheid dat belanghebbende niet vrij zou kunnen beschikken over de uit de BV ontvangen dividenden, een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd; de kennelijke visie van het Hof dat elke vennootschap waarvan de aandeelhouders uiteindelijk beslissen over de bestemming van haar resultaten, een doorstroomvennootschap is, gaat veel verder dan hetgeen volgt uit het arrest T Danmark, en(b) dat het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet is geslaagd in het leveren van het van haar verlangde tegenbewijs (zie hiervoor in 3.2.4), in zoverre onbegrijpelijk is dat het Hof daarbij (i) heeft meegewogen dat er geen enkele verplichting is voor belanghebbende om behaalde winsten geheel of gedeeltelijk te herinvesteren, aangezien alleen relevant is of de mogelijkheid daartoe bestaat, (ii) belang heeft gehecht aan de rol die de aandeelhouders spelen bij het nemen van de beslissing om winsten uit te keren of te herinvesteren, aangezien de besluitvorming niet relevant is voor de beoordeling of de mogelijkheid tot herinvestering een zakelijk doel is om te beleggen door middel van een houdstervennootschap, en (iii) belang heeft gehecht aan het al dan niet bestaan van een verplichting tot winstuitkering door belanghebbende, omdat het gestelde voordeel is gelegen in de mogelijkheid tot uitstel van winstuitkeringen.
5. Beoordeling van het middel
Rechtskader
5.1
Artikel 4 van de Wet (tekst 2018) luidt voor zover hier van belang:
“1 Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, indien:
a. de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of de deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa van die wet, van toepassing is op de voordelen die de tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen, winstbewijzen en geldleningen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming;
b. (…).
2 Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, indien:
a. de opbrengstgerechtigde een lichaam is dat volgens de fiscale wetgeving van:
1°. een andere lidstaat van de Europese Unie (…) aldaar is gevestigd, (…), en
b. de opbrengstgerechtigde op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld een belang in de inhoudingsplichtige heeft waarop de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of de deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa van die wet, van toepassing zou zijn indien hij in Nederland zou zijn gevestigd.
3 Het tweede lid vindt geen toepassing ingeval:
a. (…);
b. (…), of
c. de opbrengstgerechtigde het belang, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, heeft met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties waarbij:
1°. een constructie of transactie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;
2°. een constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij, onderscheidenlijk het, niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.”
5.2.1
Artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet is – evenals artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2018) – een antimisbruikbepaling waarmee uitvoering wordt gegeven aan de algemene antimisbruikbepaling uit de moeder-dochterrichtlijn. Beide bepalingen dienen dus in lijn te zijn met de antimisbruikbepalingen die worden gehanteerd op Europees niveau.4.Gelet hierop moet artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de moeder-dochterrichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van recht en de daarbij geldende regels over stelplicht en bewijslast.5.
5.2.2
In de rechtsoverwegingen 4.5.1 tot en met 4.6.6 van het arrest van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668 (hierna: het arrest van 25 april 2025), heeft de Hoge Raad uiteengezet hoe artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de moeder-dochterrichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van recht, met inbegrip van de daarbij geldende regels over stelplicht en bewijslast, een en ander zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 4.4.1 tot en met 4.4.6 van dat arrest.Gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.1 is overwogen, zijn de rechtsoverwegingen 4.5.1 tot en met 4.6.6 van het arrest van 25 april 2025 van overeenkomstige toepassing bij de uitleg en toepassing van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet.
5.2.3
Aan dit toetsingskader wordt het volgende toegevoegd.Uit de in artikel 1, lid 2, tweede alinea, van de moeder-dochterrichtlijn gegeven precisering volgt dat een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan. In dit verband blijkt uit overweging 8 van de preambule van de moeder-dochterrichtlijn dat het mogelijk is dat slechts bepaalde stappen of onderdelen van zo’n constructie kunstmatig zijn en daarom onder de antimisbruikbepaling vallen.Het kan dan ook niet worden uitgesloten dat een constructie is opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, maar dat deze tevens stappen of onderdelen bevat die als kunstmatig moeten worden beschouwd.Verder geldt dat de vraag of sprake is van een concern dat als een kunstmatige constructie kan worden beschouwd als omschreven in rechtsoverweging 4.4.3 van het arrest van 25 april 2025, moet worden beantwoord aan de hand van een onderzoek dat niet is beperkt tot de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het opzetten van de constructie. Gelet op de context van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn kan namelijk evenmin worden uitgesloten dat een constructie die aanvankelijk is opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, vanaf een bepaald moment als kunstmatig moet worden beschouwd omdat die constructie ondanks een wijziging in de omstandigheden in stand is gehouden of omdat als kunstmatig aan te merken stappen of onderdelen daaraan zijn toegevoegd. Daarom kunnen bij de beoordeling of de constructie dan wel de desbetreffende stap of het desbetreffende onderdeel ervan kunstmatig is, mede feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die zich voordoen of hebben voorgedaan na de totstandkoming van de constructie.6.
5.3.1
Zoals volgt uit het arrest van 25 april 2025 en hetgeen hiervoor in 5.2.3 is overwogen, moet bij de beantwoording van de vraag of sprake is van misbruik in de zin van het Unierecht worden beoordeeld of een constructie is opgezet dan wel is gewijzigd in die zin dat daaraan stappen of onderdelen zijn toegevoegd met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om een door het Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Dit subjectieve element van misbruik van Unierecht bevat de bestanddelen van artikel 4, lid 3, letter c, van de Wet, dat wil zeggen zowel de subjectieve voorwaarde dat het hoofddoel of een van de hoofddoelen is om belastingheffing bij een ander te ontgaan, als de objectieve voorwaarde dat sprake is van, kort gezegd, een constructie of reeks van constructies die als kunstmatig wordt beschouwd. Daarom moet aan deze beide voorwaarden tezamen op een zodanige wijze inhoud worden gegeven dat daaraan slechts wordt voldaan indien dit subjectieve element van misbruik van recht aanwezig is.7.Voor de constatering dat sprake is van misbruik in de zin van het Unierecht moet bovendien zijn voldaan aan het vereiste dat het door (in dit geval) artikel 4, lid 2, van de Wet, uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn, beoogde doel niet wordt bereikt (het objectieve element van misbruik van Unierecht).8.
5.3.2
Een geval als het onderhavige kenmerkt zich daardoor dat:- in het buitenland gevestigde aandeelhouders via een in het buitenland gevestigde tussenhoudstervennootschap (zoals in dit geval: belanghebbende) belangen houden in diverse andere buitenlandse en Nederlandse vennootschappen (hierna ook: deelnemingen);- een aantal van die deelnemingen een materiële onderneming drijft en dat de tussenhoudster deze deelnemingen actief beheert en bestuurt;- de overige deelnemingen, waaronder een in Nederland gevestigde vennootschap (zoals in dit geval: de BV), uitsluitend beleggen in portfolio-investeringen en dat de tussenhoudster met betrekking tot deze deelnemingen geen andere economische activiteit ontplooit dan het passief houden ervan.Aangezien hetgeen hiervoor in 5.2.3 is overwogen, ook geldt voor de uitleg en toepassing van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet, kan in zo’n geval de vraag rijzen of een of meer stappen of onderdelen van de structuur een kunstmatig karakter hebben als bedoeld in rechtsoverweging 4.4.3 van het arrest van 25 april 2025.
5.3.3
Zo’n kunstmatige stap of onderdeel zal in het bijzonder kunnen worden onderkend indien die stap of dat onderdeel van de structuur niet kan worden gerechtvaardigd door daaraan verbonden economische en commerciële voordelen. Zoals is geoordeeld in rechtsoverweging 4.6.2 van het arrest van 25 april 2025, is het aan de inspecteur om feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, waaruit een reeks objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen voortvloeit als bedoeld in rechtsoverweging 4.4.4 van dat arrest, die erop wijzen dat zo’n rechtvaardiging ontbreekt. Indien hij daarin is geslaagd en tevens de overige aanwijzingen voor misbruik van recht als bedoeld in rechtsoverwegingen 4.6.3 en 4.6.4 van dat arrest aanwezig zijn, kan op grond daarvan worden aangenomen dat – behoudens tegenbewijs – de desbetreffende stap of het desbetreffende onderdeel van de structuur als kunstmatig moet worden beschouwd en dat daarmee misbruik van recht wordt gepleegd.9.
5.3.4
Het is vervolgens aan de belastingplichtige om, in het kader van het te leveren tegenbewijs als bedoeld in rechtsoverweging 4.6.6 van het arrest van 25 april 2025, feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat de desbetreffende stap of het desbetreffende onderdeel van de structuur kan worden gerechtvaardigd door, kort gezegd, geldige zakelijke redenen die kunnen worden gevonden in aan die stappen of onderdelen verbonden andere voordelen dan het dividendbelastingvoordeel van het – op de moeder-dochterrichtlijn gebaseerde – artikel 4, lid 2, van de Wet, (ii) hetzij dat, ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld, de desbetreffende stap of het desbetreffende onderdeel van de structuur niet is toegevoegd met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van artikel 4, lid 2, van de Wet (zoals uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn).
Het onderhavige geval
5.4.1
Met zijn hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven oordelen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat in dit geval aanwijzingen aanwezig zijn voor misbruik van recht als hiervoor in 5.3.3 bedoeld, waaronder aanwijzingen als bedoeld in de rechtsoverwegingen 4.6.3 en 4.6.4 van het arrest van 25 april 2025. Die oordelen geven, gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.1 tot en met 5.3.3 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit geldt in het bijzonder ook voor zover het Hof ervan is uitgegaan dat de enkele omstandigheid dat belanghebbende een materiële onderneming drijft, niet reeds meebrengt dat van misbruik geen sprake kan zijn, maar dat bepalend is of de deelneming van belanghebbende in de BV functioneel aan die materiële onderneming kan worden toegerekend, wat volgens het Hof niet het geval is. Voortbouwend op dit uitgangspunt en oordeel, heeft het Hof kunnen onderzoeken of de onderhavige structuur in zoverre, wat betreft het houden van die deelneming, kunstmatig is. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.3.2 is overwogen, is het immers ook mogelijk dat slechts bepaalde stappen of onderdelen van een structuur kunstmatig zijn en daarom onder deze antimisbruikbepaling vallen.De hiervoor weergegeven oordelen van het Hof kunnen voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.Het middel faalt in zoverre.
5.4.2
Uit zijn hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven, in cassatie tevergeefs bestreden oordelen heeft het Hof zonder schending van enige rechtsregel de conclusie kunnen trekken dat, behoudens tegenbewijs, de tussenschakeling van belanghebbende als buitenlandse vennootschap om de deelneming in de BV te houden, een kunstmatige constructie is die geen verband houdt met de economische realiteit en waarmee is beoogd om de heffing van Nederlandse dividendbelasting bij de aandeelhouders van belanghebbende te ontgaan. Aldus is het hiervoor in de eerste alinea van 5.3.1 weergegeven subjectieve element van misbruik van Unierecht aanwezig.Op grond van die conclusie heeft het Hof eveneens zonder schending van enige rechtsregel kunnen aannemen – hetgeen het, naar in de hiervoor bedoelde oordelen van het Hof besloten ligt, heeft gedaan – dat tevens is voldaan aan het andere Unierechtelijke vereiste voor misbruik, te weten het hiervoor in de tweede alinea van 5.3.1 weergegeven doelvereiste.
5.4.3
In het licht van hetgeen hiervoor in 5.2.2, 5.3.3 en 5.3.4 is overwogen, geven de hiervoor in 3.2.4 weergegeven oordelen van het Hof evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Met die oordelen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat belanghebbende niet erin is geslaagd het van haar verlangde tegenbewijs te leveren, omdat wat betreft het onderhavige onderdeel van de structuur – de tussenschakeling van belanghebbende als buitenlandse vennootschap om de deelneming in de BV te houden – de hiervoor in 3.1.2 vermelde omstandigheden enerzijds geen geldige zakelijke redenen opleveren als hiervoor in 5.3.4 onder (i) bedoeld, en anderzijds niet meebrengen dat dit onderdeel van de structuur niet is toegevoegd met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een dividendbelastingvoordeel (de inhoudingsvrijstelling) te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van artikel 4, lid 2, letter a, van de Wet (zie hiervoor in 5.3.4 onder (ii)).In dit verband heeft het Hof kunnen oordelen en meewegen dat de familie die aandeelhouder is van belanghebbende, geheel naar eigen goeddunken kan beslissen om de door de BV aan belanghebbende uitgekeerde winsten al of niet aan zich te laten uitkeren dan wel te doen aanwenden voor herinvestering, en dat belanghebbende in die zin niet vrij kan beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit de BV. In dit kader heeft het Hof mede betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat voor belanghebbende geen verplichting bestaat om de van de BV ontvangen winsten geheel of gedeeltelijk te herinvesteren.De oordelen van het Hof over het tegenbewijs kunnen voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.Het middel faalt ook in zoverre.
5.4.4
Uit hetgeen hiervoor in 5.4.1 tot en met 5.4.3 is overwogen, volgt dat het middel tevergeefs betoogt dat het Hof ten onrechte of op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van Unierecht.Hiervan uitgaande faalt het middel ook, en wel op de gronden vermeld in de onderdelen 5.16 tot en met 5.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, voor zover het een beroep doet op de vrijheden van artikel 20, lid 2, artikel 49 en artikel 63, lid 1, VWEU, alsmede op het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod van de artikelen 20 en 21 van het Handvest.
5.4.5
De slotsom is dat het middel in al zijn onderdelen faalt.
6. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:540, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:572.
Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, Pb 2015, L 21.
Zie Kamerstukken II 2017/2018, 34 788, nr. 3, blz. 5-7.
Vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668, rechtsoverweging 4.3.3.
Vgl. HvJ 3 april 2025, “Nordcurrent group” UAB, C-228/24, ECLI:EU:C:2025:239, punten 34 tot en met 37.
Vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668, rechtsoverweging 4.5.1.
Vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668, rechtsoverweging 4.5.2.
Vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668, rechtsoverweging 4.6.5.
Conclusie 26‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 26 mei 2023 met de rolnummers 22/02691, ECLI:NL:PHR:2023:541 en 22/02695, ECLI:NL:PHR:2023:540.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
P.J. WattelADVOCAAT-GENERAAL
Gemeenschappelijke bijlage
bij de conclusies van 26 mei 2023 met de rolnummers 22/02691 en 22/02695
inzake
Artikel 4(3)(c) Wet op de dividendbelasting (weigering inhoudingsvrijstelling bij misbruik) Derde Kamer A
1. Ten geleide
1.1
Deze bijlage gaat bij twee conclusies over de toepassing van art. 4(3)(c) Wet op de dividendbelasting (Wet Divb), dat bedoeld is om misbruik van de inhoudingsvrijstelling van dividendbelasting in art. 4(2) Wet Divb te voorkomen. De beide belanghebbenden zijn in België gevestigde vennootschappen waarvan de middellijke respectievelijk onmiddellijke aandeelhouders leden van families zijn die in België wonen. Beide belanghebbenden houden via Nederlandse tussenhoudsters een indirect belang in een Nederlands gevestigde CV beheerd en bestuurd door het private equity-huis [B] .
1.2
Beide belanghebbenden hebben in 2018 dividend ontvangen uit zo’n Nederlandse tussenhoudster. Daarop is 5% Nederlandse dividendbelasting ingehouden. Waren de belanghebbenden in Nederland gevestigd geweest, dan zouden die dividenden onder de deelnemingsvrijstelling van art. 13 Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb) zijn gevallen en zou daarom ex art. 4(2) Wet op de dividendbelasting (Wet Divb) inhouding van dividendbelasting achterwege zijn gebleven. In geschil is of de belanghebbenden recht hebben op die inhoudingsvrijstelling dan wel art. 4(3)(c) DivB dat in hun gevallen uitsluit. Die bepaling sluit vrijstelling uit als (i) het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het indirecte houderschap van het dividendproducerende belang is om de heffing van dividend-belasting bij een ander (de uiteindelijke aandeelhouders) te ontgaan (door de wetgever de ‘subjectieve’ toets genoemd) en (ii) die indirecte gerechtigdheid een kunstmatige constructie is (door de wetgever ‘objectieve’ toets genoemd).
1.3
Het Hof Amsterdam1.heeft in beide zaken de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing geacht omdat zijns inziens in beide zaken voldaan is aan die twee misbruiktoetsen, uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) over de antimisbruikbepalingen in de EU-moeder-dochterrichtlijn (MDR) waarvan art. 4(3)(c) Divb de implementatie is.
1.4
Beide cassatieberoepen richten zich tegen ‘s Hofs uitleg en toepassing van de subjectieve en de objectieve toets in art. 4(3)(c) DivB en van het EU-recht.
1.5
In deze gemeenschappelijke bijlage behandel ik de voor beide zaken relevante wet- en regelgeving (onderdeel 2), de parlementaire geschiedenis van die wetgeving (onderdeel 3), nationale en EU-rechtspraak (onderdeel 4) en literatuur (onderdeel 5).
1.6
Ik behandel de individuele cassatieberoepen in twee separate conclusies, die niettemin grotendeels gelijk luiden, nu ook de cassatieberoepschriften en verweerschriften grotendeels gelijk luiden, hoewel de feitencomplexen in beide zaken uiteen lopen, met name op de punten van substance van de belanghebbenden en (on)middellijkheid van het aandeelhouderschap van de natuurlijke personen in de belanghebbenden..
2. Wet- en regelgeving
2.1
De relevante bepalingen van de Wet op de dividendbelasting en de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting luiden als volgt (tekst 2018):
Art. 1 Wet DivB 1. Onder de naam 'dividendbelasting' wordt een directe belasting geheven van degenen, die - rechtstreeks of door middel van certificaten - gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in (…) aan in Nederland gevestigde naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, (…) en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. (…).
Art. 2 Wet DivB De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in artikel 1 bedoelde aandelen, (…).
Art. 4 Wet DivB 1. (…) 2. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengsten van aandelen (…) indien: a. de opbrengstgerechtigde een lichaam is dat volgens de fiscale wetgeving van: 1°. een andere lidstaat van de Europese Unie of (…), of 2°. (…), en b. de opbrengstgerechtigde op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld een belang in de inhoudingsplichtige heeft waarop de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of de deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa van die wet, van toepassing zou zijn indien hij in Nederland zou zijn gevestigd. 3. Het tweede lid vindt geen toepassing ingeval: (…). c.de opbrengstgerechtigde het belang, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, heeft met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties waarbij: 1°.een constructie of transactie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan; 2°.een constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij, onderscheidenlijk het, niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. (…). 12. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de bepaling van hetgeen wordt verstaan onder geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen als bedoeld in het derde lid, onderdeel c.
Art. 5 Wet DivB De belasting bedraagt 15% van de opbrengst.
Art. 1bis Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting2.“Ingeval de opbrengstgerechtigde een relatie legt tussen activiteiten van lichamen binnen een keten is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c, van de Wet op de dividendbelasting 1965 sprake indien:
a. ten minste de helft van het totale aantal statutaire en beslissingsbevoegde bestuursleden van de opbrengstgerechtigde woont of feitelijk is gevestigd in de staat waarin de opbrengstgerechtigde is gevestigd;b. de in de staat, bedoeld in onderdeel a, wonende of gevestigde bestuursleden beschikken over de benodigde professionele kennis om hun taken naar behoren uit te voeren, tot welke taken ten minste behoort de besluitvorming, op grond van de eigen verantwoordelijkheid van de opbrengstgerechtigde en binnen het kader van de normale concernbemoeienis, over door de opbrengstgerechtigde af te sluiten transacties, alsmede het zorg dragen voor een goede afhandeling van de afgesloten transacties;c. de opbrengstgerechtigde beschikt over gekwalificeerd personeel voor de adequate uitvoering en registratie van de door de opbrengstgerechtigde af te sluiten transacties;d. in de staat, bedoeld in onderdeel a, de bestuursbesluiten van de opbrengstgerechtigde worden genomen;e. in de staat, bedoeld in onderdeel a, de belangrijkste bankrekeningen van de opbrengstgerechtigde worden aangehouden;f. in de staat, bedoeld in onderdeel a, de boekhouding van de opbrengstgerechtigde wordt gevoerd;g. de opbrengstgerechtigde een bedrag aan loonkosten heeft dat een vergoeding vormt voor de werkzaamheden ten behoeve van het leggen van de relatie, bedoeld in de aanhef, en dat gelijk is aan € 100.000 vermenigvuldigd met de woonlandfactor die ingevolge de bijlage geldt voor de staat waarin de opbrengstgerechtigde is gevestigd, enh. de opbrengstgerechtigde gedurende een periode van ten minste 24 maanden een in de staat, bedoeld in onderdeel a, gelegen onroerende zaak of deel van een onroerende zaak ter beschikking heeft waarbij zich in die onroerende zaak, onderscheidenlijk dat deel, een kantoor bevindt dat is voorzien van gebruikelijke faciliteiten voor de uitoefening van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel g, en die werkzaamheden ook daadwerkelijk in dat kantoor worden uitgeoefend.”
2.2
Art. 10 van het Belastingverdrag met België3.bepaalt dat in casu hoogstens 5% dividendbelasting mag worden ingehouden:
“1. Dividenden betaald door een vennootschap die inwoner is van een verdragsluitende Staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende Staat, mogen in die andere Staat worden belast.2. Deze dividenden mogen echter ook in de verdragsluitende Staat waarvan de vennootschap die de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden inwoner is van de andere verdragsluitende Staat, mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan:a. 5 percent van het brutobedrag van de dividenden indien de uiteindelijk gerechtigde een vennootschap is die onmiddellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van de vennootschap die de dividenden betaalt;b. 15 percent van het brutobedrag van de dividenden in alle andere gevallen.(…).”
2.3
Het geciteerde art. 4(2) DivB is op 1 januari 2018 ingevoerd bij de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling.4.De inhoudingsvrijstelling geldt sindsdien niet alleen voor uitkeringen aan opbrengstgerechtigden in de EU en de EER, maar voor uitkeringen naar alle staten waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten waarin een afspraak is opgenomen over dividend.5.Bij diezelfde wet is ook de antimisbruikbepaling in art. 4(3) DivB ingevoerd. Deze bepaling is volgens de wetsgeschiedenis zowel in lijn met de general anti abuse rule (GAAR) in de EU-Moeder/dochterrichtlijn6.(MDR) als een implementatie van de principal purpose test (PPT) van action 6 van het BEPS7.-project van de OESO (preventing the granting of treaty benefits in inappropriate circumstances).8.
2.4
De MDR-GAAR heeft voor de EU-lidstaten misbruikbestrijding veranderd van een bevoegdheid (zie lid 4 van art. 1) in een verplichting (zie lid 2). Art. 1 MDR luidt als volgt:
“1. (…)2. De lidstaten kennen de voordelen van deze richtlijn niet toe voor een constructie of een reeks van constructies die is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, en die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig is. Een constructie kan uit verscheidene stappen of onderdelen bestaan.3. Voor de toepassing van lid 2 wordt een constructie of een reeks van constructies als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.4. Deze richtlijn vormt geen beletsel voor de toepassing van nationale of verdragsrechtelijke bepalingen ter bestrijding van belastingontduiking, belastingfraude en misbruik.”
Art. 5 MDR geeft de hoofdregel voor de dividendbelastingheffing in EU-grensoverschrijdende (>10%-)deelnemingsverhoudingen:
“De door een dochteronderneming aan de moedermaatschappij uitgekeerde winst wordt vrijgesteld van bronbelasting.”
2.5
De voorganger van de antimisbruikmaatregel in het in 2.1 geciteerde art. 4(3) Wet DivB was art. 17(3)(b) Wet Vpb, dat in 2016 tot 2018 als volgt luidde:
“1. Ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven naar het belastbare Nederlandse bedrag; (…).2. Het belastbare Nederlandse bedrag is het in een jaar genoten Nederlandse inkomen verminderd met (…).3. Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:a. (…);b. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap (…) indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies waarbij:1° een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;2° een constructie of reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen;c (…).”
De Rechtbank en het Hof hebben in de twee zaken waarop deze bijlage ziet, verwezen naar HR BNB 2020/80 (zie 4.6 hieronder), dat over het belastingjaar 2012 ging. Van 2012 tot 2016 luidde art. 17 Wet Vpb als volgt:
“1.Ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven naar het belastbare Nederlandse bedrag; (…).2. Het belastbare Nederlandse bedrag is het in een jaar genoten Nederlandse inkomen verminderd met (…).3. Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:a. (…)b. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap (…) indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming;c (…).”
3. Wetsgeschiedenis
3.1
De Memorie van Toelichting bij de invoering van art. 4(3) Wet Divb vermeldt onder meer:9.
“2.3.1. Huidige nationale antimisbruikbepalingAls gevolg van de implementatie van de in Richtlijn 2015/121/EU8 opgenomen algemene antimisbruikbepaling is een bepaling in de wet opgenomen voor de bestrijding van misbruik in moeder-dochterrelaties.10.De huidige nationale antimisbruikbepaling komt er in het kort op neer dat moet worden getoetst of het belang in het Nederlandse lichaam (gehouden door het dividendontvangende lichaam) wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen het ontgaan van belastingheffing (subjectieve toets) en de structuur niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (objectieve toets). Dit laatste wordt getoetst aan de hand van de beoordeling of voldoende substance aanwezig is bij het dividendontvangende lichaam.
2.3.3.
Nieuwe nationale antimisbruikbepaling De nieuwe nationale antimisbruikbepaling is in lijn met de algemene antimisbruikbepaling uit de MDR en de implementatie van de PPT uit actiepunt 6 van het BEPS-project. (…). De bepaling houdt in dat de inhoudingsvrijstelling toepassing mist als sprake is van misbruik.
Ingevolge de voorgestelde antimisbruikbepaling is sprake van misbruik indien – kort gezegd – de aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap of houdstercoöperatie worden gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van dividendbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie (objectieve toets). Om te bepalen of het hoofddoel of één van de hoofddoelen is gelegen in het ontgaan van de heffing van dividendbelasting bij een ander wordt een vergelijking gemaakt tussen de situatie dat de aandelen of de lidmaatschapsrechten in het uitdelende, in Nederland gevestigde lichaam worden gehouden door de belastingplichtige (het lichaam dat de aandelen of lidmaatschapsrechten in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt) ten opzichte van de situatie dat de aandelen of de lidmaatschapsrechten rechtstreeks zouden worden gehouden door de achterligger(s) die – onmiddellijk of middellijk – de aandelen of lidmaatschapsrechten in de belastingplichtige (de zogenoemde wegdenkgedachte). Indien de situatie zonder tussenkomst van de belastingplichtige niet zou leiden tot een hogere Nederlandse dividendbelastingclaim, zal er geen sprake zijn van het ontgaan van dividendbelasting bij een ander. Deze toetsing vindt steeds plaats op het moment van uitkering. Indien wel sprake is van het ontgaan van dividendbelasting bij een ander moet vervolgens worden beoordeeld of er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie. Net als bij de huidige antimisbruikbepalingen wordt een constructie als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de substance van het lichaam dat het belang in het Nederlandse lichaam onmiddellijk houdt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien het lichaam dat het belang houdt een materiële onderneming drijft, dat wil zeggen een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die met een winstoogmerk deelneemt aan het economische verkeer, en het belang in dat Nederlandse lichaam functioneel tot zijn ondernemingsvermogen kan worden gerekend. Hierbij is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten aanzien van het bestaande begrippenkader, waaronder de begrippen ondernemen en beleggen. Als de aandeelhouder die het belang onmiddellijk houdt zelf geen materiële onderneming uitoefent, kan ook nog steeds sprake zijn van geldige zakelijke redenen als die aandeelhouder bijvoorbeeld een schakelfunctie vervult (de zogenoemde schakelende tussenhoudster) en beschikt over relevante substance. De wijze waarop beoordeeld wordt of sprake is van een schakelfunctie wijzigt niet ten opzichte van het huidige beleid. Wat onder een schakelfunctie moet worden verstaan, is aan de orde gekomen tijdens de parlementaire behandeling van Overige fiscale maatregelen 2010.11.Van een schakelfunctie is sprake indien de tussenhoudster een relatie legt tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van haar kleindochtermaatschappij(en). De term relevant is nieuw. Voor de aanwezigheid van relevante substance dient er in ieder geval ook te worden voldaan aan een tweetal aanvullende nieuwe criteria: het loonkostencriterium van € 100.000 en het vereiste van een eigen kantoorruimte.12.
Indien voldaan wordt aan de criteria, wil dit zeggen dat zowel de constructie (het houden van aandelen/lidmaatschapsrechten) als de transactie (bijvoorbeeld de winstuitdeling of vervreemding) niet kunstmatig is en er dus sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.”
(p.11)
Antimisbruikbepaling(…).Ingevolge de Wet implementatie van de wijzigingen van de Moeder-dochterrichtlijn 2015 zijn met ingang van 1 januari 2016 de in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) en de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) opgenomen bepalingen voor de bestrijding van misbruik in moeder-dochterrelaties aangepast. De in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen antimisbruikbepaling borduurt voort op die aanpassingen. Dit betekent dat er geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten aanzien van het bestaande begrippenkader, waaronder de begrippen beleggen en ondernemen. Voor de vraag of de inhoudingsvrijstelling van toepassing is dient eerst op het niveau van de aandeelhouder die het belang onmiddellijk houdt, dan wel het lid, te worden getoetst of sprake is van misbruik. Dit betekent dat nog steeds in alle gevallen – dus zowel wanneer het belang tot het ondernemingsvermogen behoort als wanneer dat niet het geval is – getoetst moet worden of het belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van dividendbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets), en zo ja, of er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie (objectieve toets). Net als bij de huidige antimisbruikbepalingen wordt een constructie als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de substance van het lichaam dat het belang in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt. Bij de objectieve toets speelt het ondernemingsvereiste een rol bij het vaststellen of sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Daarvan is namelijk bijvoorbeeld sprake als de aandeelhouder die het belang in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt een materiële onderneming drijft en dat belang ook functioneel tot het vermogen van die onderneming kan worden gerekend. Ook bij een schakelende tussenhoudster is er sprake van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen indien voldaan wordt aan de criteria voor relevante substance.”
(p. 20-21)Hierna wordt kort ingegaan op de (nieuwe) voorwaarden met betrekking tot het loonkostencriterium en de aanwezigheid van een eigen kantoorruimte. De overige voorwaarden zijn ontleend aan de voorwaarden voor het in behandeling nemen van een verzoek tot zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van een voorgenomen transactie (of samenstel van transacties) van houdsters in internationale structuren.13.
Het loonkostencriterium is opgenomen naar aanleiding van de motie Grashoff c.s. van 20 januari 2017.14.In deze motie wordt gepleit voor substance-eisen met het oog op het terugdringen van brievenbus-bv’s en wordt een loonsomcriterium een kansrijke benadering genoemd. Hoewel de motie is gericht op inkomende dividendstromen – dat wil zeggen dat het gaat om de substance van een tussenhoudster in Nederland – wordt het loonkostencriterium in ieder geval passend geacht voor het onderhavige wetsvoorstel dat betrekking heeft op uitgaande dividendstromen waarbij het gaat om de substance van de betreffende (tussen)houdster in het buitenland. Het bedrag van € 100.000 representeert een loonsom die, naar Nederlandse maatstaven, in het licht van een tussenhoudster die een schakelfunctie vervult als een realistische beloning kan worden beschouwd. Daarbij wordt deze norm vertaald naar de maatstaven van de staat waarin de tussenhoudster is gevestigd. Op die wijze wordt rekening gehouden met het welvaartsniveau van de staat waarin de tussenhoudster is gevestigd. Indien bijvoorbeeld aldaar in zijn algemeenheid een veel lager loon gebruikelijk is dan in Nederland, wordt hierdoor de minimumnorm dienovereenkomstig naar beneden bijgesteld. Gezien het bovenstaande zal het loonkostencriterium naar verwachting in de praktijk niet tot onredelijke uitkomsten leiden. Bij het loonkostencriterium hoeft personeel niet in dienst te zijn bij de tussenhoudster zelf, maar is het ook mogelijk om personeel in te lenen binnen het concern dat meetelt voor de loonkosten, mits sprake is van relevantie. Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake indien de werkzaamheden louter ondersteunend zijn of ondergeschikt aan de houdsterwerkzaamheden. Het gaat bij een loonkostencriterium erom dat aan de tussenhoudster voldoende loonkosten kunnen worden toegerekend ten aanzien van relevante werkzaamheden ten behoeve van de schakelfunctie die voor rekening en risico van de tussenhoudster worden uitgeoefend. (…). Hierbij dienen de houdsterwerkzaamheden te worden uitgeoefend in het land waar de tussenhoudster is gevestigd. Het gaat hierbij alleen om de toerekening. Het is niet relevant of het land waar de tussenhoudster is gevestigd ook heffingsbevoegd is over het loon (vergoeding voor de schakelwerkzaamheden). Het vereiste van de aanwezigheid van een eigen kantoorruimte is ontleend aan de Belastingwet BES. Ten aanzien van het vereiste van de eigen kantoorruimte wordt opgemerkt dat het niet volstaat dat de kantoorruimte alleen wordt gehuurd of in bezit is. Vereist is dat de kantoorruimte ook feitelijk wordt gebruikt voor de uitoefening van de werkzaamheden ten behoeve van de schakelfunctie. Het voldoen aan het vereiste van ten minste 24 maanden zou aannemelijk kunnen worden gemaakt aan de hand van het feit dat de tussenhoudster de onroerende zaak (of een deel daarvan) in eigendom heeft of beschikt over een huurcontract dat nog ten minste 24 maanden zal lopen. Ook ingeval de kantoorruimte op het moment dat de opbrengst ter beschikking wordt gesteld nog niet gedurende een periode van 24 maanden aan de tussenhoudster ter beschikking heeft gestaan, kan aan het vereiste worden voldaan, tenzij op dat moment reeds bekend is dat niet aan de voorwaarde van ten minste 24 maanden zal worden voldaan.
3.2
De Nota naar aanleiding van het verslag in de Tweede Kamer15.herhaalt dat als bij wegdenken van de (directe) opbrengstgerechtigde meer dividendbelasting is verschuldigd dan zonder diens wegdenken, aan het subjectieve vereiste van het doel van ontgaan van belasting bij een ander is voldaan.
3.3
Ook de Nota naar aanleiding van het verslag in de Eerste Kamer16.herhaalt dat en voegt daar aan toe dat, nu die toets moet plaatsvinden op het moment waarop het a.b.-voordeel of het dividend wordt ontvangen, niet op voorhand van een safe harbour kan worden gesproken. Verder vermeldt die Nota onder meer:17.
“(…). Er kan in zoverre dus niet op voorhand worden gesproken van een safe harbor. Indien op basis van de subjectieve toets sprake is van een ontgaansmotief, kan de objectieve toets in feite als een vorm van tegenbewijs worden beschouwd. Een alternatieve vorm van tegenbewijs binnen de subjectieve toets herbergt het risico dat de antimisbruikbepaling een loze bepaling zou kunnen worden. Daarnaast stuit dat op uitvoeringstechnische bezwaren. Ten aanzien van een tegenbewijsmogelijkheid is het kabinet van mening dat er naar de huidige stand van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) geen sprake is van strijdigheid met het EU-recht. Dit geldt ook met betrekking tot de zaak Eqiom18., zoals eerder aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bij onderhavig wetsvoorstel19..”
(p. 26) “De leden van de fractie van de VVD vragen of het juist is dat een schakelfunctie alleen kan zien op 100%-belangen in een ondernemingsstructuur en hoe hierbij wordt omgegaan met meer gevarieerde beleggingsstructuren. Ik bevestig dat een schakelfunctie ook kan zien op belangen kleiner dan 100% indien bij alle aandeelhouders of leden er sprake is van een ondernemingsstructuur. In het geval er een of meer aandeelhouders of leden zijn waarbij geen sprake is van een ondernemingsstructuur kan dus geen sprake zijn van een schakelfunctie.”
(p. 27) “De leden van de fractie van de VVD vragen wat precies bedoeld wordt met het woord functioneel. Dit begrip speelt een rol bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie. Een constructie wordt als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de substance van het lichaam dat het belang in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien het lichaam dat het belang houdt een materiële onderneming drijft en het belang in dat in Nederland gevestigde lichaam functioneel tot zijn ondernemingsvermogen kan worden gerekend. Of een belang in een in Nederland gevestigd lichaam functioneel tot het ondernemingsvermogen kan worden gerekend hangt af van de concrete feiten en omstandigheden in het voorliggende geval. De vraag die hierbij centraal staat is of het belang al dan niet wordt aangehouden als belegging.”
3.4
De Staatssecretaris van Financiën heeft als volgt geantwoord op vragen tijdens het wetsoverleg van 30 oktober 2017, benadrukkend dat “voor de invulling van het ontgaans-criterium aansluiting kan worden gezocht bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (…) over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het EU-recht:”20.
“Mevrouw De Vries vraagt of het klopt dat de antimisbruikbepaling nog steeds een ondernemingsvereiste bevat dat mogelijk strijdig is met het recht van de Europese Unie (EU) en, zo nee, waarom er geen sprake is van strijdigheid met het EU-recht. Op basis van de voorgestelde antimisbruikbepaling is niet per definitie sprake van misbruik enkel en alleen vanwege het ontbreken van een materiële onderneming. De voorgestelde antimisbruikbepaling borduurt voort op de thans al in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) en in de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) opgenomen antimisbruikbepalingen voor de bestrijding van misbruik in moeder-dochterrelaties die ingevolge de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 met ingang van 1 januari 2016 zijn aangescherpt. Dit betekent dat er geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten aanzien van het in de praktijk bestaande begrippenkader, waaronder de begrippen beleggen en ondernemen.
Bovendien kan voor de invulling van het ontgaanscriterium aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het EU-recht.21.Ten aanzien van het ondernemingsvereiste is het kabinet van mening dat er naar de huidige stand van de jurisprudentie van het HvJ EU geen sprake is van strijdigheid met het EU-recht.”
3.5
Zoals al bleek, was vóór de invoering van art. 4(3) Wet DivB – tot 2018 - een vergelijkbare antimisbruikmaatregel opgenomen in art. 17(3)(b) Wet Vpb, die per 1 januari 2016 was aangepast aan de aanscherping van de antimisbruikbepalingen in de MDR. De MvT bij die aanpassing – ten opzichte waarvan dus geen inhoudelijke wijziging werd beoogd met de invoering van art. 4(3) Wet Divb – vermeldde onder meer het volgende (ik laat voetnoten weg):22.
“Bij de toepassing van de hiervoor genoemde antimisbruikbepalingen zal in de praktijk voor beleggingsstructuren materieel de huidige lijn worden voortgezet. Dat wil zeggen dat bij belangen die ter belegging worden gehouden, wordt geheven op grond van de buitenlandse AB-regeling [art. 17(3)(b) Wet Vpb; PJW]. Voor ondernemingsstructuren zullen de wijzigingen betekenen dat heffing op grond van de buitenlandse AB-regeling en de inhoudingsplicht bij niet-reële coöperaties aan de orde is indien er onvoldoende substance aanwezig is bij degene die het belang rechtstreeks houdt. Voor een nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.”
(p. 9) “Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de substance van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt. Van geldige zakelijke redenen zal in ieder geval sprake zijn indien de vennootschap die het belang houdt een materiële onderneming drijft en het aanmerkelijk belang ook functioneel tot het ondernemingsvermogen kan worden gerekend. Ook een tophoudster die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep kan worden geacht het aanmerkelijk belang om geldige zakelijke redenen te houden. Indien de vennootschap die het belang rechtstreeks houdt zelf geen materiële onderneming drijft, kan niettemin sprake zijn van geldige zakelijke redenen indien deze vennootschap als tussenhoudster een zogenoemde schakelfunctie vervult. Van een schakelfunctie is sprake indien de tussenhoudster een relatie legt tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van haar kleindochtermaatschappij(en).
Wat onder een schakelfunctie moet worden verstaan is aan de orde gekomen tijdens de parlementaire behandeling van de wijzigingen in de deelnemingsvrijstelling in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2010. De geldige zakelijke redenen zullen bij de tussenhoudster bovendien tot uitdrukking moeten komen in de aanwezigheid van substance. Bij onvoldoende substance in de schakelende vennootschap is er sprake van een kunstmatige constructie en vindt – uitgaande van een motief om inkomsten- of dividendbelasting bij een ander te ontgaan – heffing van vennootschapsbelasting plaats. Dit houdt een wijziging in ten opzichte van de huidige regeling, waarbij indien het belang behoort tot het vermogen van een onderneming in de vorm van een schakelende houdster, geen aanvullende eisen worden gesteld ten aanzien van de substance van die schakelende houdster. Bij de beoordeling van de substance van de houdstervennootschap zal worden gekeken of het lichaam, zou het in Nederland gevestigd zijn, voldoet aan de voorwaarden voor het in behandeling nemen van een verzoek tot zekerheid vooraf voor de houdsteractiviteiten van dat lichaam.”
3.6
De parlementaire geschiedenis ten slotte van art. 17(3) Wet Vpb zoals het daarvóór gold, van 2012 tot 2016, vermeldt onder meer het volgende:
““2.2.4. Buitenlandse aanmerkelijkbelangregelingEen in het buitenland gevestigd lichaam dat een aanmerkelijk belang heeft in een Nederlandse vennootschap wordt in bepaalde gevallen voor de dividenden uit en de vervreemdingsvoordelen op de aandelen in die vennootschap in de vennootschapsbelastingheffing betrokken (buitenlandse AB-regeling). Deze heffing geldt alleen indien het aanmerkelijk belang niet behoort tot het ondernemingsvermogen van het in het buitenland gevestigde lichaam. Over de verenigbaarheid van de buitenlandse AB-regeling met het EU-recht zijn vragen gerezen omdat in puur Nederlandse verhoudingen veelal niet wordt geheven, bijvoorbeeld omdat de deelnemingsvrijstelling kan worden toegepast. Tijdens de behandeling van de Wet werken aan winst is reeds het voornemen geuit de buitenlandse AB-regeling op dit punt aan te passen.23.
Inmiddels heeft ook de Europese Commissie hierom in een met redenen omkleed advies verzocht.24.Het geheel afschaffen van de buitenlandse AB-regeling, zoals wel wordt bepleit, acht het kabinet niet wenselijk. Hoewel de regeling de facto slechts in zeer beperkte mate wordt toegepast, vervult deze in de praktijk een belangrijke rol bij het tegengaan van kunstmatige constructies met als doel de heffing van inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan. Daarom wordt voorgesteld om dit anti-ontgaanskarakter meer expliciet in de tekst van de regeling tot uitdrukking te brengen. Het treffen van gerichte anti-misbruikbepalingen is EU-rechtelijk toegestaan. Daartoe wordt aan de buitenlandse AB-regeling als additionele voorwaarde toegevoegd dat het aanmerkelijk belang door het buitenlandse lichaam moet worden gehouden met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting bij een ander. Met betrekking tot die ander kan worden gedacht aan een of meer van de (directe of indirecte) aandeelhouders van het in het buitenland gevestigde lichaam. De voorwaarde dat het aanmerkelijk belang niet tot het ondernemingsvermogen van dat in het buitenland gevestigde lichaam behoort, blijft hierbij gehandhaafd. Voor de situatie waarin het aanmerkelijk belang tot het ondernemingsvermogen van het buitenlandse lichaam behoort, wijzigt er dus niets. Met de voorgestelde gerichtere toepassing van de buitenlandse AB-regeling zijn dan ook geen wijzigingen beoogd ten opzichte van de huidige uitvoeringspraktijk. Wordt het aanmerkelijk belang door het buitenlandse lichaam, buiten ondernemingsverband, alleen gehouden om heffing van dividendbelasting te ontgaan (en dus niet mede om inkomstenbelasting te ontgaan), dan zal de vennootschapsbelastingheffing verder worden gesteld op 15% over de ontvangen dividenduitdelingen. Aldus wordt ook in deze situatie meer aansluiting bereikt tussen de heffing van vennootschapsbelasting en de belasting die wordt ontgaan.”25.
“Ingevolge de huidige tekst van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb 1969 geldt een buitenlandse belastingplicht voor in het buitenland gevestigde lichamen met een niet tot het ondernemingsvermogen behorend aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap. Voorgesteld wordt om voor toepassing van deze regeling als aanvullende (beperkende) voorwaarde op te nemen dat de belastingplichtige dit aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelastingheffing bij een ander te ontgaan. Voor de invulling van dit criterium kan aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie van het HvJ EU over de verenigbaarheid van anti-ontgaansbepalingen met het EU-recht, waarin wordt gesproken over «volstrekt kunstmatige constructies».26.Dit begrip dient hierbij overigens niet te beperkt te worden uitgelegd. De aanwezigheid van enig (bijkomend) niet-fiscaal motief hoeft nog niet te betekenen dat geen sprake meer kan zijn van een volstrekt kunstmatige constructie met als doel om de normaal verschuldigde belasting te ontwijken. Van een volstrekt kunstmatige (ontgaans)constructie kan bijvoorbeeld sprake zijn indien een buiten de EU gevestigde aandeelhouder met een belang in een Nederlandse vennootschap, een EU-lichaam tussenschuift om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan, zonder dat dit EU-lichaam of de vestiging van het lichaam in de EU-lidstaat reële betekenis heeft. Ook bundelingsstructuren waarbij portfolio-belangen van buitenlandse beleggers in Nederlandse vennootschappen worden «gebundeld» via een buitenlandse entiteit om dividendbelasting te ontgaan, kunnen als volstrekt kunstmatig worden aangeduid indien de buitenlandse entiteit bijvoorbeeld niet in voldoende mate beschikt over kwalitatief personeel met voldoende bevoegdheden met betrekking tot het belang in de Nederlandse vennootschap. Om te bepalen of er sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie moet volgens de mededeling van de Europese Commissie van 19 december 2006 een vergelijkende analyse worden gemaakt of de economische realiteit overeenkomt met de juridische vorm.27.Objectieve elementen voor het beoordelen van de economische realiteit zijn onder meer de plaats van werkelijke leiding, de tastbare aanwezigheid van de vestiging (substance) en het reële commerciële risico dat de entiteit draagt. Of in een concreet geval sprake is van een volstrekt kunstmatige ontgaansconstructie zal evenwel van geval tot geval, op basis van de concrete omstandigheden van het voorliggende geval, moeten worden beoordeeld.
Ingevolge artikel 17, vijfde lid, van de Wet Vpb 1969 wordt de vennootschapsbelastingheffing gesteld op 15% over de ontvangen dividenduitdelingen indien het aanmerkelijk belang alleen wordt gehouden om de heffing van dividendbelasting te ontgaan. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de heffingsgrondslag van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965), hetgeen past in de lijn om de buitenlandse AB-regeling verder om te vormen tot een gerichte anti-misbruikbepaling. Het tarief van 15% wordt geëffectueerd door het in aanmerking te nemen belastbare inkomen slechts voor een evenredig gedeelte in aanmerking te nemen bij het bepalen van de heffingsgrondslag.”28.
“Voorts heeft de NOB enkele vragen met betrekking tot het ontgaansmotief. Naar aanleiding van de vraag naar de wijze waarop wordt bepaald wat het voornaamste doel of één van de voornaamste doelen is van het houden van een belang binnen een bepaalde structuur, wordt voor toepassing van de buitenlandse AB-regeling, evenals bij de voorgestelde inhoudingsplicht voor de coöperatie, gekeken of aan het buitenlandse lichaam een reële functie kan worden toegekend en wat de motieven zijn om het aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap te houden. Op basis daarvan wordt beoordeeld of bij het buitenlandse lichaam het accent ligt op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting. Om te bepalen of een motief is gelegen in het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting wordt een vergelijking gemaakt tussen de situatie dat het buitenlandse lichaam het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt, ten opzichte van de situatie dat de achterliggende aandeelhouder(s) van het in het buitenland gevestigde lichaam het belang in de Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks zou(den) houden, dus zonder tussenkomst van dat in het buitenland gevestigde lichaam. Indien de situatie zonder tussenkomst van het in het buitenland gevestigde lichaam niet zou leiden tot een hogere Nederlandse inkomstenbelasting- of dividendbelastingclaim, zal er geen sprake zijn van ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting. Deze toetsing vindt steeds plaats op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de Nederland gevestigde vennootschap opkomt, hetgeen bijvoorbeeld relevant is bij latere wijzigingen in de concernstructuur (doorlopende toets). Bij de invulling van de ontgaanstoets dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van het HvJ EU over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het EU-recht, waarin wordt gesproken van een «volstrekt kunstmatige constructie». Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt naar aanleiding van de vragen van de leden van de fractie van het CDA.”29.
“Een deelneming wordt onder meer niet als belegging gehouden als de onderneming van het lichaam waarin wordt deelgenomen in het verlengde ligt van de onderneming van de belastingplichtige. Ook indien de belastingplichtige een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van een groep, zal deze het belang niet als belegging houden. Indien sprake is van een tophoudster die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend en/of financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, zal deze tophoudster de aandelen niet als belegging houden. Indien sprake is van een tussenhoudster die door een schakelfunctie een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van de kleindochtermaatschappij legt, kan deze tussenhoudster worden geacht een wezenlijke functie ten dienste van de groep te vervullen. De tussenhoudster vervult ook een schakelfunctie als de moedermaatschappij een tophoudster is, die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, en de tussenhoudster een deelneming heeft in een lichaam dat een (actieve) onderneming drijft. Van een schakelfunctie kan eveneens sprake zijn indien een tussenhoudster niet rechtstreeks wordt gehouden door een actieve moedermaatschappij of tophoudster maar door een andere tussenhoudster. Deze benadering is ontleend aan het beleid zoals dat gold tot 2007 (op grond van BNB 1975/11).”30.
4. Rechtspraak
Hof van Justitie van de EU
4.1
De zaak Cadbury Schweppes31.betrof de Britse CFC32.-wetgeving die ertoe leidde dat het Verenigd Koninkrijk (VK) de winst van twee volgens het VK laagbelaste33.Ierse groepsvennootschappen belastte bij de Britse moedervennootschappen van die Ierse vennootschappen. De vraag was of daarmee de EU-vrijheid van vestiging werd geschonden, nu dochterwinst in geheel binnenlandse gevallen niet aan de moeder werd toegerekend. Het HvJ zag in de winsttoerekening aan de moeder een beperking van de vestigingsvrijheid, die weliswaar gerechtvaardigd kon worden door de noodzaak misbruik (kunstmatige winstverplaatsing) te bestrijden, maar alleen als het toepassingsgebied van die CFC-wetgeving beperkt zou blijven tot daadwerkelijk misbruik, nl. volstrekt kunstmatige constructies (geen overkill). Uit r.o. 70 blijkt dat op de belastingplichtige, omdat die daartoe in de beste positie is, de last gelegd mag worden te bewijzen – mits de fiscus daaraan voldoende twijfel heeft gezaaid – dat het om een reële vestiging gaat die daadwerkelijk economische activiteiten uitoefent:
“37 Inzake de vrijheid van vestiging heeft het Hof reeds geoordeeld dat de omstandigheid dat de vennootschap in een lidstaat is opgericht met het doel gebruik te maken van een gunstiger wettelijke regeling, op zich geen misbruik van deze vrijheid oplevert (…).(…).
51 (…) kan een nationale maatregel die de vrijheid van vestiging beperkt, gerechtvaardigd zijn wanneer hij specifiek gericht is op volstrekt kunstmatige constructies die bedoeld zijn om de belastingwetgeving van de betrokken lidstaat te ontwijken (zie (…) arrest ICI, (…) punt 26; arrest (…) Lankhorst-Hohorst, C‑324/00, (…), punt 37; arresten De Lasteyrie du Saillant, (…), punt 50, en Marks & Spencer, (…) punt 57).
52 Bij de beoordeling van het gedrag van de belastingplichtige moet in het bijzonder rekening worden gehouden met het doel dat met de vrijheid van vestiging wordt beoogd (zie (…) arresten Centros, punt 25, en X en Y, punt 42).
53 Dat doel bestaat erin, een onderdaan van een lidstaat in staat te stellen een tweede vestiging op te richten in een andere lidstaat om er zijn activiteiten uit te oefenen en zo de economische en sociale vervlechting in de Gemeenschap op het terrein van de niet in loondienst verrichte werkzaamheden te bevorderen (zie arrest (…) Reyners, 2/74, (…) punt 21). De vrijheid van vestiging houdt daartoe in dat een gemeenschapsonderdaan duurzaam kan deelnemen aan het economische leven van een andere lidstaat dan zijn staat van herkomst en daar voordeel uit kan halen (arrest (…) Gebhard, C‑55/94, (…) punt 25).
54 Gelet op dit doel om in de lidstaat van ontvangst te integreren, impliceert het begrip vestiging in de zin van de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging, de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd door middel van een duurzame vestiging in deze lidstaat (…). Dit veronderstelt bijgevolg dat de betrokken vennootschap werkelijk gevestigd is in de lidstaat van ontvangst en daar daadwerkelijk een economische activiteit uitoefent.
55 Bijgevolg kan een beperking van de vrijheid van vestiging slechts door de strijd tegen misbruiken worden gerechtvaardigd, wanneer zij specifiek tot doel heeft, gedragingen te verhinderen die erin bestaan, volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied.(…).
60 Dan moet nog worden nagegaan of deze wetgeving niet verder gaat dan nodig is om dit doel te bereiken.
61 De wetgeving op de [CFC] voorziet in een aantal uitzonderingsgevallen waarin de winst van de [CFC] niet wordt belast bij de binnenlandse vennootschap. Op grond van enkele van die uitzonderingen kan deze laatste worden vrijgesteld in situaties waarin het bestaan van een volstrekt kunstmatige constructie met een louter fiscaal doel uitgesloten lijkt. Zo wijst de uitkering door de [CFC] van nagenoeg de volledige winst aan een binnenlandse vennootschap op de afwezigheid van de bedoeling om aan belasting in het Verenigd Koninkrijk te ontsnappen.
Het verrichten van handelsactiviteiten door de [CFC] sluit het bestaan van een kunstmatige constructie zonder wezenlijke economische band met de lidstaat van ontvangst uit.
62 Wanneer geen van deze uitzonderingen van toepassing is, kan de in de wetgeving op de [CFC] voorziene belasting buiten toepassing worden gelaten indien de vestiging en de activiteiten van de [CFC] voldoen aan de „motive test”. Deze test eist in wezen dat de binnenlandse vennootschap enerzijds aantoont dat de aanzienlijke vermindering van belasting in het Verenigd Koninkrijk die volgt uit de transacties tussen deze vennootschap en de [CFC], het hoofddoel noch één van de hoofddoelen van deze transacties was, en anderzijds dat het verkrijgen van een dergelijke belastingvermindering de hoofdreden noch een van de hoofdredenen voor de oprichting van de [CFC] was.
63 Zoals door (…) opgemerkt, volstaan het feit dat geen enkele uitzondering waarin de wetgeving op de [CFC] voorziet, van toepassing is, en dat de wil om een belastingvoordeel te verkrijgen aan de bron lag van de oprichting van de [CFC], en de transacties tussen deze laatste en de binnenlandse vennootschap niet, om te concluderen dat er een volstrekt kunstmatige constructie bestaat die alleen bedoeld is om deze belasting te ontwijken.
64 Voor de vaststelling van het bestaan van een dergelijke constructie is immers naast een subjectief element, namelijk de wil om een belastingvoordeel te verkrijgen, ook vereist dat uit een geheel van objectieve elementen blijkt dat, in weerwil van de formele vervulling van de door gemeenschapsregeling gestelde voorwaarden, het door de vrijheid van vestiging beoogde doel – zoals dat in de punten 54 en 55 van dit arrest is uiteengezet – niet werd bereikt (zie (…) Emsland-Stärke, C‑110/99, (…), punten 52 en 53, en 21 februari 2006, Halifax e.a., C‑255/02, (…), punten 74 en 75).
65 In deze omstandigheden is de wetgeving op de [CFC] slechts in overeenstemming met het gemeenschapsrecht indien de toepassing van de belasting waarin deze wetgeving voorziet, is uitgesloten wanneer, ondanks het bestaan van een fiscale beweegreden, de oprichting van een [CFC] verbonden is met een economische realiteit.
66 Deze oprichting moet verbonden zijn met een reële vestiging die daadwerkelijk een economische activiteit in de lidstaat van ontvangst uitoefent, (…).
67 Zoals (…) opgemerkt, moet deze vaststelling berusten op objectieve en door derden controleerbare elementen die onder meer verband houden met de mate van fysiek bestaan van de [CFC] in termen van lokalen, personeel en uitrusting.
68 Indien het onderzoek (…) leidt tot de vaststelling dat de [CFC] een fictieve vestiging is die geen enkele daadwerkelijke economische activiteit verricht op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst, moet de oprichting van deze [CFC] als een volstrekt kunstmatige constructie worden beschouwd. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn met een „brievenbusmaatschappij” of een „schijnvennootschap” (…).
69 Zoals de advocaat-generaal (…) heeft vastgesteld, wettigt daarentegen de omstandigheid dat de activiteiten die de winst van de [CFC] hebben gegenereerd, even goed hadden kunnen worden uitgeoefend door een vennootschap die is gevestigd op het grondgebied van de lidstaat waar de binnenlandse vennootschap is gevestigd, niet de conclusie dat het gaat om een volstrekt kunstmatige constructie.
70 De binnenlandse vennootschap, die daartoe het best geplaatst is, moet in staat worden gesteld om het bewijs aan te dragen dat de [CFC] een reële vestiging is die daadwerkelijk activiteiten uitoefent.
71 (…).
72 In casu staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt, de „motive test”, zoals gedefinieerd in de wetgeving op de [CFC], aldus kan worden uitgelegd dat de toepassing van (…) deze wetgeving (…), kan worden beperkt tot volstrekt kunstmatige constructies dan wel of, integendeel, de criteria waarop deze test berust, betekenen dat, wanneer geen enkele van de uitzonderingen waarin deze wetgeving voorziet, van toepassing is, en de wens om een belastingvermindering in het Verenigd Koninkrijk te verkrijgen een van de hoofdredenen is om de [CFC] op te richten, de binnenlandse moedervennootschap binnen de werkingssfeer van die wetgeving valt ondanks het ontbreken van objectieve elementen die het bestaan van een dergelijke constructie aantonen.
73 In het eerste geval moet de wetgeving op de [CFC] als verenigbaar met de artikelen 43 EG en 48 EG worden aangemerkt.
74 In het tweede geval daarentegen moet, (…), worden vastgesteld dat deze wetgeving in strijd is met de artikelen 43 EG en 48 EG.
75 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 43 EG en 48 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de opneming in de belastinggrondslag van een in een lidstaat gevestigde binnenlandse vennootschap van door een GBV in een andere lidstaat gemaakte winst wanneer deze winst daar lager wordt belast dan in eerstgenoemde lidstaat, tenzij een dergelijke opneming gebeurt in geval van een volstrekt kunstmatige constructie, opgezet om de normaal verschuldigde nationale belasting te ontwijken. Een dergelijke belastingmaatregel moet bijgevolg buiten toepassing worden gelaten wanneer uit objectieve en door derden controleerbare elementen blijkt dat ondanks het bestaan van fiscale beweegredenen de betrokken GBV daadwerkelijk in de lidstaat van ontvangst is gevestigd en er daadwerkelijk economische activiteiten uitoefent.”
4.2
De zaak Euro Park Service34.betrof het soevereiniteitsvoorbehoud in art. 11(1)(a) (oud) van de Fusierichtlijn 90/434 [thans art. 15(1)(a)], dat als volgt luidde:
“1. De Lid-Staten kunnen weigeren de bepalingen van de titels II, III en IV geheel of gedeeltelijk toe te passen of het voordeel ervan teniet doen indien blijkt dat de fusie, splitsing, inbreng van activa of aandelenruila) als hoofddoel of een der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft; het feit dat een van de in artikel 1 bedoelde rechtshandelingen niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de transactie betrokken vennootschappen, kan doen veronderstellen dat die transactie als hoofddoel of een van de hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft;”
De zaak betrof de Luxemburgse vennootschap Euro Park Service die alle aandelen hield in de Franse vennootschap SCI Cairnbulg Nanteuil. Cairnbulg werd op 26 november 2004 ontbonden door en ten gunste van haar enige aandeelhouder Euro Park Service, waarbij Cairnbulg zich beriep op een bijzondere fusieregeling (het ging kennelijk om een opslokfusie) die de netto meerwaarden en de winst op de activa die overgingen naar Euro Park Service onbelast liet. De fiscale waarde daarvan werd geschat op ruim € 9,3 miljoen, maar op dezelfde dag verkocht Euro Park Service de naar haar overgegane activa door voor bijna € 15,8 miljoen. De Franse wetgeving eiste voorafgaande goedkeuring van de fiscus voor een dergelijke gefacilieerde fusie van een Franse rechtspersoon in een buitenlandse rechtspersoon, die Cairnbulg echter niet had gevraagd en die volgens de Franse fiscus ook niet verleend zou zijn omdat het zijns inziens om misbruik ging. Bij een vergelijkbare fusie in een binnenlandse rechtspersoon was voorafgaande toestemming niet vereist. Toestemming (in grensoverschrijdende gevallen) werd slechts verleend als de betrokken Franse belastingplichtige aantoonde dat (i) de transactie haar rechtvaardiging vond in zakelijke overwegingen, (ii) belastingfraude of -ontwijking niet (een van de) hoofddoel(en) was, en (iii) verzekerd was dat de meerwaarden waarvoor belastinguitstel wordt verleend in de toekomst in Frankrijk konden worden belast. Het HvJ EU oordeelde dat Frankrijk met deze regeling buiten de reikwijdte van het bevoegdheidsvoorbehoud ex art. 11(1)(a) Fusierichtlijn was getreden en (daarmee ook) in strijd handelde met de vrijheid van vestiging, nu de rechtvaardiging van misbruikbestrijding dezelfde draagwijdte heeft als zij wordt ingeroepen onder art. 11(1)(a) Fusierichtlijn als wanneer zij wordt ingeroepen als rechtvaardiging van een uitzondering op het primaire recht (de EU-vestigingsvrijheid):
“54 In de vijfde plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de lidstaten bij de uitvoering van artikel 11, lid 1, onder a), van richtlijn 90/434 [de Fusierichtlijn; PJW] geen algemeen vermoeden van belastingfraude of belastingontwijking mogen hanteren.55 Zo heeft het Hof in dit verband reeds verklaard dat de bevoegde nationale autoriteiten bij het onderzoek of de voorgenomen transactie een dergelijk doel nastreeft, niet ermee kunnen volstaan, vooraf vastgestelde algemene criteria toe te passen, maar in elk concreet geval de betreffende transactie in haar geheel moeten onderzoeken. De vaststelling van een regel van algemene strekking die bepaalde soorten van transacties automatisch van het belastingvoordeel uitsluit, zonder dat rekening wordt gehouden met de vraag of er daadwerkelijk sprake is van belastingontwijking of belastingfraude, gaat namelijk verder dan ter voorkoming van zulke fraude of ontwijking noodzakelijk is en doet af aan de door die richtlijn nagestreefde doelstelling (…).56 Aangezien de wettelijke regeling in het hoofdgeding het voordeel van belastinguitstel voor meerwaarden krachtens richtlijn 90/434 slechts stelselmatig en onvoorwaardelijk toekent op voorwaarde dat de belastingplichtige aantoont dat de betrokken transactie is ingegeven door zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of een van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft, zonder dat de belastingdienst ook maar een begin van bewijs hoeft te leveren dat geen sprake is van zakelijke overwegingen of dat er aanwijzingen bestaan voor belastingfraude of belastingontwijking, hanteert die wettelijke regeling een algemeen vermoeden van belastingfraude of belastingontwijking.
(…).
69 Wat de dwingende reden van algemeen belang in verband met de bestrijding van belastingfraude of belastingontwijking betreft volstaat het vast te stellen, (…) dat die doelstelling dezelfde draagwijdte heeft wanneer zij wordt ingeroepen ingevolge het bepaalde in artikel 11, lid 1, onder a), van richtlijn 90/434 [de Fusierichtlijn; PJW] of als rechtvaardiging van een uitzondering op het primaire recht. De overwegingen in de punten 54 tot en met 56 van het onderhavige arrest, aangaande de evenredigheid van de wettelijke regeling in het hoofdgeding die betrekking hebben op die bepaling, gelden dus ook voor de beoordeling of die wettelijke regeling evenredig is vanuit het oogpunt van de vrijheid van vestiging. Hieruit volgt dat een wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die een algemeen vermoeden van belastingfraude of belastingontwijking hanteert, verder gaat dan ter bereiking van genoemd doel noodzakelijk is en een belemmering van die vrijheid dus niet kan rechtvaardigen.”
4.3
De zaak Eqiom en Enka35.betrof een in Frankrijk gevestigde vennootschap (Euro Stockage; rechtsvoorganger van Eqiom) die in 2015 en 2016 dividenden uitkeerde aan Enka, een in Luxemburg gevestigde vennootschap. Enka was voor meer dan 99% in handen van een in Cyprus gevestigde vennootschap, die op haar beurt volledig werd gecontroleerd door een in Zwitserland gevestigde vennootschap. De dividenden werden in Frankrijk onderworpen aan een bronbelasting, waarvan geen recht op vrijstelling ex de MDR werd verleend als de ontvanger direct of indirect werd beheerst door personen gevestigd in derde landen, tenzij de uitkerende rechtspersoon aantoonde dat de keten van deelnemingen niet als (één van de) voornaamste doel(en) had om de vrijstelling in de wacht te slepen. Deze regeling bracht mee dat als de in een andere EU-lidstaat gevestigde dividendgerechtigde moeder direct of indirect werd beheerst door ingezetenen van een derde staat, de uitkeerder of de ontvanger steeds moest bewijzen dat geen sprake was aan fraude of misbruik. Het HvJ antwoordde als volgt op de prejudiciële vraag of deze anti-richtlijn- shopping-maatregel verenigbaar was met het misbruikvoorbehoud in art. 1 MDR:
“32. Bij het onderzoek of met een transactie fraude en misbruik wordt nagestreefd, kunnen de bevoegde nationale autoriteiten niet ermee volstaan, vooraf vastgestelde algemene criteria toe te passen, maar zij moeten in elk concreet geval de betreffende transactie in haar geheel onderzoeken. De vaststelling van een belastingregel van algemene strekking die bepaalde categorieën van belastingplichtigen automatisch van het belastingvoordeel uitsluit, zonder dat de belastingdienst gehouden is zij het maar een begin van bewijs of aanwijzingen van fraude en misbruik over te leggen, gaat verder dan ter voorkoming van fraude en misbruik noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 8 maart 2017, Euro Park Service, C-14/16, EU:C:2017:177, punten 55 en 56).
33. In casu dient te worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling niet tot specifiek doel heeft, volstrekt kunstmatige constructies waarmee wordt beoogd ten onrechte dat voordeel te verkrijgen, uit te sluiten van een belastingvoordeel, maar in het algemeen ziet op elke situatie waarin een moedermaatschappij die direct of indirect wordt gecontroleerd door ingezetenen van een derde staat, haar zetel om welke reden ook buiten Frankrijk heeft.
34. Zoals de advocaat-generaal in de punten 27 en 28 van haar conclusie heeft opgemerkt, impliceert alleen al de omstandigheid dat een in de Unie gevestigde vennootschap direct of indirect wordt gecontroleerd door ingezetenen van een derde staat, evenwel niet dat sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die uitsluitend is opgezet om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.
(…).
36. Door als voorwaarde voor de vrijstelling van bronbelasting over winstuitkeringen van een ingezeten dochteronderneming aan haar niet-ingezeten moedermaatschappij te stellen dat deze moedermaatschappij aantoont dat de keten van deelnemingen niet als voornaamste doel of als een van haar voornaamste doelen heeft, voordeel uit deze vrijstelling te halen, zonder dat de belastingdienst gehouden is zij het maar een begin van bewijs van fraude en misbruik te leveren, voert de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling bijgevolg een algemeen vermoeden van fraude en misbruik in en doet zij af aan het met de moederdochterrichtlijn nagestreefde doel om dubbele belasting over winstuitkeringen van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij te vermijden.”
Het dictum hield in daarom in dat de maatregel disproportioneel was (ruime overkill met omkering van de bewijslast) en dat Frankrijk daarmee buiten de grenzen van het bevoegdheidsvoorbehoud in art. 1(2) (thans 1(4)) MDR was getreden en dusdoende de vrijheid van vestiging had geschonden:
“Artikel 1, lid 2, van richtlijn 90/435/EEG (…), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/123/EG (…), alsmede artikel 49 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke belastingregeling als die in het hoofdgeding, volgens welke als voorwaarde voor het belastingvoordeel van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn - namelijk vrijstelling van bronbelasting voor winstuitkeringen van een ingezeten dochteronderneming aan een niet-ingezeten moedermaatschappij wanneer deze moedermaatschappij direct of indirect wordt gecontroleerd door een of meer ingezetenen van een derde staat - geldt dat deze moedermaatschappij aantoont dat de keten van deelnemingen niet als voornaamste doel of als een van haar voornaamste doelen heeft, voordeel te halen uit deze vrijstelling.”
4.4
Deister Holding AG en Juhler Holding A/S36.waren in Duitsland gevestigde vennootschappen die dividend uitkeerden aan een in een andere EU-lidstaat gevestigde moeder. De Duitse fiscus weigerde de vrijstelling van bronbelasting in art. 5 MDR omdat de Duitse wet de vrijstelling uitsloot als de aandeelhouders van de niet-ingezeten moeder zelf geen recht op vrijstelling of teruggaaf zouden hebben gehad bij rechtstreekse ontvangst van het dividend en bovendien aan één van de drie volgende voorwaarden was voldaan:(i) afwezigheid van economische of andere relevante redenen voor tussenplaatsing van een buitenlandse moeder;(ii) de buitenlandse moeder verwerft hoogstens 10% van haar bruto-inkomsten uit eigen ondernemingsactiviteiten;(iii) de buitenlandse moeder neemt niet deel aan het economische verkeer met bij haar bedrijfsdoelstelling passende zakelijke activiteiten.Tegenbewijs was niet toegelaten. De (prejudiciële) vraag was of deze regeling verenigbaar was met het misbruikvoorbehoud in art. 1(2) (thans 1(4)) MRD en met het vrije kapitaalverkeer. Het HvJ overwoog:
“59. Wat de maatregelen ter voorkoming van fraude en misbruik in de zin van artikel 1, lid 2, van de moederdochterrichtlijn betreft, moet worden opgemerkt dat bedoelde bepaling restrictief moet worden uitgelegd, aangezien met die bepaling wordt afgeweken van de algemene regel van deze richtlijn, op grond waarvan de belastingplichtige in aanmerking komt voor de gemeenschappelijke fiscale regeling die voor onder die richtlijn vallende moedermaatschappijen en dochterondernemingen geldt (zie (…), P. Ferrero en General Beverage Europe, C-338/08 en C-339/08, EU:C:2010:364, punt 45, en (…) Euro Park Service, C-14/16, EU:C:2017:177, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).(…).
63. Aangaande de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde wettelijke regeling komt uit de stukken (…) naar voren dat wanneer een deelneming in een niet- ingezeten moedermaatschappij wordt gehouden door personen die geen recht op vrijstelling van bronbelasting zouden hebben indien zij de dividenden van een in Duitsland gevestigde dochteronderneming rechtstreeks zouden ontvangen, deze wettelijke regeling het belastingvoordeel in de vorm van de bij artikel 5, lid 1, van de moeder-dochterrichtlijn vastgestelde vrijstelling van bronbelasting slechts toekent indien aan geen van de drie voorwaarden van dezelfde wettelijke regeling is voldaan, te weten dat er geen economische redenen of andere relevante redenen zijn die de tussenplaatsing van de niet-ingezeten moedermaatschappij rechtvaardigen, dat de niet-ingezeten moedermaatschappij niet meer dan 10% van haar totale bruto-inkomsten in het betreffende boekjaar uit haar eigen economische activiteit verwerft of dat de niet-ingezeten moedermaatschappij niet met een voor haar bedrijfsdoelstelling passend ingerichte bedrijfsvoering aan het algemene economische verkeer deelneemt, waarbij de organisatorische, economische of andere relevante kenmerken van de aan de niet-ingezetene moedermaatschappij gelieerde ondernemingen buiten beschouwing blijven. Voorts is er geen sprake van een eigen economische activiteit wanneer de niet-ingezeten moedermaatschappij haar bruto-inkomsten verwerft met het beheren van activa of haar kernactiviteiten aan derden overdraagt.
64. Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde wettelijke regeling niet specifiek tot doel heeft volstrekt kunstmatige constructies die bedoeld zijn om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen niet in aanmerking te laten komen voor het belastingvoordeel, maar in het algemeen ziet op alle situaties waarin een deelneming in een moedermaatschappij wordt gehouden door personen die geen recht op een dergelijke vrijstelling zouden hebben indien zij de dividenden rechtstreeks zouden ontvangen.
65. De loutere omstandigheid dat dergelijke deelnemingen worden gehouden door dergelijke personen impliceert op zich evenwel niet dat sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en uitsluitend is opgezet om ten onrechte een belastingvoordeel te genieten.
66. In dit verband zij gepreciseerd dat uit geen enkele bepaling van de moeder-dochterrichtlijn volgt dat de fiscale behandeling van personen die een deelneming bezitten in moedermaatschappijen die in de Unie zijn gevestigd of de herkomst van deze personen enige invloed zou hebben op het recht van deze vennootschappen om aanspraak te maken op de belastingvoordelen waarin deze richtlijn voorziet.
67. Bovendien zij opgemerkt dat een niet-ingezeten moedermaatschappij hoe dan ook is onderworpen aan de belastingwetgeving van haar lidstaat van vestiging (arrest van 7 september 2017, Eqiom en Enka, C-6/16, EU:C:2017:641, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68. In de tweede plaats kent de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde wettelijke regeling de bij artikel 5, lid 1, van de moeder-dochterrichtlijn vastgestelde vrijstelling van bronbelasting slechts toe indien aan geen van de drie voorwaarden van die wettelijke regeling, die in punt 63 van het onderhavige arrest zijn vermeld, is voldaan.
69. Dienaangaande moet ten eerste worden vastgesteld dat die wettelijke regeling, door de toekenning van die vrijstelling afhankelijk te stellen van een dergelijke voorwaarde zonder dat de belastingdienst een begin van bewijs van het ontbreken van economische redenen of aanwijzingen van fraude en misbruik dient over te leggen, zoals uit punt 62 van dit arrest blijkt, een algemeen vermoeden van fraude of misbruik in het leven roept en daardoor afbreuk doet aan het doel van de moeder-dochterrichtlijn, in het bijzonder aan artikel 5, lid 1, van deze richtlijn, te weten voorkomen dat de door een ingezeten dochteronderneming aan haar niet-ingezeten moedermaatschappij uitgekeerde dividenden dubbel worden belast door de lidstaat waar deze dochteronderneming is gevestigd om samenwerkingsverbanden en hergroeperingen van vennootschappen op het niveau van de Unie te vergemakkelijken.
70. Ten tweede voert diezelfde wettelijke regeling daarenboven een onweerlegbaar vermoeden van fraude of misbruik in doordat zij de niet-ingezeten moedermaatschappij, in het geval dat aan een van de drie door haar vastgestelde voorwaarden is voldaan, niet de mogelijkheid biedt om bewijzen aan te dragen waaruit het bestaan van economische redenen blijkt.
71. Ten derde kunnen die voorwaarden, ongeacht of zij afzonderlijk dan wel samen worden beschouwd, op zich niet impliceren dat sprake is van fraude of misbruik.
72. De moeder-dochterrichtlijn bevat namelijk geen enkel vereiste met betrekking tot de aard van de economische activiteit van de vennootschappen die binnen haar werkingssfeer vallen of met betrekking tot de hoogte van de inkomsten uit de eigen economische activiteit van deze vennootschappen.
73. De omstandigheid dat de economische activiteit van de niet-ingezeten moedermaatschappij bestaat in het beheren van de activa van haar dochterondernemingen of dat die moedermaatschappij uitsluitend uit dat beheer inkomsten verwerft, impliceert op zich echter niet dat sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit. Dienaangaande doet het feit dat het beheer van activa niet wordt aangemerkt als een economische activiteit in het kader van de belasting over de toegevoegde waarde niet ter zake, aangezien de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde belasting en de belasting over de toegevoegde waarde tot onderscheiden rechtsregelingen met verschillende doelstellingen behoren.
74. In tegenstelling tot wat de in de hoofgedingen aan de orde zijnde wettelijke regeling bepaalt, moeten voor de vaststelling van een dergelijke constructie per geval alle aspecten van de betrokken situatie worden onderzocht, zoals de organisatorische, economische en andere relevante kenmerken van het concern waarvan de betrokken moedermaatschappij deel uitmaakt alsmede de structuur en de strategie van dat concern.
75. Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn juncto artikel 5, lid 1, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke belastingregeling als die in de hoofdgedingen.”
Uit r.o. 73 volgt dat een kale houdsterfunctie van de directe moedervennootschap op zichzelf nog geen misbruikvermoeden rechtvaardigt, als die moeder maar geen doorgeefluik is.37.Het HvJ heeft de prejudiciële vragen als volgt beantwoord:
“Gelet op al het voorgaande dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn juncto artikel 5, lid 1, van deze richtlijn alsmede artikel 49 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een wettelijke belastingregeling van een lidstaat als die in de hoofdgedingen, die een niet-ingezeten moedermaatschappij, wanneer een deelneming in deze moedermaatschappij wordt gehouden door personen die geen recht op teruggaaf of vrijstelling van bronbelasting zouden hebben indien zij de dividenden van een ingezeten dochteronderneming rechtstreeks zouden ontvangen, vrijstelling van belasting op inkomsten uit vermogen over uitkeringen van dividenden ontzegt in het geval dat aan een van de voorwaarden van die wettelijke regeling is voldaan.”
4.5
De gevoegde zaken T Danmark en Y Denmark38.betroffen twee Deense vennootschappen die dividend uitkeerden aan elders in de EU gevestigde tussenhoudsters. De Deense fiscus vermoedde dat de dividenden zouden worden doorgesluisd naar uiteindelijk gerechtigden buiten de EU die geen aanspraak zouden kunnen maken op de vrijstelling van bronbelasting in art. 5 MDR en weigerde daarom die inhoudingsvrijstelling aan de EU-tussenhoudsters, die hij als enkel conduit zag. Hij deed dat bovendien zonder rechtstreekse basis in het Deense recht, nu de Deense wetgever had verzuimd om het misbruikvoorbehoud in art. 1(2) MRD op dit punt te implementeren in nationaal recht. Op de prejudiciële vraag of deze weigering verenigbaar was met EU-recht, overwoog het HvJ onder meer (i) dat het algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik is verboden, de lidstaten ook zonder nationaalrechtelijke basis verplicht richtlijnvoordelen te weigeren in geval van misbruik van EU-recht, (ii) dat als richtlijnvoordelen op die grond moeten worden geweigerd, de belastingplichtige/inhoudingsplichtige evenmin beroep heeft op de EU-verkeersvrijheden en (iii) dat van belanghebbenden bewijs kan worden verlangd dat zij voldoen aan de voorwaarden voor toekenning van richtlijnvoordelen (wie zich op een vrijstelling beroept, moet bewijzen), maar dat als een lidstaat die voordelen wil weigeren wegens misbruik, hij voldoening aan het daarvoor vereiste subjectieve criterium (oogmerk van oneigenlijke belastingontwijking) moet bewijzen (en daarnaast toekenning van die voordelen in strijd zou zijn met doel en strekking van de richtlijn; het objectieve (rechtskundige) criterium voor misbruik):
“81. Dat een belastingplichtige de voor hem meest voordelige belastingregeling nastreeft, volstaat als zodanig weliswaar niet om uit te gaan van een algemeen vermoeden van fraude of misbruik (zie in die zin (…) Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, C-196/04, EU:C:2006:544, punt 50; (…) National Grid Indus, C-371/10, EU:C:2011:785, punt 84, en (…) SECIL, C-464/14, EU:C:2016:896, punt 60), maar dit neemt niet weg dat deze belastingplichtige niet in aanmerking komt voor een uit het Unierecht voortvloeiend recht of voordeel indien de constructie in kwestie economisch gezien volstrekt kunstmatig is en ertoe strekt de wetgeving van de betrokken lidstaat te ontwijken (zie in die zin (…) Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, C-196/04, EU:C:2006:544, punt 51; (…) K, C-322/11, EU:C:2013:716, punt 61, en (…) Polbud-Wykonawstwo, C-106/16, EU:C:2017:804, punten 61-63).
82. Hieruit volgt dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties het genot van de rechten van richtlijn 90/435 moeten weigeren wanneer op deze rechten aanspraak wordt gemaakt door middel van fraude of misbruik.
(…).
97. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, is voor het bewijs dat sprake is van misbruik enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat ((…) Emsland-Stärke, C-110/99, EU:C:2000:695, punten 52 en 53, en (…) O. en B., C-456/12, EU:C:2014:135, punt 58).
(…).
100. Een concern dat niet is opgericht om redenen die de economische realiteit weerspiegelen, een zuiver formele structuur heeft en als voornaamste doel of een van zijn voornaamste doelen heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt, kan worden beschouwd als een kunstmatige constructie. Dit is met name het geval wanneer de betaling van belasting over de dividenden wordt vermeden doordat aan de concernstructuur een doorstroomvennootschap wordt toegevoegd tussen de vennootschap die de dividenden uitkeert en de uiteindelijk gerechtigde tot deze dividenden.
101. Dat de vennootschap die de dividenden heeft ontvangen deze dividenden zeer snel na de ontvangst ervan volledig of nagenoeg volledig doorsluist naar entiteiten die niet aan de toepassingsvoorwaarden van richtlijn 90/435 voldoen omdat zij niet in een lidstaat zijn gevestigd, niet een van de in deze richtlijn genoemde rechtsvormen hebben, niet onderworpen zijn aan een van de in artikel 2, onder c), van deze richtlijn opgesomde belastingen zonder daarvan te zijn vrijgesteld, dan wel omdat zij geen ‘moedermaatschappij’ zijn en niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3 van deze richtlijn, vormt dan ook een aanwijzing dat sprake is van een constructie die ertoe strekt ten onrechte de vrijstelling van artikel 5 van deze richtlijn te verkrijgen.
102. Entiteiten die hun fiscale woonplaats buiten de Unie hebben, zoals kennelijk het geval is voor de in zaak C‑117/16 aan de orde zijnde vennootschappen en de in zaak C‑116/16 aan de orde zijnde beleggingsfondsen, voldoen niet aan de toepassingsvoorwaarden van richtlijn 90/435. In deze zaken zou het Koninkrijk Denemarken bronbelasting hebben kunnen innen indien de Deense debiteur de dividenden rechtstreeks had uitgekeerd aan de entiteiten die volgens het ministerie van Financiën de uiteindelijk gerechtigden tot deze dividenden waren.
103. Het kunstmatige karakter van een constructie kan eveneens worden gestaafd door de omstandigheid dat het betrokken concern zo is georganiseerd dat de vennootschap die de door de debiteur uitgekeerde dividenden ontvangt deze dividenden op haar beurt moet doorbetalen aan een derde vennootschap die niet voldoet aan de toepassingsvoorwaarden van richtlijn 90/435, hetgeen tot gevolg heeft dat zij slechts een onbeduidende belastbare winst behaalt wanneer zij optreedt als een doorstroomvennootschap die geldstromen mogelijk maakt van de debiteur naar de entiteit die de uiteindelijk gerechtigde tot de uitgekeerde bedragen is.
104. Er is sprake van een onderneming die fungeert als doorstroomvennootschap indien deze onderneming zich uitsluitend bezighoudt met het ontvangen van de dividenden en de overdracht ervan aan de uiteindelijk gerechtigde of andere doorstroomvennootschappen. In dit verband moet het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit, in het licht van de specifieke kenmerken van de economische activiteit in kwestie, worden afgeleid uit een onderzoek van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van de onderneming, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting.
105. De verschillende overeenkomsten die zijn gesloten tussen de bij de betreffende financiële verrichtingen betrokken vennootschappen en die geldstromen binnen de groep doen ontstaan, de wijze waarop de verrichtingen worden gefinancierd, de waardering van het eigen vermogen van de tussenvennootschappen, alsook het gebrek aan bevoegdheid van de doorstroomvennootschappen om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken, kunnen eveneens aanwijzingen vormen voor een dergelijke constructie. Dergelijke aanwijzingen kunnen niet alleen bestaan in een contractuele of wettelijke verplichting voor de moedermaatschappij die de dividenden ontvangt om deze dividenden door te betalen aan een derde, maar eveneens in het feit dat deze onderneming, zoals de verwijzende rechter opmerkt, „in wezen” niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting.
(…).
114. Gelet op een en ander moet (…) worden geantwoord dat voor het bewijs van misbruik vereist is dat er sprake is van, ten eerste, een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden van de Unieregeling weliswaar formeel zijn nageleefd, maar dat het door deze regeling nagestreefde doel niet werd bereikt, en, ten tweede, een subjectief element dat bestaat in het verlangen een uit de Unieregeling voortvloeiend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Rechtsmisbruik kan worden aangetoond aan de hand van een reeks aanwijzingen, voor zover deze objectief zijn en onderling overeenstemmen. Dergelijke aanwijzingen zijn onder meer het bestaan van doorstroomvennootschappen zonder economische rechtvaardiging alsook het louter formele karakter van het concern, de financiële constructie en de leningen.
Bewijslast ter zake van rechtsmisbruik
115. Richtlijn 90/435 bevat geen bepalingen betreffende de bewijslast ter zake van rechtsmisbruik.
116. Zoals de Deense en de Duitse regering betogen, staat het echter in beginsel aan de vennootschappen die verzoeken om de in artikel 5 van richtlijn 90/435 bedoelde vrijstelling van bronbelasting over dividenden, om aan te tonen dat zij voldoen aan de objectieve voorwaarden van deze richtlijn. Niets belet de betrokken belastingautoriteiten immers om van de belastingplichtige te verlangen dat hij de bewijzen overlegt die zij noodzakelijk achten om de betrokken belastingen correct te kunnen vaststellen, en om in voorkomend geval de gevraagde vrijstelling te weigeren wanneer deze bewijzen niet worden geleverd ((…) Petersen en Petersen, C-544/11, EU:C:2013:124, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
117. Indien een belastingautoriteit van de bronstaat voornemens is de vrijstelling van artikel 5 van richtlijn 90/435 niet toe te passen op een onderneming die dividenden heeft uitgekeerd aan een in een andere lidstaat gevestigde onderneming, op grond dat sprake is van misbruik, dient deze belastingautoriteit evenwel aan te tonen dat de bestanddelen van een dergelijk misbruik verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens – met name het feit dat de onderneming waaraan de dividenden zijn uitgekeerd niet de uiteindelijk gerechtigde tot deze dividenden zijn - in aanmerking dient te nemen.”
Het HvJ verklaarde voor recht:
“(…).
2) Het algemene Unierechtelijke beginsel volgens hetwelk justitiabelen zich niet door middel van fraude of misbruik kunnen beroepen op het Unierecht, dient aldus te worden uitgelegd dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties de vrijstelling van bronbelasting over winsten die door een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij worden uitgekeerd, waarin is voorzien in artikel 5 van richtlijn 90/435/EEG (…), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/123/EG (…), moeten weigeren aan een belastingplichtige in geval van fraude of misbruik, ook indien de nationale wet of de verdragen niet voorzien in bepalingen van die strekking.
3) Voor het bewijs van misbruik is vereist dat er sprake is van, ten eerste, een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden van de Unieregeling weliswaar formeel zijn nageleefd, maar dat het door deze regeling nagestreefde doel niet werd bereikt, en, ten tweede, een subjectief element dat bestaat in het verlangen een uit de Unieregeling voortvloeiend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Rechtsmisbruik kan worden aangetoond aan de hand van een reeks aanwijzingen, voor zover deze objectief zijn en onderling overeenstemmen. Dergelijke aanwijzingen zijn onder meer het bestaan van doorstroomvennootschappen zonder economische rechtvaardiging alsook het louter formele karakter van het concern, de financiële constructie en de leningen.
4) Een nationale autoriteit is niet verplicht de entiteit of de entiteiten te identificeren die volgens haar de uiteindelijk gerechtigde of gerechtigden tot de dividenden zijn, om te kunnen weigeren een onderneming te erkennen als uiteindelijk gerechtigde tot deze dividenden of om aan te tonen dat sprake is van rechtsmisbruik.
5) Indien de regeling inzake vrijstelling van bronbelasting over de dividenden die een in een lidstaat gevestigde vennootschap heeft uitgekeerd aan een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap, die is neergelegd in richtlijn 90/435, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/123, niet van toepassing is doordat fraude of misbruik in de zin van artikel 1, lid 2, van deze richtlijn is vastgesteld, kunnen de in het VWEU neergelegde vrijheden niet worden ingeroepen om op te komen tegen de regeling van de eerstbedoelde lidstaat inzake de heffing van belasting over deze dividenden.”
Hoge Raad der Nederlanden
4.6
De zaak HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster)39.betrof een in Nederland gevestigde houdstervennootschap (de belanghebbende) die in 2012 indirect beheerst werd door een natuurlijke persoon die in Zwitserland woonde. In 2010 was de feitelijke leiding van de belanghebbende verplaatst naar Luxemburg, waar zij werd bestuurd door een trustkantoor. Zij had geen kantoorruimte en geen personeel. In 2011 was haar Nederlandse dochter een kasgeldvennootschap geworden. In 2012 ontving de belanghebbende van die Nederlandse dochter circa € 24 miljoen aan dividend. In geschil was de toepassing van de antimisbruikbepaling in art. 17(3)(b) Wet Vpb. De belanghebbende wenste vrijstelling van dividendbelasting; de Inspecteur meende dat belanghebbendes rol en verplaatsing naar Luxemburg voornamelijk dienden om belasting ten laste van de uiteindelijk gerechtigde te ontwijken. U overwoog als volgt:
“2.6.2. Uit Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94, blijkt dat naar de bedoeling van de wetgever de subjectieve voorwaarde [hoofddoel belastingvermijding; PJW] in beginsel is vervuld indien de achterliggende aandeelhouder(s) meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de belastingplichtige, dus als het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks zou worden gehouden. Deze voorwaarde wordt steeds getoetst naar de toestand op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap opkomt.
(…).
2.6.3.
De regeling van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet ((…) de regeling) geldt uitsluitend voor buitenlandse belastingplichtigen, terwijl bij binnenlandse belastingplichtigen in de door de regeling bestreken situaties veelal de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet toepassing vindt op het desbetreffende belang. Daarmee beperkt de regeling de vrijheid die een belastingplichtige heeft om zijn economische belangen en (financiële) middelen onder te brengen in een in Nederland gevestigde vennootschap (vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, rechtsoverweging 2.6.3, laatste alinea). Met deze beperking kan de regeling echter in andere lidstaten van de Europese Unie gevestigde lichamen benadelen of belemmeren bij de uitoefening van hun door het VWEU gewaarborgde verkeersvrijheden en in strijd komen met de verplichtingen die voortvloeien uit de moeder-dochterrichtlijn. De subjectieve voorwaarde moet daarom zo worden uitgelegd en toegepast dat geen inbreuk op het Unierecht wordt gemaakt.
Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de interpretatie en de toepassing van de subjectieve voorwaarde wordt toegesneden op de doelstelling in het algemeen belang die ermee wordt nagestreefd, te weten de bestrijding van belastingontwijking (zie Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 16). Een zodanige doelstelling kan voor toepassing van artikel 49 VWEU slechts dienen ter rechtvaardiging van een beperking van de vestigingsvrijheid indien die beperking specifiek tot doel heeft gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied (zie HvJ 12 september 2006, Cadbury Schweppes plc en Cadbury Schweppes Overseas Ltd, C-196/04, ECLI:EU:C:2006:544, punt 55). Hetzelfde heeft te gelden indien een lidstaat bepalingen uit de moeder-dochterrichtlijn buiten toepassing laat met een beroep op artikel 1, lid 2, van die richtlijn (vgl. HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C‑6/16, ECLI:EU:C:2017:641 (…), punt 64). Indien de hiervoor bedoelde constructies bedoeld zijn om door middel van misbruik aanspraak te maken op de rechten van de moeder-dochterrichtlijn, is de lidstaat zelfs verplicht om, overeenkomstig het algemene Unierechtelijke beginsel van verbod van misbruik, het genot van die rechten te weigeren (zie HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark (hierna: het arrest T Danmark), gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punten 82 en 83). De wetgever heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij met artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet een regeling heeft willen treffen die zich verdraagt met de eisen die het recht van de Unie stelt, en dat voor de invulling van de subjectieve voorwaarde aansluiting bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie kan worden gezocht (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 16 en 105 en 106, en Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94).
Hetgeen hiervoor in 2.6.3 en 2.6.4 is overwogen, is mede van belang voor de verdeling van de bewijslast bij de toepassing van de regeling. Bij het onderzoek of met een constructie misbruik wordt nagestreefd, kan namelijk niet ermee worden volstaan vooraf vastgestelde algemene criteria toe te passen. In elk concreet geval moet de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht. Automatische toepassing van een antimisbruikmaatregel van algemene strekking zonder dat de inspecteur gehouden is ook maar een begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik over te leggen, gaat verder dan ter voorkoming van misbruik noodzakelijk is (vgl. het arrest Eqiom en Enka, punt 32). Indien de inspecteur kan volstaan met het leveren van een zodanig begin van bewijs of zodanige aanwijzingen, moet de belastingplichtige de mogelijkheid worden geboden om bewijzen aan te dragen waaruit het bestaan van economische redenen voor de constructie blijkt (vgl. HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C‑504/16 en C‑613/16, ECLI:EU:C:2017:1009, punt 70).
2.6.6.
Bij de toepassing van de regeling is het uitgangspunt voor de bewijslastverdeling dat de inspecteur de feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat de subjectieve voorwaarde is vervuld, en dat hij deze bij gemotiveerde betwisting aannemelijk maakt (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94). Dit uitgangspunt is in overeenstemming met het Unierecht (vgl. het arrest T Danmark, punt 117).
2.6.7.
Bij de toepassing van het Unierecht levert de vervulling van de subjectieve voorwaarde slechts een bewijsvermoeden op dat zich misbruik voordoet. Dit wordt bevestigd door het arrest T Danmark, punt 101. Indien een dergelijk bewijsvermoeden van misbruik bestaat, moet de belastingplichtige in de gelegenheid worden gesteld om dit vermoeden te ontzenuwen. De belastingplichtige kan dit vermoeden ontzenuwen door feiten te stellen, en zo nodig aannemelijk te maken, die erop wijzen dat het houden van het aanmerkelijk belang niet een volstrekt kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit. Een concern kan worden beschouwd als een volstrekt kunstmatige constructie indien in een concernstructuur met (een) buiten de Unie gevestigde, achterliggende aandeelhouder(s) en een in Nederland gevestigde vennootschap een binnen de Unie gevestigd lichaam is tussengeschoven om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan, zonder dat dit EU-lichaam of de vestiging van het lichaam in de EU-lidstaat reële betekenis heeft (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 105 en 106, en het arrest T Danmark, punt 100).
Het Hof heeft het hiervoor in 2.6.2 tot en met 2.6.7 overwogene niet miskend.”
5. Literatuur40.
5.1
Ravelli (commentaar op Deister en Juhler in NTFR 2018/47) betwijfelt de EU-rechtelijke houdbaarheid van art. art. 17(3)(b) Wet Vpb en art. 4(3) Wet DivB:
“Ook voor de subjectieve toets van art. 17, lid 3, onderdeel b, Wet VPB 1969 en art. 4, lid 3, Wet DB 1965 lijkt dit arrest gevolgen te hebben. Op basis van de parlementaire geschiedenis lijkt de staatssecretaris van mening dat indien het wegdenken van een tussenhoudster tot een hogere Nederlandse belastingclaim zou leiden, automatisch niet is voldaan aan de subjectieve toets. Buiten de objectieve toets (waar louter gekeken wordt naar substance) heeft de belastingplichtige in dat geval geen mogelijkheid om andere redenen (bijvoorbeeld van organisatorische of economische aard) aan te dragen voor diens structuur. Dit lijkt moeilijk te verenigen met de onderhavige zaak en de zaak Eqiom.”
5.2
Volgens Boomsluiter41.eist het EU-recht dat de initiële bewijslast ter zake van misbruik op de fiscus rust (ik laat voetnoten weg):
“2. Misbruikdefinitie en bewijslastverdeling in de jurisprudentie
Met het arrest-Emsland-Stärke heeft het Hof van Justitie de objectieve en subjectieve toets aangereikt als handvatten voor de definitie van misbruik. Op grond van de objectieve toets wordt aan de hand van ‘een geheel van objectieve omstandigheden’ onderzocht of ‘blijkt, dat in weerwil van de formele naleving van de door de gemeenschapsregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet (wordt) bereikt’. De subjectieve toets richt zich op de intentie van de belastingplichtige. Hierbij draait het om ‘de bedoeling om een door de gemeenschapsregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op voordeel ontstaat’.
De bewijslast voor beide elementen ligt in beginsel bij de belastingautoriteit. Dit wordt herhaald door het Hof van Justitie in de Deense beneficial owner zaken: ‘de (…) belastingautoriteit (…) dient aan te tonen dat de bestanddelen van een dergelijk misbruik verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen.’ Omdat de subjectieve bedoeling van de belanghebbende doorgaans niet rechtstreeks zal kunnen worden aangetoond, moet deze in eerste instantie worden afgeleid uit de omstandigheden. De belastingautoriteit draagt hierdoor niet de volledige bewijslast, maar zij kan volstaan met het aantonen van de aanwezigheid van bepaalde aanwijzingen voor misbruik. Slaagt zij daarin, dan kan de belanghebbende het misbruikvermoeden trachten de weerleggen door tegenbewijs te leveren. Het hof stelt hierover in de Deense beneficial owner zaken: ‘op basis van een aantal (…) aanwijzingen (zou) weliswaar kunnen worden vastgesteld dat sprake is van rechtsmisbruik, maar het staat aan de verwijzende rechters om na te gaan of deze aanwijzingen objectief zijn en onderling overeenstemmen, en of verweersters in het hoofdgeding de gelegenheid hebben gehad het tegenbewijs te leveren.
(…)..
3.3
De uiteindelijk gerechtigde en de bewijslastverdeling
(…).
De Moeder-dochterrichtlijn kent een andere opzet [dan de interest- en royaltyrichtlijn, die uiteindelijke gerechtigdheid als toegangsvoorwaarde stelt, ook los van de misbruikbepaling; PJW]. Deze richtlijn noemt de voorwaarde dat de ontvanger van de dividenden de uiteindelijk gerechtigde is niet expliciet als een van de voorwaarden voor toepassing van de richtlijn. In voorkomende gevallen speelt de vraag naar de uiteindelijke gerechtigdheid zich daardoor af in het kader van de antimisbruikbepaling. De preambule bij de Moeder-dochterrichtlijn noemt als voorbeeld van een (onder art. 1 lid 2 Moeder-dochterrichtlijn vallende) kunstmatige constructie de situatie waarin ‘de aandelen waaruit de uitkering van winst voortkomt, niet daadwerkelijk aan een in een lidstaat gevestigde belastingplichtige toe te rekenen zijn’. De koppeling aan de antimisbruikbepaling betekent dat de bewijslast terzake niet direct op de belanghebbende kan worden gelegd, maar dat de belastingautoriteiten misbruik aannemelijk moeten maken. Een van de, door de autoriteiten te bewijzen, indicatoren betreft de uiteindelijke gerechtigdheid. In de zaak-T Danmark en Y Denmark lijkt het Hof van Justitie echter voor de Moeder-dochterrichtlijn eenzelfde lijn te volgen als zij in de zaak-N Luxemburg 1 e.a. doet voor de Rente- en royaltyrichtlijn. Het hof overweegt dat ‘wanneer de uiteindelijk gerechtigde tot de uitgekeerde dividenden zijn fiscale woonplaats in een derde staat heeft, de weigering van de (…) vrijstelling geenszins afhankelijk is van de vaststelling dat sprake is van fraude of rechtsmisbruik’. Door de eis van uiteindelijke gerechtigdheid expliciet op te nemen in de algemene voorwaarden voor toepassing van de richtlijn, gaat de Rente- en royaltyrichtlijn een stap verder dan de Moeder-dochterrichtlijn in het verleggen van de bewijslast naar de belastingplichtige. Het Hof van Justitie hanteert ook in de Moeder-dochterrichtlijn-zaak – ondanks het ontbreken van een tekstuele basis daartoe in de richtlijn – uiteindelijke gerechtigdheid als toepassingsvoorwaarde. Tegelijkertijd geeft het hof in beide zaken aan dat mogelijk geen sprake is van misbruik, indien bij een rechtstreekse uitkering van de dividenden aan de achterliggende aandeelhouder in de derde staat respectievelijk rechtstreekse betaling van de interest eveneens een vrijstelling zou hebben gegolden, omdat dan ‘de structuur van het concern er niet op gericht is enig rechtsmisbruik tot stand te brengen’. Het hof trekt hiermee de uitkomsten van beide zaken naar elkaar toe, ondanks de verschillen in tekst en opzet van de richtlijnen. Dit past bij de insteek van een algemeen unierechtelijk misbruikconcept, maar waar het de toegang tot de Moeder-dochterrichtlijn betreft – die volgens het hof ook kan worden afgewezen buiten gevallen van misbruik – wringt het wel.
(…).
4. Verhouding algemeen misbruikconcept en het secundaire Unierecht
Het Hof van Justitie gaat uit van een algemeen unierechtelijk misbruikconcept dat ook van toepassing is binnen het secundaire Unierecht. Antimisbruikbepalingen binnen de richtlijnen dienen dus overeenkomstig het op het primaire EU-recht gebaseerde misbruikleerstuk te worden uitgelegd. In die zin voegt een bepaling waarin misbruik wordt omschreven, zoals de GAAR van art. 1 lid 2 Moeder-dochterrichtlijn, niet veel toe.
(…).”
5.3
Albert42.is kritisch op de Hofuitspraken in de zaken waarbij deze bijlage hoort. Hij ziet een discriminatie van het grensoverschrijdende inhoudsloze geval ten opzichte van het vergelijkbare binnenlandse inhoudsloze geval:
“Een substanceloze persoonlijke houdstervennootschap vormt een kunstmatige constructie ‘voor zover zij niet is opgezet op grond van zakelijke redenen die verband houden met de economische realiteit’ (art. 1 lid 3 Moederdochterrichtlijn). In binnenlandse situaties wordt een substanceloze persoonlijke houdstervennootschap nimmer als een kunstmatige constructie gezien. Volgens mij zou je daaruit kunnen afleiden dat uitstel van inkomstenbelastingheffing in binnenlandse situaties wordt beoordeeld als een ‘zakelijke reden die verband houdt met de economische realiteit’. De vraag is waarom uitstel van inkomstenbelasting voor een inwoner van België dan geen zakelijke reden vormt die verband houdt met de economische realiteit.”
Hij meent dat u daarom prejudiciële vragen zou moeten stellen aan het HvJ:
“De antimisbruikbepaling van art. 4-3c Wet DB 1965 is een Europeesrechtelijke bepaling, zodat het HvJ EU de uitleg ervan bepaalt. Het HvJ zal niet zelf vaststellen of er in een concreet geval sprake is van misbruik. Het HvJ zal de nationale rechter enkel aanwijzingen kunnen geven hoe te beoordelen of er sprake is van misbruik (veelal in de vorm van een antwoord op prejudiciële vragen).43.Volgens mij zou de Hoge Raad het HvJ om aanwijzingen moeten vragen in hoeverre van misbruik van de Moederdochterrichtlijn sprake kan zijn bij een dividenduitkering door een in Nederland gevestigde vennootschap aan een substanceloze houdstervennootschap die is gevestigd in België, waarvan alle aandeelhouders eveneens inwoner van België zijn. Dit tegen de achtergrond van het feit dat een dividenduitkering door een in Nederland gevestigde vennootschap aan een substanceloze houdstervennootschap die is gevestigd in Nederland per definitie geen misbruik vormt (…).”
5.4
Ook Van Duppen44.is kritisch op met name één van de twee Hofuitspraken waarop deze bijlage ziet en suggereert prejudiciële vragen aan het HvJ (ik laat voetnoten weg):
“Ad 2 - Het ontbreken van substance
Zoals al eerder opgemerkt wordt de substance ook vaak als een relevante factor gezien. Dit brengt mij op het tweede argument van het hof [Amsterdam; PJW], namelijk het ontbreken van substance. In een en dezelfde rechtsoverweging lijkt het hof zichzelf tegen te spreken. Waar er eerst wordt aangegeven dat andere deelnemingen van belanghebbende toerekenbaar zijn aan een materiële onderneming van belanghebbende, wordt vervolgens gesteld dat de inspecteur terecht heeft gewezen op het ontbreken van enige (relevante) substance. X N.V. drijft in de visie van het hof dus een materiële onderneming (ten aanzien van andere deelnemingen) en tegelijkertijd is er sprake is van een puur formele structuur zonder enige relevante substance (ten aanzien van de deelneming in A B.V.). Ik zie niet in hoe een vennootschap een materiële onderneming kan drijven zonder dat zij ook maar enige substance heeft (en in de visie van het hof dus een volstrekt kunstmatige houdster is). Dit laat zien dat het hof dit niet toetst op het niveau van de X N.V. zelf, maar het hof lijkt dit te toetsen vanuit A B.V. en de bemoeienis van X N.V. met A B.V. Dit zou dan met zich meebrengen dat een holdingstructuur vanuit de ene deelneming als volstrekt kunstmatig kan worden beschouwd, terwijl het vanuit een andere deelneming als zakelijke structuur wordt beschouwd.(…).
Kunstmatig?
Een andere relevante vraag is of de ontstaansgeschiedenis van de holdingstructuur hier nog van belang is. In hoeverre is een holdingstructuur die (bijvoorbeeld) al 30 jaar bestaat een volstrekt kunstmatige constructie te noemen die is opgezet om (30 jaar later) een dividendbelastingvoordeel te genieten? In het hoger beroep komt dit niet aan de orde. Naar mijn mening impliceert de term 'misbruik' dat er toch sprake moet zijn van een welbewuste handeling (tussenschuiven van een entiteit) om een belastingvoordeel te behalen. De vraag is of dat het geval is in een reguliere holdingstructuur. Daarbij wordt een holdingstructuur in binnenlandse situaties als volstrekt legitiem gezien. Voor een Belgische DGA, die gebruik zal maken van een persoonlijke houdstervennootschap om veelal exact dezelfde redenen als een Nederlandse DGA, is dit dan ineens misbruik. Naar mijn mening is dit een vreemde conclusie, nog los van de Europeesrechtelijke vraag die dit met zich mee kan brengen.
De ontstaansgeschiedenis werd wel relevant geacht in een andere recente uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. In deze uitspraak wordt wel gekeken naar de totstandkoming van de structuur en wordt geconcludeerd dat op geen enkel moment bedoeld is geweest om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.
Resumerend is er op de uitspraak naar mijn mening wel het een en ander af te dingen. Met name het feit dat Belgische holding wel degelijk substance bezit en zich actief bezighoudt met het beheer en bestuur van verschillende deelnemingen en in dit kader een materiële onderneming drijft, is wat mij betreft moeilijk te verenigen met de conclusie dat er sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie.
4. Conclusie
(…).
Overigens is cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof, zodat de Hoge Raad nog kans heeft om een deel van de onzekerheid weg te nemen (eventueel door prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie). Laten we het hopen.”
5.5
Marres45.is kritisch op de (toepassing van de) Nederlandse implementatie van de anti-misbruikbepaling van art. 1(2) MDR in art. 4(3)(c) MDR; hij meent dat, gegeven de rechtspraak van het HvJ EU, ook bij ‘de subjectieve toets’ al tegenbewijs moet worden toegelaten en dat u duidelijker moet maken dat u in zaken over misbruik van EU-recht u niet in de eerste plaats laat leiden door lokale parlementaire geschiedenis, maar vooral door de misbruikrechtspraak van het HvJ (ik laat voetnoten weg):
“Dividenduitdelingen van Nederlandse vennootschappen aan moedervennootschappen die binnen de EER of in een verdragsstaat zijn gevestigd, zijn in beginsel vrijgesteld van dividendbelasting.1 Er geldt een uitzondering in het geval van misbruik. En die uitzondering leidt in de praktijk tot veel problemen, zowel van de zijde van belastingplichtigen als van de Belastingdienst. Dat is vooral het geval bij uitdelingen aan tussenholdings. In het verleden werden deze problemen praktisch opgelost met substance-lijstjes; werd eraan voldaan, dan gold dat als safe harbour, werd er niet aan voldaan, dan werd misbruik verondersteld. Die handelwijze, hoe begrijpelijk ook vanuit het in de ‘praktijk’ levende verlangen naar rechtszekerheid en praktische toepasbaarheid, was al vanaf het begin gedoemd te mislukken, gelet op de relevantie van het EU-recht, waarover later meer. Inmiddels is de (lagere) wetgever ook tot dit inzicht gekomen. Maar er blijft nog een boel onhoudbare nationale folklore over (zoals de ‘wegdenkgedachte’ en de ‘schakelfunctie’, waarover later meer), gestoeld op een aantal uitgangspunten die naar mijn mening misverstanden zijn. Over vier van die misverstanden weid ik hierna uit.
Misverstand 1: De wetsgeschiedenis is leidend bij de interpretatie van de misbruiktoets
(…).
Wij moeten ons bij de uitleg van de antimisbruikbepaling met name richten op de jurisprudentie van het HvJ EU.
Misverstand 2: De wegdenkgedachte is beslissend bij de toepassing van de ‘subjectieve toets’
Volgens het HvJ EU is voor het bewijs dat sprake is van misbruik ‘enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat’. In de MvT wordt opgemerkt dat volgens de antimisbruikbepaling sprake is van misbruik ‘indien – kort gezegd – de aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap of houdstercoöperatie worden gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van dividendbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie (objectieve toets)’. Dat is een adequate benadering: de objectieve toets is wat anders geformuleerd, maar het is redelijk om aan te nemen dat het doel van de richtlijn niet wordt bereikt indien de voordelen worden toegekend aan kunstmatige constructies.
Over de objectieve toets later meer, ik vestig de aandacht thans op de subjectieve toets. Die wordt even verderop in de MvT toegelicht, en daarbij wordt opgemerkt dat ‘een vergelijking [wordt] gemaakt tussen de situatie dat de aandelen (…) in het uitdelende, in Nederland gevestigde lichaam worden gehouden door de belastingplichtige (het lichaam dat de aandelen of de lidmaatschapsrechten in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt), ten opzichte van de situatie dat de aandelen of de lidmaatschapsrechten rechtstreeks zouden worden gehouden door de achterligger(s) die – onmiddellijk of middellijk – de aandelen of lidmaatschapsrechten in de belastingplichtige bezit(ten), dus zonder tussenkomst van de belastingplichtige (de zogenoemde wegdenkgedachte)’. Hier gaat het mis. De wegdenkgedachte is een nuttig uitgangspunt om misbruik te toetsen (het is verdacht als een vennootschap wordt tussengeschoven die – afgezien van de antimisbruikbepaling – recht heeft op inhoudingsvrijstelling terwijl de indirecte aandeelhouder dividendbelasting zou zijn verschuldigd), maar het is niet uitgesloten dat er een ander, niet fiscaal motief voor de inschakeling van de belastingplichtige bestond. De tegenbewijsmogelijkheid van de belastingplichtige mag daarom niet worden beperkt tot de ‘objectieve toets’, maar moet de belastingplichtige de kans bieden om andere motieven aannemelijk te maken.
Ten onrechte wordt in de wetsgeschiedenis echter de misbruikbedoeling als een gegeven verondersteld wanneer de belastingplichtige in een gunstigere dividendbelastingpositie verkeert. De Hoge Raad lijkt deze visie helaas te volgen. Hoewel de Hoge Raad zich duidelijk rekenschap geeft van het belang van de jurisprudentie van het HvJ EU, meen ik dat hij wel duidelijker zou kunnen aangeven dat de tegenbewijsmogelijkheid ook moet zien op het motief van de inschakeling van de belastingplichtige.
Misverstand 3: Bij toepassing van de wegdenkgedachte moet worden weggedacht ‘tot de eerste onderneming’
(…).
Misverstand 4: de schakelfunctie is een reële functie
Tot 2020 bood art. 1bis Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 (Ub Divb) een safe harbour voor tussenholdings met een schakelfunctie die aan de aldaar genoemde substance-criteria voldeden. Inmiddels is die safe harbour geschrapt (terecht), en dienen de substance-criteria slechts ter indicatie van de aan- of afwezigheid van de reële functie van de belastingplichtigen (eveneens terecht). De ‘schakelfunctie’ blijft echter een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van eventueel misbruik van tussenholdings. Van een schakelfunctie is kennelijk sprake indien de tussenhoudster een relatie legt tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van haar kleindochtermaatschappij(en). Niemand is er ooit in geslaagd om mij uit te leggen wat er nu echt wordt bedoeld met de ‘schakelfunctie’ c.q. de ‘reële schakelfunctie’. (…). Laat ik het maar gewoon zeggen: de schakelfunctie is onzin.”
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑05‑2023
Gerechtshof Amsterdam 2 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1731, FutD 2022-1744, NLF 2022/1274 met noot Hennevelt, en Gerechtshof Amsterdam 2 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1732, FutD 2022-1744, NLF 2022/1249 met noot Hennevelt, V-N 2022/37.7 met noot redactie.
Beide belanghebbenden hebben de dividenduitkering ontvangen op 31 juli 2018. De tekst van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting is per 1 april 2018 gewijzigd. Ik ga uit van de tekst zoals die luidt met ingang van 1 april 2018. Ten opzichte van de tekst die gold per 1 januari 2018 zijn onderdelen ‘g’ en ‘h’ nieuw.
Wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de introductie van een inhoudingsplicht voor houdstercoöperaties, de uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en wijziging van enkele antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting en vennootschapsbelasting (Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling) Stb. 2017, 520.
Kamerstukken II 2017/2018, 34.788, nr. 3 (MvT), p. 2.
Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2015, L 21/1).
BEPS = base erosion and profit shifting.
OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, ACTION 6: 2015 Final Report, raadpleegbaar via de website van OESO (Preventing the Granting of Treaty Benefits in Inappropriate Circumstances, Action 6 - 2015 Final Report | READ online (oecd-ilibrary.org)).
Kamerstukken II 2017/2018, 34.788, nr. 3 (MvT), p. 5-7.
Voetnoot in origineel: Richtlijn 2015/121/EU van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2015, L 21).
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, blz. 59.
(toevoeging PJW) Deze voorwaarden zijn opgenomen in Artikel 1bis(g) en (h) Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting.
Voetnoot in origineel: Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 juni 2014, nr. DGB 2014/3099 (Stcrt. 2014, 15956).
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2016/17, 25 087, nr. 139.
Kamerstukken II 2017/2018, 34.788 nr. 6 (NnavV), p. 23.
Deze nota bestreek vijf wetsvoorstellen, waardoor haar (eerste) nummer afwijkt van het nummer in de Tweede Kamer. De Nota in de Eerste Kamer zag op de wetsvoorstellen 34 785, Wijziging van enkele Belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2018), 34 786, Wijziging van enkele Belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2018), 34 787, Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 en enkele andere wetten (Wet afschaffing van de btw-landbouwregeling), 34 788, Wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de introductie van een inhoudingsplicht voor houdstercoöperaties, de uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en wijziging van enkele antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting en vennootschapsbelasting (Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling) en 34 819, van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld.
Voetnoot in origineel: HvJ EU 7 september 2017, C-6/16, ECLI:EU:2017:641.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2017/18, 34 788, nr. 6, blz. 27.
Brief d.d. 2 november 2017 van de staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Kamerstukken II 2017/2018, 34.788 nr. 8, p. 2.
Voetnoot in origineel: Kamerstuk 33 003, nr. 3, blz. 105.
Kamerstukken II 2015/2016, 34 306, nr. 3 (MvT), p. 5.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, blz. 71.
Voetnoot in origineel: IP/10/1252.
Voetnoot in origineel: Zie arrest van het HvJ EU van 16 juli 1998, zaak C-264/96 (ICI), BNB 1998/420, en arrest van het HvJ EU van 12 september 2006, zaak C-196/04 (Cadbury Schweppes), BNB 2007/54.
Voetnoot in origineel: Mededeling van de Europese Commissie, COM(2007) 785 def.
Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, p. 105 en 106.
Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, p. 93 en 94.
HvJ 12 september 2006, C-196/04, Cadbury Schweppes plc en Cadbury Schweppes Overseas Ltd v. Commissioners of Inland Revenu, na conclusie Léger, ECLI:EU:C:2006:544, BNB 2007/54, met noot Wattel.
Controlled Foreign Companies.
Lager dan driekwart van de belasting die in geval van Brits inwonerschap in het VK verschuldigd zou zijn.
HvJ 8 maart 2017, C-6/16, Euro Park Service, na conclusie Kokott, ECLI:EU:C:2017:177, NTFR 2017/805, met noot Egelie.
HvJ 7 september 2017, C-6/16, Eqiom en Enka, na conclusie Kokott, ECLI:EU:C:2017:641, BNB 2018/55, nt. Egelie.
HvJ 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, zonder voorafgaande conclusie, ECLI:EU:V:2017:1009, BNB 2018/56 met noot Egelie.
Aldus ook H. Vermeulen, ‘De Deense beneficial ownership-zaken in relatie tot Deister Holding en Juhler Holding,’ NTFR 2019/1787. U zie ook uw recente arrest over de toepassing van art. 10a Wet Vpb op rente-aftrek bij interne concernfinanciering van een kapitaalstorting: een geld-doorgeefluik in de concernstructuur is misbruik, een interne financier met een ‘financiële spilfunctie’ daarentegen is zakelijk (HR 3 maart 2023, rolnr. 21/00299, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2023:330, BNB 2023/61 met noot R.J. de Vries).
HvJ 26 februari 2019, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, T Danmark & Y Denmark, na conclusie Kokott, ECLI:EU:C:2019:135, BNB 2020/10, met noot Douma.
HR 10 januari 2020, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2020:21, BNB 2020/80 met noot Egelie.
Zie ook S. van Mierlo, Nederlandse antimisbruikbepaling voor de dividend- en bronbelasting in internationaal perspectief, WFR 2023/69.
E. Boomsluiter, Bewijslastverdeling en misbruikindicatoren in het secundaire Unierecht, MBB 2022/39.
P.G.H. Albert, ‘Persoonlijke houdstervennootschap zonder substance: een kunstmatige constructie? (2)’, WFR 2022/225.
Voetnoot in origineel: HvJ EU 26 februari 2019, C116/16 en C117/16, BNB 2020/10 (r.o. 99).
B. van Duppen, ‘(Belgische) Holdingstructuren met Nederlandse deelnemingen verder onder druk,’ OdG (Over de grens) 2022/131.
O.C.R. Marres, ‘Over de schakelfunctie en drie andere misverstanden’, NTFR 2022/2349.
Conclusie 26‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:572 Weigering Inhoudingsvrijstelling dividendbelasting wegens misbruik; art. 4(3)(c) Wet DivB, 'objectieve' en 'subjectieve' toets; wegdenkcriterium; kunstmatige constructie? Bewijslastverdeling; Strijd met unierecht? Feiten: De belanghebbende is een in België gevestigde BV die via een Nederlandse tussenhoudster een indirect belang houdt in een Nederlandse CV van een private equity huis. Haar aandeelhouders zijn holdings die (middellijk) in handen zijn van in België wonende leden van een familie. Naast het indirecte belang in het private equity fonds houdt zij belangen in Nederlandse en Belgische entiteiten. Haar bestuurlijke, juridische en administratieve werk wordt gedaan door een echtpaar, leden van de familie, die daarvoor in hun woning een aparte werkruimte hebben ingericht. Zij ontvangen daarvoor jaarlijks significante managementvergoedingen van de belanghebbende. De belanghebbende heeft geen personeel en geen eigen kantoorruimte. In 2018 heeft zij een dividend ontvangen van de Nederlandse tussenhoudster waarop 5% Nederlandse dividendbelasting is ingehouden. Zou de belanghebbende in Nederland gevestigd zijn geweest, dan was het dividend vrijgesteld geweest (deelnemingsvrijstelling; art. 13 Wet Vpb) en was op grond van art. 4(2) Wet Divb ook inhouding van dividendbelasting achterwege gebleven. In geschil is of de belanghebbende recht heeft op de inhoudingsvrijstelling in art. 4(2) Divb dan wel de anti-misbruikbepaling in art. 4(3)(c) Divb daaraan in de weg staat. Die bepaling sluit de vrijstelling uit als (i) het belang in een Nederlandse uitkerende vennootschap gehouden wordt via de belastingplichtige met als doel belastingheffing bij een ander (de uiteindelijk gerechtigde) te ontgaan (‘subjectieve’ toets) en (ii) dat indirecte belang een kunstmatige constructie is (‘objectieve’ toets). Met name is in geschil of ’s Hofs toepassing strookt met (de rechtspraak van het HvJ EU over) de antimisbruikbepaling in art. 1(2) van de EU-moeder/dochterrichtlijn (MDR). De Rechtbank Noord-Holland achtte belanghebbende gerechtigd tot de inhoudingsvrijstelling op grond van haar reële functie. Het Hof Amsterdam oordeelde in hoger beroep daarentegen dat zij wegens misbruik van de vrijstelling er geen recht op had omdat het private equity belang geen onderdeel uitmaakte van haar substance maar slechts een passief aan het private equity fonds ter beschikking gestelde som geld was. In cassatie betoogt de belanghebbende dat het Hof: (a) ten onrechte ontwijkingsbedoelingen aannemelijk acht op de enkele grond dat haar (uiteindelijke) aandeelhouders natuurlijke personen zijn die geen beroep op de inhoudingsvrijstelling hebben (de wegdenkgedachte); (b) voor de objectieve toets kennelijk bepalend heeft geacht dat het belang in de Nederlandse tussenhoudster niet aan haar onderneming kan worden toegerekend, en ten onrechte meent dat geen sprake zou zijn van relevante substance bij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten, en haar besluitvorming volledig in handen zou zijn van de familie, zodat zij niet vrij zou kunnen beschikken over dividenden van de tussenhoudster. AG Wattel constateert dat de termen ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets die de wetgever in dit misbruikverband heeft gebruikt uiterst verwarrend zijn omdat ook het algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is een objectief en een subjectief criterium kent, maar met een andere inhoud, nl. (i) objectieve strijd met doel en strekking van de wet en (ii) subjectieve ontwijkingsbedoelingen. De twee nationaalrechtelijke toetsen, óók de objectieve, vallen zijns inziens beide onder het aan bewijslevering onderworpen subjectieve criterium (intentie) van het algemene misbruikconcept van het HvJ. Ook het Hof Amsterdam is daarvan kennelijk uitgegaan, nu hij óók ter zake van het al dan niet kunstmatige karakter van de structuur de bewijslast expliciet bij de Inspecteur heeft gelegd. Hij heeft dus niet enkel het wegdenk-criterium al voldoende geacht voor een rechtsvermoeden van misbruik en omkering van de bewijslast. Zou (wél) alleen voldoening aan het wegdenk-criterium bewezen hoeven te worden door de Inspecteur, dan zou dat inderdaad een te mechanische en te algemene toets zijn om een rechtsvermoeden van antifiscale motieven en daarmee omkering van de bewijslast te rechtvaardigen, gegeven de arresten Eqiom, Deister en Juhler en Euro Park Service van het HvJ. Daarmee ontvalt de bodem grotendeels aan belanghebbendes cassatieberoep, dat er ten onrechte vanuit gaat dat het Hof volstaan zou hebben met voldoening aan het wegdenk-criterium als grond voor een misbruikvermoeden en omkering van de bewijslast. Dat heeft het Hof Amsterdam expliciet niet gedaan. De parlementaire geschiedenis van art. 4(3)(c) Wet Divb, doet volgens de AG maar zijdelings ter zake, nu die bepaling hoe dan ook EU-rechtconform uitgelegd en toegepast moet worden, zodat niet die parlementaire geschiedenis, maar de HvJ-misbruikrechtspraak beslissend is. AG Wattel acht het arrest HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster) ook na de invoering van art. 4(3) Wet Divb in 2018 nog leidend voor de toepassing van de antimisbruikbepaling, nu dat arrest zegt dat (i) de nationale implementatie van de MDR-misbruikbepaling conform het EU-recht moet worden toegepast, (ii) welke arresten van het HvJ bepalend zijn, waaronder Eqiom, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark, (iii) ook de bewijslastverdeling door dat EU-recht wordt bepaald en (iv) het Hof in die zaak zulks niet had miskend, waardoor alleen de vraag overbleef of ’s Hofs bewijsoordelen voldoende gemotiveerd waren. Het enkele feit dat de aandeelhouders in de moedervennootschap zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden kunnen doen gelden, wijst inderdaad onvoldoende op misbruik van de richtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen, maar daarvan is dus geen sprake, omdat het Hof ook de bewijslast ter zake van de kunstmatigheid op de Inspecteur heeft gelegd. Anders dan in HvJ Eqiom is geen sprake van een automatisch of categorisch misbruikvermoeden zonder dat de inspecteur gehouden is (objectieve) aanwijzingen van misbruik aannemelijk te maken. En anders dan in Deister en Juhler is geen sprake van uitsluiting van de richtlijnvoordelen op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Tegenbewijs is juist expliciet open gesteld. AG Wattel meent daarom dat het Hof Amsterdam de bewijslast EU-rechtelijk correct heeft verdeeld en dat de suggestie van de Staatssecretaris dat voldoening aan het wegdenk-criterium al voldoende zou zijn voor omkering van de bewijslast onjuist is. De belanghebbende heeft tot bewijs van niet-kunstmatigheid en economische realiteit een reeks omstandigheden aangevoerd die het Hof alle heeft beoordeeld met als conclusie dat zij niet relevant, niet overtuigend of niet aannemelijk zijn. Hij heeft op basis van alle relevante omstandigheden van het individuele geval tegenover de door de Inspecteur aannemelijk gemaakte aanwijzingen van passief beleggen en kunstmatigheid niet aannemelijk geoordeeld dat het private equity belang onderdeel zou zijn van de overigens inderdaad bestaande substance van de belanghebbende en meer zou zijn dan een passief aan het private equity fonds ter beschikking gestelde som geld. Aldus heeft het Hof heeft volgens de AG voldaan aan de voorschriften van het HvJ dat “in elk concreet geval (…) de desbetreffende constructie in haar geheel (moet) worden onderzocht” (Cadbury Schweppes), dat de nationale rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen “dat de bestanddelen van (…) misbruik verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen” (T Danmark en Y Denmark). De uitkomst van ‘s Hofs feitenonderzoek op basis van die EU-rechtelijk correcte maatstaven acht de AG niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk en daarom in cassatie onaantastbaar. Het beroep op het EU-Handvest wordt pas voor het eerst in cassatie gedaan, zodat daarop niet kan of hoeft te worden ingaan. Redelijkerwijs valt volgens AG Wattel overigens niet te betwijfelen dat als misbruik van de Richtlijn feitelijk is vastgesteld, zoals in casu, waardoor ook beroep op het primaire EU-recht van de verkeersvrijheden uitgesloten is, dat geconstateerde misbruik evenzeer beroep uitsluit op ander primair EU-recht zoals het EU-Handvest. Ten overvloede merkt de AG op dat de als vergelijkbaar gestelde binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen niet vergelijkbaar zijn: was de belanghebbende in het binnenland gevestigd, dan zou zij binnenlands belastingplichtig én inhoudingsplichtig zijn geweest. Onderworpen gevallen zijn niet gelijk aan niet-onderworpen gevallen, noch in het licht van het doel van de dividendbelasting om de opbrengst van met eigen vermogen gefinancierde economische activiteiten op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat te belasten, noch in het licht van het doel misbruik te bestrijden, welk misbruik zich in casu in de door de belanghebbende opgevoerde binnenlandsituatie niet kan voordoen. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02695
Datum 26 mei 2023
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Dividendbelasting / 2018
Nr. Gerechtshof 20/00439
Nr. Rechtbank HAA 19/862
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
[X] N.V.
tegen
de Staatssecretaris van Financiën
Met bijlage
1. Overzicht
1.1
De belanghebbende is een in België gevestigde BV. Zij houdt via de Nederlandse tussenhoudster [A] BV ( [A] ) een belang in een in Nederland gevestigde CV van private equity huis [B] . Haar aandeelhouders zijn [J] Holding BVBA ( [J] Holding) en [K] BVBA ( [K] ), die (middellijk) in handen zijn van leden van een familie die allen in België wonen. Naast het indirecte belang in portfolio-investeringen van [B] houdt de belanghebbende belangen in Nederlandse en Belgische entiteiten.
1.2
Het statutaire bestuur van de belanghebbende bestaat uit [L] , [J] Holding en [M] NV ( [M] ), welke laatste vennootschap beheerst wordt door [AA] , de broer van [L] . Via [M] is [AA] gedelegeerd bestuurder van de belanghebbende. De echtgenote van [AA] , [N] , doet via [J] Holding juridisch en administratief werk voor de belanghebbende. In de woning van het echtpaar is een aparte werkruimte ingericht van waaruit zij hun werkzaamheden voor de belanghebbende uitvoeren. In 2017 heeft [M] ongeveer € 525.000 aan managementvergoedingen aan de belanghebbende in rekening gebracht en [J] Hilding ongeveer € 150.000. De belanghebbende heeft geen personeel.
1.3
In 2018 heeft de belanghebbende een dividend ad € 507.920 ontvangen van [A] , waarop 5% dividendbelasting (€ 25.396) is ingehouden. Zou de belanghebbende in Nederland gevestigd zijn geweest, dan was daarvoor de deelnemingsvrijstelling (art. 13 Wet op de vennootschapsbelasting (Vpb)) hebben gegolden en zou daarom op basis van art. 4(2) Wet op de dividendbelasting (Divb) inhouding van dividendbelasting in beginsel achterwege zijn gebleven.
1.4
In geschil is of de belanghebbende recht heeft op die inhoudingsvrijstelling dan wel de antimisbruikbepaling in art. 4(3)(c) Divb daaraan in de weg staat. Die bepaling sluit de vrijstelling uit als het belang in een Nederlandse uitkerende vennootschap gehouden wordt via de belastingplichtige met als doel belastingheffing bij een ander (de uiteindelijk gerechtigde) te ontgaan (‘subjectieve’ toets) en dat indirecte belang een kunstmatige constructie is (“objectieve’ toets).
1.5
Ik concludeer vandaag ook in de zaak met rolnummer 22/02691, waarin eveneens de toepassing van de genoemde inhoudingsvrijstelling in geschil is. Bij deze en die conclusie gaat een gemeenschappelijke bijlage waarin de wet- en regelgeving, parlementaire geschiedenis, rechtspraak en literatuur wordt aangehaald die in beide zaken van belang is.
1.6
De Rechtbank Noord-Holland1.achtte de belanghebbende gerechtigd tot de inhoudings-vrijstelling. Weliswaar is het uitgangspunt in de parlementaire geschiedenis van art. 4(3)(c) Divb dat onzakelijke motieven worden verondersteld als méér dividendbelasting verschuldigd was geweest als het dividend rechtstreeks aan belanghebbendes aandeelhouders zou zijn uitgekeerd (subjectieve toets, wegdenkgedachte) en weliswaar is dat het geval (15% in plaats van 5%), maar op grond van de feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, meent de Rechtbank dat de belanghebbende reële betekenis heeft en een economische en commerciële rechtvaardiging bestaat voor haar bestaan en haar houderschap van het belang in [A] (objectieve toets). De belanghebbende drijft volgens de Rechtbank een materiele onderneming en houdt daarin het belang in [A] .
1.7
In hoger beroep oordeelt het Hof Amsterdam2.met verwijzing naar HR BNB 2020/80 dat de Rechtbank terecht de wegdenkgedachte ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel dat ontgaan van dividendbelasting een hoofddoel is van belanghebbendes houderschap (subjectieve toets), maar anders dan de Rechtbank meent het Hof dat de Inspecteur kunstmatigheid voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat belanghebbende daartegenover onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit, zodat de vrijstelling niet van toepassing is.
1.8
In cassatie acht de belanghebbende art. 4(2) en (3)(c) Wet Divb geschonden, evenals art. 1(2), (3) en (4) MDR, de artt. 20, 49 en 63 VvEU, de artt. 20 en 21 van het EU-Grondrechtenhandvest en art. 8:77 Awb, omdat het Hof (a) ontwijkingsbedoelingen kennelijk aannemelijk acht op de enkele grond dat belanghebbendes (uiteindelijke) aandeelhouders natuurlijke personen zijn die geen beroep op de inhoudingsvrijstelling hebben (de wegdenkgedachte). Die uitleg van de subjectieve toets is onjuist, althans 's Hofs oordeel is onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd; (b) voor de objectieve toets kennelijk bepalend heeft geacht dat het belang in [A] niet aan de onderneming van belanghebbende kan worden toegerekend, geen sprake zou zijn van relevante substance bij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten, en belanghebbendes besluitvorming volledig in handen zou zijn van de familie, zodat zij niet vrij zou kunnen beschikken over de [A] -dividenden. Dat oordeel is onjuiste of onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd.
1.9
De belanghebbende licht toe dat het Hof ten onrechte absolute betekenis toekent aan het wegdenkcriterium. Zij is een investeringsmaatschappij met een groot aantal deelnemingen, substance en aanzienlijke beheerskosten; zij is niet opgericht of tussengeschoven met het oog op een belang in [A] , laat staan met het oog op verwacht dividend. Evenmin is sprake, zoals in BNB 2020/80, van zetelverplaatsing of iets anders dat de Nederlandse dividendbelasting frustreert. Er is volgens haar evenmin iets kunstmatigs aan een al 30 jaar bestaande investeringsmaatschappij van een familie die al die jaren heeft geïnvesteerd en geherinvesteerd, die altijd gevestigd is geweest in de lidstaat waar de familie woont, die haar onderneming drijft met deskundig personeel, al is dat in arbeidsrechtelijke zin niet bij haar in dienst maar bij een gelieerde maatschappij die de aanzienlijke kosten daarvan doorbelast. Dat een vennootschap wordt beheerst door aandeelhouders leidt niet tot toerekening aan die aandeelhouders. De mogelijkheid om vanuit de belanghebbende te herinvesteren is een legitiem zakelijk belang, ook als geen verplichting tot herinvestering bestaat, en van een verplichting tot doorbetaling van ontvangen dividend is geen sprake. ’s Hofs oordeel schendt volgens de belanghebbende (ook) het primaire EU-recht door de grensoverschrijdende situatie te benadelen ten opzichte van de vergelijkbare interne situatie.
1.10
Ik acht de termen ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets die de wetgever in dit misbruikverband heeft gebruikt uiterst verwarrend omdat ook het door het HvJ ontwikkelde algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is – en dat beslissend is voor de uitleg van zowel art. 1(2) MDR als art. 4(3)(c) Wet Divb – een objectief en een subjectief criterium kent, nl. (i) objectieve strijd met doel en strekking van de wet en (ii) subjectieve ontwijkingsbedoelingen. Die hebben echter een andere inhoud dan de toetsen in art. 4(3)(c) Wet Divb; die twee nationaalrechtelijke toetsen, óók de objectieve, vallen beide onder het aan bewijslevering onderworpen subjectieve criterium (intentie) van het algemene misbruikconcept van het HvJ. Doel en strekking van de wet/het EU-recht daarentegen, behoeven geen bewijs, want ius curia novit: ter zake daarvan kan geen bewijs(lastverdeling) aan de orde zijn. Ook het Hof Amsterdam is daarvan kennelijk uitgegaan, nu hij óók ter zake van het al dan niet kunstmatige karakter van de structuur de bewijslast expliciet bij de Inspecteur heeft gelegd. Hij heeft dus niet enkel het wegdenk-criterium al voldoende geacht voor een rechts-vermoeden van misbruik en omkering van de bewijslast. Verwarrend aan de Nederlandse implementatie is dat het EU-rechtelijke rechtskundige criterium voor misbruik (‘ondermijning’ van doel en strekking van de richtlijn) niet is overgenomen in art. 4(3)(c) Wet Divb en dat de tweede nationaalrechtelijke toets (kunstmatigheid) kennelijk tegelijk óók moet functioneren als criterium voor strijd met doel en strekking van de wet c.q. de richtlijn: het heeft een dubbelfunctie. Uit kunstmatigheid in het licht van de economische realiteit wordt zowel (weerlegbaar) een subjectieve ontwijkingsintentie afgeleid als een rechtskundig argument voor een rechtskundige kwalificatie (strijd met doel en strekking van de regeling waarop de belastingplichtige zich beroept); HvJ T Danmark en Y Denmark biedt daarvoor steun, maar de implementatie had duidelijker gekund.
1.11
Door het hybride karakter van de ‘objectieve toets’ (kunstmatigheid) en doordat het Hof expliciet ook de bewijslast ter zake daarvan op de Inspecteur heeft gelegd, ontvalt voor een groot deel de bodem aan belanghebbendes cassatieberoepschrift, waarin zij de ‘objectieve toets’ ten onrechte aanmerkt als rechtsvraag. Ten onrechte merkt zij enkel de ‘subjectieve toets’ aan als een aan bewijslevering onderworpen feitelijke vraag. In haar lezing van de wet zou alleen het wegdenk-criterium dienen als toets voor antifiscale motieven. Dat zou inderdaad een te mechanische en te algemene toets zijn om antifiscale motieven aan te nemen en omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Maar dat heeft het Hof Amsterdam dus niet gedaan. Voor wat de bewijslastverdeling betreft berust het cassatiemiddel op verkeerde lezing van de Hofuitspraak, waardoor het in zoverre geen voorwerp heeft.
1.12
De parlementaire geschiedenis van art. 4(3)(c) Wet Divb doet mijns inziens maar zijdelings ter zake, nu die bepaling hoe dan ook EU-rechtconform uitgelegd en toegepast moet worden, aldus ook expliciet HR BNB 2020/80. De bedoeling en toepassing van door het EU-recht beheerste antimisbruikbepalingen wordt niet door de Nederlandse parlementaire geschiedenis bepaald, maar door de HvJ-rechtspraak daarover.
1.13
Ik meen daarom dat middelonderdeel (a), dat ziet op bewijslastverdeling en de verhouding tussen de ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets strandt. Het Hof heeft de bewijslast ook ter zake van het kunstmatigheidscriterium op de Inspecteur gelegd en uit het wegdenk-criterium niet meer dan een weerlegbaar vermoeden afgeleid dat op zichzelf onvoldoende is maar pas relevant is als de Inspecteur ook voldoende bewijs van kunstmatigheid bijbrengt.
1.14
Dan resteren de vragen of (i) ’s Hofs materieel-juridische maatstaven stroken met EU-recht en of naast beroep op art. 5 MDR ook (nog) beroep op primair EU-recht (vestigingsvrijheid en/of vrij kapitaalverkeer en EU-Handvest) open staat en (ii) zijn bewijsoordelen begrijpelijk en voldoende gemotiveerd zijn.
1.15
De belanghebbende acht HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster) niet leidend omdat inmiddels de wet twee keer gewijzigd is om hem aan EU-recht aan te passen, ook al verklaarde de wetgever dat geen inhoudelijke wijziging werd beoogd, want het EU-recht kent volgens haar noch aan het ontbreken van een materiële onderneming, noch aan het passieve karakter van beleggingen doorslaggevende betekenis toe bij de vraag of een houdster kunstmatig is. Ik zie niet in dat HR BNB 2020/80 niet leidend zou zijn, met name niet omdat de kern van dat arrest juist is dat de antimisbruikbepaling in art. 4(3) Wet Divb EU-rechtconform moet worden uitgelegd en toegepast, hetgeen ook de belanghebbende wil. Dit onderdeel van het middel lijkt dus op verkeerde lezing van HR BNB 2020/80 te berusten. Dat arrest zegt expliciet dat (i) de nationale implementatie van de MDR-misbruikbepaling conform het EU-recht moet worden toegepast, (ii) welke arresten van het HvJ daarvoor bepalend zijn, waaronder Eqiom, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark, (iii) ook de bewijslastverdeling door dat EU-recht wordt bepaald en (iv) het Hof in die zaak zulks niet had miskend, waardoor alleen de vraag overbleef of ’s Hofs bewijsoordelen voldoende gemotiveerd waren (dat waren ze). Het werkelijke geschil is dus ook in onze zaak of het Hof Amsterdam de Nederlandse wet (art. 4(3)(c) Wet Divb) heeft toegepast in overeenstemming met de misbruikrechtspraak van het HvJ, ook voor wat betreft de bewijslastverdeling.
1.16
Zoals al bleek, acht ik het enkele wegdenk-criterium in het licht van de rechtspraak van het HvJ, met name Eqiom, Deister en Juhler en Euro Park Service een te algemeen vermoeden van rechtsmisbruik, dat daarom geen omkering van de bewijslast kan rechtvaardigen. Het enkele feit dat de (indirecte) aandeelhouders in de moedervennootschap zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden hebben, wijst onvoldoende op misbruik van de richtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Maar daarvan is in casu geen sprake, omdat het Hof ook de bewijslast ter zake van de kunstmatigheid op de Inspecteur heeft gelegd. Anders dan in HvJ Eqiom is in casu geen sprake van een automatisch of categorisch misbruikvermoeden zonder dat de inspecteur gehouden is aanwijzingen van misbruik te geven. En anders dan in Deister en Juhler is in casu geen sprake van uitsluiting van de richtlijnvoordelen op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Tegenbewijs is juist expliciet open gesteld. Ik meen daarom dat het Hof Amsterdam het EU-recht niet heeft geschonden bij de bewijslastverdeling.
1.17
De belanghebbende stelt dat het Hof primair en secundair EU-recht onjuist heeft uitgelegd, c.q. dat zijn bewijsoordeel ter zake van het voldaan zijn aan de EU-rechtelijke misbruikcriteria onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is. De Inspecteur heeft volgens het Hof bewezen dat haar (indirecte) aandeelhouders niet voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van art. 5 MDR en ook dat de volgende feiten en omstandigheden zich voordoen:
- het belang in het private equity fonds is niet toerekenbaar aan belanghebbendes materiële onderneming;
- zij heeft geen enkele bemoeienis met [A] of door dien gehouden belangen; zij heeft enkel een som geld aan [B] ter beschikking gesteld en heeft geen enkele invloed op het rendement;
- zij heeft geen enkele relevante substance ter zake van het belang in [A] ; zij heeft geen personeel en geen kantoorfaciliteiten; de kantoorfaciliteiten staan alleen ten dienste van [J] Holding en [K] ;
- de besluitvorming en resultaatbestemming van de belanghebbende ligt volledig bij de familie; zij kan feitelijk niet vrij beschikken over de door haar ontvangen dividenden.
1.18
Het Hof heeft de belanghebbende in de gelegenheid gesteld daar bewijs van niet-kunstmatigheid en economische realiteit tegenover te stellen. De belanghebbende heeft daartoe een reeks omstandigheden aangevoerd die het Hof alle heeft beoordeeld met als conclusie dat zij niet relevant, niet overtuigend of niet aannemelijk zijn. Het Hof heeft mijns inziens aldus voldaan aan de voorschriften van het HvJ dat “in elk concreet geval (…) de desbetreffende constructie in haar geheel (moet) worden onderzocht” (Cadbury Schweppes), dat de nationale rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen “dat de bestanddelen van (…) misbruik verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen” (T Danmark en Y Denmark). De uitkomst van ‘s Hofs feitenonderzoek op basis van die EU-rechtelijk correcte maatstaven acht ik niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk en daarom in cassatie onaantastbaar. De omstandigheden dat de belanghebbende i) al lang bestond en ter zake van andere, door haar actief gehouden, belangen wel degelijk substance heeft en significante kosten maakt en (ii) mogelijk geen doorsnee doorstroomvennootschap is, heeft het Hof Amsterdam niet relevant geacht voor zijn oordeel dat de belanghebbende voor wat betreft het belang in [A] een door de familie leeghaalbare of verkoopbare passieve beleggingsgeldzak is. Uitgaande van ’s Hofs feitelijke oordeel dat het belang in [A] ‘een som geld’ is die los staat van belanghebbendes onderneming en die op geen enkele manier door haar wordt managed, lijkt dat oordeel mij rechtskundig correct, mede gezien r.o. 105 van T Danmark en Y Denmark. Het is, voor zover feitelijk, niet onbegrijpelijk. Het strookt met HR BNB 2020/80.
1.19
Dan resteert belanghebbendes beroep op primair EU-recht. Ik meen dat de door haar aangeroepen HvJ-arresten over vrij verkeer in de zaken Amurta en Miljoen, X en Société Générale niet relevant zijn omdat die zaken niet over misbruik gingen. Voor wat betreft haar beroep op HvJ-arresten die wél over misbruik gaan, geldt dat het HvJ in T Danmark en Y Denmark heeft beslist dat als de bronbelastingvrijstelling van art. 5 MDR niet van toepassing is wegens misbruik ervan in de zin van art. 1(2) MDR, evenmin de EU-verkeersvrijheden kunnen worden ingeroepen om op te komen tegen de bronheffing door de bronstaat. Dat ligt ook voor de hand, gegeven dat volgens HvJ Euro Park Service de algemeen-belangdoelstelling misbruik te bestrijden dezelfde draagwijdte heeft als zij wordt ingeroepen op basis van een antimisbruikbepaling in een richtlijn of als rechtvaardiging van een uitzondering op het primaire recht op vrij verkeer. Het beroep op het EU-Handvest wordt pas voor het eerst in cassatie gedaan, zodat u daar niet op in kunt of hoeft te gaan. Redelijkerwijs valt mijns inziens overigens niet te betwijfelen dat als feitelijk misbruik van de Richtlijn is vastgesteld, zoals in casu, waardoor ook beroep op het primaire EU-recht van de verkeersvrijheden uitgesloten is, dat geconstateerde misbruik evenzeer beroep uitsluit op ander primair EU-recht zoals het EU-Handvest. Grondrechten zijn er niet om belastingverijdeling te faciliteren.
1.20
Ik merk ten overvloede op dat de door de belanghebbende als vergelijkbaar gestelde binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen niet vergelijkbaar zijn: was de belanghebbende in het binnenland gevestigd, dan zou zij binnenlands belastingplichtig én inhoudingsplichtig zijn geweest. Onderworpen gevallen zijn niet gelijk aan niet-onderworpen gevallen, noch in het licht van het doel van de dividendbelasting om de opbrengst van met eigen vermogen gefinancierde economische activiteiten op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat te belasten, noch in het licht van het doel misbruik te bestrijden, welk misbruik zich in casu in de door de belanghebbende opgevoerde binnenlandsituatie niet kan voordoen. Anders dan de belanghebbende lijkt te stellen, is het ook niet zo dat de inhoudingsvrijstelling niet beschikbaar zou zijn in de grensoverschrijdende situatie; dat is zij juist wél, zij het (EU-rechtelijk verplicht) niet in geval van misbruik.
1.21
Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
De belanghebbende is een in 1991 naar Belgisch recht opgerichte naamloze vennootschap; zij is gevestigd in België. Haar aandeelhouders zijn [J] Holding en [K] , twee naar Belgisch recht opgerichte besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. De aandelen van deze twee vennootschappen worden (middellijk) gehouden door leden van de familie [O] , allen woonachtig in België.
2.2
Het statutair bestuur van de belanghebbende bestaat uit [L] , [J] Holding en [M] . Van [M] is [AA] – broer van [L] – de aandeelhouder. [AA] is ook bestuurder bij enige van belanghebbendes Belgische deelnemingen die een materiële onderneming drijven. [AA] doet uit hoofde van zijn bestuursfunctie bij de belanghebbende onderzoek naar mogelijke acquisities door de belanghebbende in de high tech sector. [N] , de echtgenote van [AA] , doet via [J] Holding juridisch en administratief werk voor de belanghebbende, voor [J] Holding en voor Belgische deelnemingen van de belanghebbende.
2.3
[M] ontvangt een jaarlijkse managementvergoeding van 0,7% van belanghebbendes geïnvesteerde vermogen voor de door [AA] voor de belanghebbende verrichte werkzaamheden (in 2017: € 525.000); [J] Holding ontvangt 0,2% voor de door [N] voor de belanghebbende verrichte werkzaamheden (in 2017 € 150.000). In de woning van [AA] en [N] is een aparte werkruimte ingericht van waaruit zij hun werkzaamheden voor de belanghebbende uitvoeren. De belanghebbende heeft geen werknemers.
2.4
De belanghebbende houdt belangen in Nederlandse en Belgische entiteiten. Een daarvan is een 24,39%-belang in [A] , een feeder vennootschap voor een fonds van private equity huis [B] die als enige bezitting een 13,57%-aandelenbelang houdt in [E] BV ( [E] ). [E] is commandiet in [F] CV ( [F] CV). [A] en [E] worden volgens de statuten bestuurd door [G] BV ( [G] ), maar feitelijk door werknemers van [G] . Dat geldt indirect ook voor [F] CV, nl. via de beherende vennoot [F] BV. Belanghebbendes indirecte belang in de individuele portfolio-investeringen van [F] CV varieert tussen de 0,33% en 0,61%.
2.5
Op 31 juli 2018 heeft [A] € 507.920 dividend aan de belanghebbende uitgekeerd, waarop 5% dividendbelasting (€ 25.396) is ingehouden. Op 30 augustus 2018 heeft [A] daarvan aangifte dividendbelasting gedaan. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de inhouding van dividendbelasting. Op 21 december 2018 heeft de inspecteur dat bezwaar afgewezen.
2.6
Het bovenstaande kan als volgt schematisch worden samengevat:

Het geschil
2.7
Zou de belanghebbende in 2018 in Nederland gevestigd zijn geweest, dan was op het dividend de deelnemingsvrijstelling van art. 13 Wet Vpb van toepassing geweest en zou daarom ook de inhoudingsvrijstelling van art. 4(2) Wet DivB van toepassing zijn geweest, waardoor van dividendbelasting geen sprake zou zijn geweest. In geschil is of de belanghebbende recht heeft op die inhoudingsvrijstelling dan wel de antimisbruikbepaling van art. 4(3)(c) daaraan in de weg staat. Art. 4(3)(c) Divb sluit de inhoudingsvrijstelling uit als het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het belang is om belastingheffing bij een ander (de uiteindelijke aandeelhouders, in casu de familie [O] ) te ontgaan (subjectieve toets) én het gaat om een kunstmatige constructie (objectieve toets). Niet in geschil is dat de belanghebbende op zichzelf voldoet aan de voorwaarden die art. 4(1) en (2) DivB stellen voor de inhoudingsvrijstelling.
De Rechtbank Noord-Holland3.
2.8
De Rechtbank heeft de subjectieve toets als volgt uitgevoerd:
“16. Bij de beoordeling van het geschil neemt de rechtbank als uitgangspunt dat indien [A] rechtsreeks dividend zou hebben uitgekeerd aan in België woonachtige natuurlijke personen 15% dividendbelasting zou zijn geheven, zodat het gebruik maken van de constructie via eiseres leidt tot een verlaging van dividendbelasting. In het licht van de hiervoor weergegeven Parlementaire Geschiedenis dient er dan ook van uit te worden gegaan dat, afgezien van andere hoofddoelen die eiseres mag hebben, in ieder geval één van de hoofddoelen van het houden van het belang in [A] door eiseres is om de heffing van dividendbelasting bij de uiteindelijke aandeelhouders te ontgaan.”
2.9
Vervolgens is de Rechtbank er bij de objectieve toets (kunstmatige constructie) van uitgegaan dat misbruik in de zin van art. 4(3)(c) Wet DivB moet worden uitgelegd conform het misbruikbegrip bij de toepassing van de EU-Moeder-Dochterrichtlijn (MDR) en van de vestigingsvrijheid (art. 49 VwEU) en de vrijheid van kapitaalverkeer (art. 63 VwEU) en de uitleg daarvan door het HvJ EU.4.Zij heeft ook steun gezocht bij HR BNB 2020/805.(Luxemburgse tussenhoudster; zie 4.6 bijlage) waarin u de misbruiktoets van art. 17(3) Wet Vpb toepaste. De Rechtbank overwoog als volgt:
“24. Op grond van het geheel van de objectieve feiten en omstandigheden dient te worden
vastgesteld of sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de
economische realiteit. Het feit dat de onderhavige constructie leidt tot het ontgaan van
dividendbelasting leidt tot een bewijsvermoeden van misbruik. Eiseres kan dit vermoeden ontzenuwen door feiten te stellen en aannemelijk te maken, die erop wijzen dat het houden van het belang niet een volstrekt kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit.25. In dit geding staat het volgende vast. Eiseres is opgericht in 1991. Haar aandelen worden (uiteindelijk) gehouden door natuurlijke personen (leden van de familie [O] ) die wonen in haar land van oprichting en vestiging (België). Eiseres houdt belangen en verwerft en vervreemdt belangen in een aantal Nederlandse en Belgische deelnemingen welke direct of indirect een onderneming drijven, waaronder het belang in [A] . In enkele Belgische deelnemingen heeft eiseres een sturende invloed. Eiseres beschikt over eigen kantoorruimte in de woning van de heer [AA] en [N] . Zij verrichten ook significante activiteiten voor eiseres, en eiseres heeft uit dien hoofde jaarlijks ook significante kosten van ruim € 650.000 per jaar. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende aannemelijk is geworden dat eiseres een materiële onderneming drijft en in dat kader ook het belang in [A] houdt. Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank dan ook van oordeel dat aan eiseres reële betekenis toekomt en er een economische en commerciële rechtvaardiging is voor haar bestaan en het houden van het belang in [A] . Er is derhalve geen sprake van dat een uitsluitend formele of kunstmatige constructie is opgezet waarvoor geen economische of commerciële rechtvaardiging bestaat. Het gelijk is derhalve aan eiseres, en eiseres kan aanspraak maken op de inhoudingsvrijstelling als geregeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965.”
2.10
Hennevelt (NLF 2020/1708) becommentarieerde deze uitspraak als volgt:
“Hoewel deze wegdenkbenadering in lijn is met de jurisprudentie van de Hoge Raad die de Rechtbank aanhaalt, kan worden betwijfeld of de Inspecteur met het louter mechanisch toepassen van de wegdenkgedachte wel een voldoende begin van bewijs levert dat sprake is van misbruik. Op grond van bijvoorbeeld het arrest Eqiom en Enka kan de last om te bewijzen dat geen sprake is van misbruik immers niet op basis van algemene criteria naar de belastingplichtige worden verschoven.6.Vooral in de kunstmatigehoudsterzaak [de bij u aanhangige zaak 22/02601; PJW] was daarom – alvorens de bewijslast bij belanghebbende te leggen – een grondiger waardering van de relevante feiten en omstandigheden die licht konden werpen op de hoofddoelen van belanghebbende voor het houden van het belang in A, vanuit een EU-perspectief fraaier geweest.”
2.11
El Manouzi (NTFR 2020/2569) becommentarieerde de objectieve toets door de Rechtbank als volgt:
“Gelet op de actieve betrokkenheid van belastingplichtige bij de deelnemingen en de significante activiteiten en kosten is het begrijpelijk dat de rechtbank tot het oordeel kwam dat er sprake is van het drijven van een onderneming. Dat actieve betrokkenheid bij een deelneming voldoende is om kunstmatigheid van een constructie uit te sluiten blijkt ook uit de rulingpraktijk van de Belastingdienst (zie Advance tax ruling 20200818 ATR 000002). Hoewel het vanwege het summiere feitenrelaas ingewikkeld is om met zekerheid wat af te leiden uit de gepubliceerde samenvatting van een ruling, blijkt uit de samenvatting wel dat actieve betrokkenheid van een buitenlandse persoonlijke holding met een eigen kantoorruimte van waaruit de activiteiten worden verricht voldoende is om te spreken van het verrichten van een economische functie, zodat er geen sprake is van een kunstmatige constructie.”
Het Gerechtshof Amsterdam7.
2.12
De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld omdat hij wel degelijk kunstmatigheid aanwezig achtte die de economische realiteit niet weerspiegelt. De belanghebbende heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld omdat zij meende dat de Rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat één van de hoofddoelen van belanghebbendes houdsterschap in [A] is om heffing van dividendbelasting bij de uiteindelijke aandeelhouders te ontgaan ten onrechte de last op haar heeft gelegd om te bewijzen dat zich géén volstrekt kunstmatige constructie voordoet die geen verband houdt met de economische realiteit.
2.13
Het Hof heeft daaromtrent overwogen dat de Inspecteur moet bewijzen dat aan de voorwaarden van art. 4(3)(c) Wet Divd voor onthouding van de vrijstelling is voldaan ((i) hoofddoel belastingontwijking en (ii) kunstmatige constructie) en dat als de Inspecteur daarin slaagt, de belanghebbende de mogelijkheid heeft aannemelijk te maken dat de – in beginsel bewezen – kunstmatige constructie geldige zakelijke redenen heeft die de economische realiteit weerspiegelen. Bij de beoordeling van de bewijslevering door de Inspecteur nam het Hof net als de Rechtbank HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster) als richtsnoer. De Inspecteur heeft er volgens het Hof terecht op gewezen dat belanghebbendes uiteindelijke aandeelhouders natuurlijke personen zijn die geen recht hebben op de inhoudingsvrijstelling (wegdenkcriterium) en evenmin beroep kunnen doen op art. 5 MDR, dat immers alleen aan moedervennootschappen rechten toekent. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de subjectieve toets tot hetzelfde resultaat zou leiden indien toegepast op [J] Holding en [K] . Het Hof heeft het standpunt verworpen dat dit wegdenkcriterium bij de beoordeling van mogelijke antifiscale bedoelingen EU-rechtelijk niet gerechtvaardigd zou zijn, gegeven de r.o. 2.6.2. t/m 2.6.4 van HR BNB 2020/80 (zie onderdeel 4.6 van de bijlage) en r.o. 102 van HvJ T Danmark en Y Denmark (zie onderdeel 4.5 bijlage). Deze “subjectieve” toets kan volgens het Hof niet los worden gezien van de “objectieve” toets (kunstmatigheid) omdat de objectieve omstandigheden waar het bij die laatste toets om gaat in dienst staan van een bij de subjectieve toets aanwezig veronderstelde bedoeling van dividendbelastingontwijking. De subjectieve toets en objectieve toets liggen in elkaars verlengde, en de bewijslast ligt volgens het Hof bij beide toetsen op de Inspecteur (r.o. 5.3.5). Het Hof maakt dat op uit r.o. 114 van HvJ T Danmark en Y Denmark (zie onderdeel 4.5 bijlage). De Inspecteur moet dus zowel antifiscale motieven als kunstmatigheid aannemelijk maken en die twee toetsen lopen volgens het Hof door elkaar heen omdat kunstmatigheid bijdraagt aan het na toepassing van het wegdenk-criterium al opkomende (weerlegbare) vermoeden van misbruik. Slaagt de Inspecteur in dat bewijs van omstandigheden die doen vermoeden dat aan beide toetsen is voldaan, dan heeft de belanghebbende de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat de – alsdan in beginsel bewezen kunstmatige – constructie is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
2.14
Het Hof heeft de inspecteur geslaagd geacht in het bewijs dat (i) belanghebbendes uiteindelijke aandeelhouders geen recht hebben op MDR-voordelen; en (ii) de structuur kunstmatig aandoet in het licht van de economische realiteit van passieve belegging in [A] , waardoor de bewijslast omkeert:
“5.3.6. Anders dan de rechtbank acht het Hof door de inspecteur eveneens aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan de objectieve toets. Hiertoe acht het Hof bepalend dat belanghebbendes aandelenbelang in [A] voor de toepassing van artikel 4, lid 2, Wet DB functioneel niet aan een materiële onderneming van belanghebbende kan worden toegerekend (vgl. Kamerstukken I 2017/18, 34 785, nr. D, p. 27; geciteerd in onderdeel 15 uitspraak rechtbank), hoewel bij belanghebbende in verband met activiteiten omtrent andere door haar gehouden deelnemingen, wel sprake is van een dergelijke onderneming. Voor dit oordeel is tevens van belang dat - naar de inspecteur heeft gesteld en door belanghebbende is bevestigd, althans niet weersproken - ervan uit belanghebbende geen enkele bemoeienis is met [A] en/of door [A] gehouden belangen. Dit laatste volgt al uit de omstandigheid dat belanghebbende enkel een som geld aan [B] - de onderneming van waaruit [A] wordt beheerd/bestuurd - ter beschikking heeft gesteld en zij geen enkele invloed heeft op het uiteindelijk verkregen rendement. Voorts heeft de inspecteur terecht gewezen op de omstandigheid dat geen sprake is van enige relevante substance bij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten. Zo wordt de administratie van belanghebbende niet door eigen personeel uitgevoerd, maar is ingehuurd van [J] Holding B.V.B.A. (zie de onderdelen 5 en 6 uitspraak rechtbank). Er zijn weliswaar kantoorfaciliteiten, maar deze staan ten dienste aan de vennootschappen die de bestuursfunctie en administratie verzorgen; gesteld noch gebleken is dat belanghebbende er een eigen kantoor op nahoudt. Verder is redengevend dat de besluitvorming van belanghebbende volledig in handen is van leden van de familie [O] ; zij kunnen volledig de bestemming van de resultaten van belanghebbende bepalen; belanghebbende kan niet vrij beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit [A] . Deze omstandigheden leiden het Hof tot de conclusie dat - behoudens tegenbewijs - aannemelijk is dat sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en waarmee heffing van Nederlandse dividendbelasting bij de aandeelhouders van belanghebbende wordt ontgaan; een gelijkenis met de in het arrest T&Y Danmark aan de orde zijnde doorstroomvennootschappen dringt zich op; daarvoor acht het Hof anders dan belanghebbende stelt, niet vereist dat winsten direct worden uitgekeerd, maar is voldoende dat daartoe de mogelijkheid bestaat.
Het Hof voegt daaraan toe dat géén sprake is van een afwezigheid van misbruik reeds omdat belanghebbende een materiële onderneming drijft. Zou dat anders zijn, dan zou de antimisbruikbepaling eenvoudig kunnen worden omzeild door het belang in het uitkerende lichaam onder te brengen bij een vennootschap met andere activiteiten, zonder dat deze laatste enige (beheer)activiteiten ten aanzien van het uitkerende lichaam verricht.”
2.15
De belanghebbende heeft tegenbewijs aangedragen door er op te wijzen dat vast staat dat zij een materiële onderneming drijft, substance heeft en aanzienlijke beheerskosten maakt en door te wijzen op tal van andere omstandigheden die in het onderhavige geval reden zijn om een houdstervennootschap te gebruiken:
“5.2.7. (…)
(i) dat het gebruik van een houdstervennootschap de aansprakelijkheid beperkt voor de schulden van de vennootschap;
(ii) dat de verkoop van beleggingen en andere investeringen gemakkelijker kan plaatsvinden door de levering van aandelen in plaats van alle activa en passiva;
(iii) dat belanghebbende fungeert als ‘pooling vehicle’ voor [AA] en [L] waardoor het mogelijk is om grotere bedragen te investeren en daarmee markten te betreden die anders gesloten zouden blijven;
(iv) dat uitstel van Belgische belastingheffing van de aandeelhouders mogelijk is tot het moment van winstuitkering. Hierdoor kunnen winsten worden geherinvesteerd. De winsten zijn weliswaar onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting, maar verliezen zijn aftrekbaar;
(v) dat er géén verplichting is voor belanghebbende om winst uit te keren en die winst is in dit geval ook niet uitgekeerd.
Daarnaast wijst belanghebbende er op dat bij winstuitkeringen aan haar aandeelhouders 30% Belgische roerende voorheffing moet worden ingehouden en dus meer bedraagt dan het tarief in box 2, dat een actieve betrokkenheid bij [A] van belanghebbende of haar aandeelhouders niet is vereist en dat belanghebbende en haar (uiteindelijke) aandeelhouders in dezelfde lidstaat zijn gevestigd.”
2.16
Het Hof zag in die omstandigheden echter geen zakelijke redenen die (voldoende) economische realiteit aan het indirecte houderschap in [A] zouden geven (zelfde nummering als in 2.15):
“5.3.7 (…)(i) niet onderbouwd is waarom met het houden van het belang door belanghebbende in [A] nodig zou zijn om beperking van aansprakelijkheid te creëren. Immers het belang in [A] bestaat al uit een aandelenbelang dat ten opzichte van [A] voor belanghebbende een beperking van aansprakelijkheid inhoudt. Verder is gesteld noch gebleken waarom beperking van aansprakelijkheid in het onderhavige geval een rol zou hebben gespeeld. Dat die aansprakelijkheid mogelijk van belang is in verband met de andere activiteiten van belanghebbende, dient hier buiten beschouwing te blijven aangezien de deelneming in [A] niet aan deze activiteiten valt toe te rekenen;(ii) dat het houden van het belang via belanghebbende de verkoop van het belang in [A] vergemakkelijkt in plaats van een verkoop van activa en passiva, valt evenmin te volgen nu het belang in [A] al bestaat uit een aandelenbelang;(iii) het belang dat belanghebbende voor [A] als ‘pooling vehicle’ zou hebben is niet nader onderbouwd en derhalve is met het in dat verband gestelde niet aannemelijk geworden dat de ontvangen dividenden opgaan in de overige resultaten van de vennootschap; dit kan niet persé als een voordeel worden aangemerkt aangezien die resultaten er evengoed voor kunnen zorgen dat het ontvangen dividend opgaat in een verlies op overige investeringen. Verder is er slechts een tweetal aandeelhouders in belanghebbende; gesteld noch gebleken is dat belanghebbende als houdstervennootschap nodig was om de benodigde fondsen voor het belang in [A] bijeen te brengen. Bovendien is [A] zelf ook al een poolingvennootschap voor diverse investeerders in het investeringsfonds van [B] ;(iv) De mogelijkheid om niet-uitgekeerde winsten te herinvesteren kan worden aangemerkt als een legitiem zakelijk belang om te beleggen door middel van een houdstervennootschap. Of daarvan in dit geval sprake is, is echter niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt, aangezien er geen enkele verplichting is voor belanghebbende behaalde winsten geheel of gedeeltelijk te herinvesteren. Belanghebbende wordt alleen (feitelijk) bestuurd door (enkele) leden van de familie [O] die ook aandeelhouder zijn en die geheel naar eigen goeddunken kunnen beslissen om winsten al dan niet uit te keren, te herinvesteren dan wel deze winsten te realiseren door middel van een verkoop van hun belang in belanghebbende.(v) het Hof vermag niet in te zien waarom sprake zou zijn van geldige zakelijke redenen indien er geen (directe) verplichting is om winst uit te keren door belanghebbende. Winstuitkeringen kunnen alsnog in de toekomst plaatsvinden ingeval bestuurders/aandeelhouders daartoe zouden besluiten; de winst zou ook kunnen worden genoten door verkoop van het belang in belanghebbende.Belanghebbende heeft voorts nog gewezen op de hoge managementvergoeding (€ 500.000) die belanghebbende betaalt voor het beheer door [AA] . Het Hof is met de inspecteur van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat een gedeelte daarvan betrekking zou hebben op activiteiten die in verband staan met het aanhouden van het belang in [A] . Dat in België een roerende voorheffing zou worden geheven bij uitkeringen door belanghebbende is als zodanig niet van belang, maar ook niet zonder meer aannemelijk nu de belangen in belanghebbende niet onmiddellijk worden gehouden door de achterliggende aandeelhouders natuurlijke personen: aannemelijk is dat bij dividenduitkering door belanghebbende of bij verkoop van de belangen in belanghebbende in België de deelnemingsvrijstelling van toepassing is aangezien de directe aandeelhouders in belanghebbende ook vennootschappen zijn.
5.3.8.
Naar aanleiding van de overige door belanghebbende in 5.2.7 vermelde omstandigheden overweegt het Hof als volgt. Dat zoals belanghebbende stelt, een actieve betrokkenheid bij [A] van belanghebbende of haar aandeelhouders niet is vereist, is op zichzelf waar, maar kan een aanwijzing zijn voor het ontbreken van economische activiteiten met betrekking tot het gehouden aandelenbelang. Ook uit de omstandigheid dat belanghebbende en haar (uiteindelijke) aandeelhouders in dezelfde lidstaat zijn gevestigd kan in dit geval niet worden afgeleid dat sprake is van geldige zakelijke redenen, te minder nu deze (uiteindelijke) aandeelhouders natuurlijke personen zijn die zelf geen recht hebben op de inhoudingsvrijstelling noch op de voordelen van de MDR. (…)”
2.17
Volgens de belanghebbende schendt de antimisbruikbepaling in art. 4(3)(c) het primaire en secundaire Unierecht, nl. de HvJ-arresten Deister en Juhler (zie onderdeel 4.4 bijlage) en T Denmark en Y Danmark (zie onderdeel 4.5 bijlage) voor wat betreft de uitleg van misbruik in de zin van art. 1(2) MDR, en de EU-verkeersvrijheden voor wat betreft de vergelijkbaarheid met de interne situatie: zij acht zich vergelijkbaar met een Nederlandse BV die wordt gehouden door een in Nederland wonende familie, in welk geval de inhoudingsvrijstelling wél zou worden toegekend. Dat verkeersbelemmerende verschil in behandeling op grond van vestigingsplaats is haars inziens alleen bij misbruik toegestaan, waarvan in casu geen sprake is.
2.18
Het Hof heeft daarover overwogen dat de bij 2015-wijzigingsrichtlijn in art. 1(2) MDR opgenomen bepaling de kwestie van misbruik van de bronbelastingvrijstelling in art. 5 MDR uitputtend regelt en de lidstaten geen mogelijkheid biedt daarvan af te wijken of nadere afwegingen of keuzen te maken. Nu art. 4(3)(c) Wet Divb die MDR-antimisbruikbepaling implementeert, kan art. 4(3)(c) Wet Divb niet rechtstreeks aan het primaire EU-recht (vestigingsvrijheid of kapitaalverkeer) worden getoetst, maar alleen aan de uitputtende Richtlijnbepaling. Het HvJ heeft in T Denmark en Y Danmark expliciet geoordeeld dat in misbruiksituaties waarop art. 1(2) MDR van toepassing is, geen beroep op de EU-verkeersvrijheden mogelijk is. Het Hof acht zijn uitleg en toepassing van art. 4(3)(c) Divb in belanghebbendes geval in overeenstemming met de misbruikrechtspraak van het HvJ, met name met de arresten Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark en meent dat art. 4(3)(c) Divb in die uitleg naadloos aansluit op art. 1(2) MDR. De vergelijking met een Nederlandse tussenhoudster houdt volgens het Hof overigens geen steek omdat in dat geval – anders dan in belanghebbendes geval – wél tenminste éénmaal Nederlandse belasting wordt geheven ten laste van de uiteindelijke aandeelhouders.
2.19
De redactie van V-N 2022/37.7 heeft de uitspraak onder meer als volgt becommentarieerd:
“Het hof begint met het vaststellen van de bewijslastverdeling (r.o. 5.3.2). Daaruit volgt dat de belastingplichtige primair bewijst dat de inhoudingsvrijstelling van art. 4 lid 2 Wet DB 1965 in zijn geval van toepassing is. Vervolgens is de belastinginspecteur aan zet om te bewijzen dat de antimisbruikregeling van art. 4 lid 3 onderdeel c Wet DB 1965 in casu van toepassing is. Dit betekent dat de inspecteur moet bewijzen dat is voldaan aan de subjectieve én de objectieve toets (zie over deze twee toetsen hierna). De belastingplichtige hoeft dus niet de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in volle omvang, dus inclusief de antimisbruikbepaling van art. 4 lid 3 onderdeel c Wet DB 1965, te bewijzen volgens het hof. Heeft de inspecteur voldaan aan zijn bewijslast – er is sprake is van een kunstmatige constructie of transactie – dan ligt de bewijsbal weer bij de belastingplichtige om te bewijzen dat er (toch) geen sprake is van een kunstmatige constructie of transactie, oftewel dat de constructie of transactie is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Het komt ons voor dat het hof de bewijslast op deze wijze op een juiste wijze verdeelt die ook EU-rechtelijk de proportionaliteitstoets kan doorstaan. De zwaarste bewijslast ligt dus bij de belastinginspecteur, want die moet de subjectieve én objectieve toets bewijzen. Dat hij hierin heel wel kan slagen, bewijst onderhavige uitspraak.”
2.20
Ook Hennevelt (NLF 2022/1249) acht de bewijslastverdeling juist:
“Vanuit een procesrechtelijk perspectief is opvallend dat het Hof de bewijslast in overweging 5.3.2
voor zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde in de eerste plaats bij de Inspecteur legt en vervolgens een derde stap introduceert: zelfs als sprake is van (i) het ontgaan van dividendbelasting bij een ander door middel van (ii) een in beginsel kunstmatige constructie, dan nog moet de belastingplichtige de mogelijkheid krijgen te bewijzen dat (iii) die constructie is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Het Hof lijkt de zaak hiermee onnodig te compliceren, maar met name vanuit Unierechtelijk perspectief is deze derde stap mijns inziens inderdaad nodig om zijn uitspraak aanvaardbaar te maken. Als de Inspecteur immers in eerste instantie kan volstaan met de beoordeling van de toch vrij oppervlakkige wegdenkgedachte en toerekenbaarheid aan de materiële onderneming, is het van groot belang dat de belastingplichtige vervolgens een reële tegenbewijsmogelijkheid krijgt.8.”
3. Het cassatiemiddel
3.1
De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De belanghebbende heeft haar zaak schriftelijk doen toelichten. De Staatssecretaris heeft afgezien van een reactie daarop.
3.2
De belanghebbende stelt één cassatiemiddel voor: het Hof heeft art. 4(2) en (3)(c) Wet Divb geschonden, evenals art. 1(2), (3) en (4) MDR, de artt. 20, 49 en 63 VvEU, de artt. 20 en 21 van het EU-Grondrechtenhandvest en art. 8:77 Awb, om de volgende redenen:
“(a) Het Hof heeft zijn oordeel dat belanghebbende haar belang in [A] hield met als hoofddoel of één van de hoofddoelen het ontgaan van belasting, kennelijk gegrond op de enkele omstandigheid dat de (uiteindelijke) aandeelhouders van belanghebbende natuurlijke personen zijn die zonder gebruik van belanghebbende geen beroep zouden kunnen doen op de inhoudingsvrijstelling van art. 4, lid 2, Wet DB (de wegdenkgedachte). De uitleg die het Hof daarmee heeft gegeven aan de subjectieve toets is onjuist, althans is 's Hofs oordeel op dit punt onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
(b) Bij de beoordeling of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit (de objectieve toets), heeft het Hof kennelijk bepalend geacht dat het aandelenbelang in [A] functioneel niet aan een materiële onderneming van belanghebbende kan worden toegerekend. Verder heeft het Hof van belang geacht dat geen sprake zou zijn van relevante substance, bij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten, en dat de besluitvorming van belanghebbende volledig in handen zou zijn van leden van de familie [O] zodat belanghebbende niet vrij zou kunnen beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit [A] . Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of het is onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd.”
3.3
De belanghebbende licht toe dat het Hof de belanghebbende al voor de subjectieve toets heeft laten zakken enkel omdat de achterliggende familie bij wegdenken van de belanghebbende (en [J] Holding en [K] ) geen recht zou hebben op de inhoudingsvrijstelling. Het Hof kent aldus ten onrechte absolute betekenis toe aan het wegdenkcriterium. De belanghebbende is een investeringsmaatschappij die al decennia bestond, met een groot aantal deelnemingen, substance en aanzienlijke beheerskosten; zij is niet opgericht of tussengeschoven met het oog op een investering in [A] of zelfs maar in Nederland, laat staan met het oog op een verwacht dividend. Evenmin is sprake, zoals in BNB 2020/80, van zetelverplaatsing of iets anders waardoor een Nederlandse dividendbelastingclaim werd gefrustreerd. De belanghebbende was het meest gerede vehikel omdat zij de middelen hield waaruit de investering moest worden bekostigd.
3.4
Er is volgens de belanghebbende niets kunstmatigs aan een meer dan dertig jaar geleden opgerichte gezamenlijke investeringsmaatschappij van de familie [O] die al die jaren heeft geïnvesteerd, belangen heeft verkocht en de opbrengsten opnieuw heeft geïnvesteerd, die altijd gevestigd is geweest in het land waar de familie woont en waar ook het merendeel van haar investeringen zich bevindt, die haar onderneming drijft met deskundige medewerkers en bestuurders, al zijn die in arbeidsrechtelijke zin niet bij haar in dienst, maar bij een gelieerde maatschappij, die de (aanzienlijke) kosten doorbelast. Zij acht ’s Hofs oordelen dat het belang in [A] niet toerekenbaar is aan haar materiële onderneming en dat geen sprake is van relevante substance of personeel onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd c.q. onvoldoende gebaseerd op door de Inspecteur aangevoerde feiten en omstandigheden. Dat de vennootschap wordt beheerst door aandeelhouders leidt niet tot toerekening aan die aandeelhouders. Hun mogelijkheid om vanuit de belanghebbende te herinvesteren is een legitiem zakelijk belang, ook als geen verplichting tot herinvestering bestaat, en van een verplichting tot doorbetaling van ontvangen dividend is geen sprake.
3.5 ’
’s Hofs oordeel schendt volgens de belanghebbende het primaire EU-recht door de grensoverschrijdende situatie te benadelen ten opzichte van de vergelijkbare interne situatie. Zijn rechtsopvatting kan dus niet de juiste zijn. Daarbij is de mate van wetgevings-harmonisatie door de MDR (uitputtend of niet) volgens haar niet waar het om gaat.
4.De bewijslastverdeling en de verhouding tussen de ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets
4.1
De termen ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets die de wetgever in dit misbruikverband heeft gebruikt (zie de parlementaire geschiedenis in de onderdelen 3.1 - 3.3 van de bijlage) zijn uiterst verwarrend omdat ook het door het HvJ ontwikkelde algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is – en dat beslissend is voor de uitleg van zowel art. 1(2) MDR als art. 4(3)(c) Wet Divb – een objectief en een subjectief criterium kent, nl. (i) objectieve strijd met doel en strekking van de wet en (ii) subjectieve ontwijkingsbedoelingen (zie bijvoorbeeld r.o. 64 van Cadbury Schweppes in onderdeel 4.1 bijlage en r.o. 97 van T Danmark en Y Denmark in onderdeel 4.5 bijlage). Die EU-rechtelijke criteria hebben echter een andere inhoud dan de toetsen in art. 4(3)(c) Wet Divb die de wetgever en in navolging daarvan de feitenrechters aanduiden met ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets. Die twee nationaal-rechtelijke toetsen, óók de objectieve, vallen beide onder het subjectieve criterium (intentie) van het algemene misbruikconcept van het HvJ. Beide internrechtelijke toetsen zien op de intentie van de belastingplichtige, althans op feiten die bewezen moeten worden. Doel en strekking van de wet/het EU-recht daarentegen, behoeven juist geen bewijs, want ius curia novit: uitleg en toepassing van het recht is een rechtskundige kwestie waarover alleen de rechter gaat, van ambtswege, en ter zake waarvan dus geen bewijs(lastverdeling) aan de orde kan zijn. Opmerkelijkerwijs heeft de wetgever bij de implementatie van (het nieuwe) art. 1(2) MDR in 2018 (zie onderdeel 3.1 van de bijlage) de richtlijnterm “dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt” (de objectieve misbruiktoets; strijd met doel en strekking van de MDR) niet overgenomen in art. 4(3)(c) Divb. Dat hij het desondanks over een objectieve en een subjectieve misbruiktoets had, is dan verwarrend. Kennelijk moet het kunstmatigheidscriterium naast feitelijke kunstmatigheid óók (rechtskundige) strijd met doel en strekking van de wet aanduiden.
4.2
Ik neem aan dat dat ook is wat het Hof Amsterdam bedoelt met zijn overwegingen (r.o. 5.3.5) dat de objectieve en de subjectieve toets van art. 4(3)(c) Wet Divb ‘niet los van elkaar gezien kunnen worden’ c.q. ‘in elkaars verlengde liggen’ c.q. dat de objectieve toets ‘in dienst staat’ van de subjectieve. Het Hof legt immers – terecht - óók ter zake van het al dan niet kunstmatige karakter van de structuur de initiële bewijslast expliciet bij de Inspecteur (zie r.o. 5.3.5: “rust de bewijslast voor de objectieve toets ook op de Inspecteur”). Daaruit volgt dat het Hof Amsterdam de ‘objectieve’ toets terecht niet ziet als (slechts) een rechtskundige vraag (dan zou immers geen bewijslastverdeling aan de orde zijn), maar ook als een door de Inspecteur met (objectieve; dat wel) feiten te bewijzen omstandigheid.
4.3
Beide nationaalrechtelijke toetsen, óók de ‘objectieve’, toetsen dus subjectieve bedoelingen. Beide toetsen vestigen – weerlegbare – bewijsvermoedens ter zake van ontwijkings-bedoelingen op basis van objectieve omstandigheden, zoals het HvJ dat ook voorschrijft: ‘een geheel van objectieve elementen’; zie r.o. 64 van Cadbury Schweppes in onderdeel 4.1 bijlage en r.o. 97 van T Danmark en Y Denmark in onderdeel 4.5 bijlage. Die ‘objectieve gegevens’ zijn volgens de nationale wetgever: (i) hoe zou de heffing verlopen bij een rechtstreeks belang van de uiteindelijk gerechtigde in de dividendbetaler? en (ii) is het indirecte houderschap “kunstmatig” of past het bij de economische realiteit? Het verwarrende van deze wijze van nationale implementatie is dat het tweede criterium (kunstmatigheid) kennelijk óók functioneert als criterium voor strijd met doel en strekking van de wet c.q. de richtlijn: kunstmatigheid wordt kennelijk geacht te duiden op strijd met doel en strekking van de wet. Het kunstmatigheidscriterium heeft dus een dubbelfunctie; eigentijds uitgedrukt: het is hybride. Dat kan inderdaad gelezen worden in onder meer r.o. 100 van HvJ T Danmark en Y Denmark (zie onderdeel 4.5 bijlage; curs. PJW):
“Een concern dat (…) als voornaamste doel (…) heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de (..) belastingwetgeving ondermijnt, kan worden beschouwd als een kunstmatige constructie.”
Maar de Nederlandse wet zou duidelijker zijn geweest als de wetgever ook de ‘ondermijning’ van de wet expliciet had overgenomen uit de HvJ-rechtspraak.
4.4
Uit kunstmatigheid wordt dus zowel (weerlegbaar) een subjectieve ontwijkingsintentie afgeleid als een rechtskundig argument voor een rechtskundige kwalificatie (strijd met doel en strekking van de regeling waarop de belastingplichtige zich beroept). Het HvJ heeft doel en strekking van art. 5 MDR als volgt omschreven (onder meer in r.o. 69 van Deister en Juhler; zie onderdeel 4.4 bijlage):
“het doel van de moeder-dochterrichtlijn, in het bijzonder (…) artikel 5, lid 1 (…), te weten voorkomen dat de door een ingezeten dochteronderneming aan haar niet-ingezeten moedermaatschappij uitgekeerde dividenden dubbel worden belast door de lidstaat waar deze dochteronderneming is gevestigd om samenwerkingsverbanden en hergroeperingen van vennootschappen op het niveau van de Unie te vergemakkelijken.”
Volgens het Hof Amsterdam is in belanghebbendes geval kennelijk geen sprake van ‘samenwerkingsverbanden en hergroeperingen van vennootschappen op EU-niveau’, nu hij feitelijk heeft vastgesteld dat de door de familie beheerste belanghebbende “enkel een som geld aan [B] (…) ter beschikking heeft gesteld en zij geen enkele invloed heeft op het uiteindelijk verkregen rendement.” Het Hof Amsterdam beschouwt de belanghebbende dus kennelijk, hoezeer zij daarnaast ook een materiële onderneming dreef en drijft en substance had en heeft, voor het belang in [A] als slechts een (antifiscaal) doorgeefluik voor een (beleggings)geldzak.
4.5
Door het hybride karakter van de ‘objectieve toets’ en doordat het Hof Amsterdam expliciet ook de bewijslast ter zake van de kunstmatigheid van de structuur op de Inspecteur heeft gelegd, ontvalt voor een groot deel de bodem aan belanghebbendes cassatieberoepschrift, waarin zij (onderdeel 26) de ‘objectieve toets’ ten onrechte aanmerkt als een rechtsvraag naar doel en strekking van de wet. Ten onrechte merkt zij enkel de ‘subjectieve toets’ aan als een aan bewijslevering onderworpen feitelijke vraag. In haar lezing van de wet zou alleen het wegdenk-criterium overblijven als toets voor antifiscale motieven. Dat zou inderdaad een te mechanische en te algemene toets zijn om een rechtsvermoeden van antifiscale motieven en daarmee omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Maar dat heeft het Hof Amsterdam dus niet gedaan: hij heeft de Inspecteur juist expliciet (r.o. 5.3.5) óók belast met het bewijs van kunstmatigheid van de structuur alvorens antifiscale bedoelingen aannemelijk te achten die tegenbewijs door de belanghebbende behoeven, en hij heeft bij de beoordeling van zowel het bewijs als het tegenbewijs alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, zoals de HvJ-rechtspraak voorschrijft: hij heeft “in het concrete geval de desbetreffende constructie in haar geheel (…) onderzocht,” zoals het HvJ voorschrijft sinds zijn oer-arrest over misbruik in de directe belastingen Cadbury Schweppes (zie onderdeel 4.1 van de bijlage).
4.6
Voor wat de bewijslastverdeling betreft berust het cassatiemiddel dus op verkeerde lezing van de Hofuitspraak, waardoor het in zoverre geen voorwerp heeft. De belanghebbende schrijft overigens ook zelf (onderdeel 37 cassatieberoepschrift) dat het Hof heeft geoordeeld dat “de Inspecteur op basis van” (bepaalde feiten: geen relevante substance, geen (eigen) personeel en geen kantoorfaciliteiten ten dienste van de belanghebbende) “aannemelijk heeft gemaakt dat aan de objectieve voorwaarde is voldaan,” waaruit volgt dat ook de belanghebbende ervan uitgaat dat het Hof de ‘objectieve’ toets (kunstmatigheid) als een te bewijzen feitelijke omstandigheid heeft beschouwd en de bewijslast te dier zake op de Inspecteur heeft gelegd.
4.7
Ik merk daarbij op dat uit de r.o. 102 en 116 van HvJ T Danmark en Y Denmark (zie onderdeel 4.5 bijlage) volgt dat de bewijslast ter zake van voldoening aan de toepassingsvoorwaarden van art. 5 MDR hoe dan ook op de belastingplichtige rust vanwege een algemene regel van bewijsrecht: wie zich op een vrijstelling beroept, moet bewijzen dat hij aan de voorwaarden ervoor voldoet. Aldus oordeelde het HvJ ook expliciet in de gevoegde zaken Haribo en Österreichische Salinen:9.wie zich op basis van art. 4 MDR op (in dat geval) een recht op credit for underlying tax beroept, moet bewijs leveren dat en hoeveel buitenlandse winstbelasting op het ontvangen dividend heeft gedrukt. Eén van de toepassingsvoorwaarden van art. 4 en 5 MDR is een kwalificerende moedervennootschap. Is de moedervennootschap (in casu: de belanghebbende) in de economische realiteit niet de uiteindelijke dividendgerechtigde, dan voldoet zij niet aan de toepassingsvoorwaarden van art. 5 MDR. In zoverre ligt misbruikbestrijding in het verlengde van correcte bepaling van het toepassingsbereik van de richtlijn. Om die reden had het HvJ het in onder meer de misbruikzaken Emsland-Stärke,10.Cadbury Schweppes (zie 4.1 bijlage) en T Danmark en Y Denmark (zie 4.5 bijlage) over ‘formele vervulling’ van voorwaarden (citaat uit Cadbury Schweppes):
“64. Voor de vaststelling van het bestaan van een [kunstmatige; PJW] constructie is (…) naast een subjectief element, namelijk de wil om een belastingvoordeel te verkrijgen, ook vereist dat uit een geheel van objectieve elementen blijkt dat, in weerwil van de formele vervulling van de door gemeenschapsregeling gestelde voorwaarden, het door de vrijheid van vestiging beoogde doel – zoals dat in de punten 54 en 55 van dit arrest is uiteengezet – niet werd bereikt (zie (…) Emsland-Stärke, C‑110/99, (…), punten 52 en 53 (…)).”.
Wel ligt de bewijslast van de stelling dat die voldoening aan de toepassingsvoorwaarden slechts ‘formeel’ (kunstmatig) is, op de fiscus, zo volgt uit r.o. 117 van hetzelfde arrest. Aldus heeft het Hof Amsterdam de bewijslast ook verdeeld.
4.8
Ik merk ook op dat de parlementaire geschiedenis van art. 4(3)(c) Wet Divb mijns inziens maar zijdelings ter zake doet, nu die bepaling hoe dan ook EU-rechtconform uitgelegd en toegepast moet worden, aldus ook expliciet HR BNB 2020/80 (zie 4.6 bijlage). Ook Marres benadrukt (zie onderdeel 5.5 van de bijlage) dat wat de parlementaire geschiedenis van de Nederlandse implementatie ook moge zeggen over de bedoeling en toepassing van door het EU-recht beheerste antimisbruikbepalingen, niet de Nederlandse parlementaire geschiedenis, maar de HvJ-rechtspraak daarover leidend is.
4.9
Ik meen op grond van het bovenstaande dat onderdeel (a) van het middel, dat ziet op de bewijslastverdeling en de verhouding tussen de ‘subjectieve’ en de ‘objectieve’ toets strandt. Het Hof heeft de bewijslast wel degelijk ook ter zake van het kunstmatigheidscriterium op de Inspecteur gelegd en uit het wegdenk-criterium niet meer dan een weerlegbaar vermoeden afgeleid dat op zichzelf onvoldoende is maar pas relevant is als de Inspecteur ook voldoende tekenen van kunstmatigheid aanwijst en zo nodig bewijst.
4.10
Dan resteren de vragen of (i) ’s Hofs materieel-juridische maatstaven stroken met EU-recht en of naast beroep op art. 5 MDR ook (nog) beroep op primair EU-recht (vestigingsvrijheid en/of vrij kapitaalverkeer en EU-Handvest) open staat en (ii) zijn bewijsoordelen begrijpelijk en voldoende gemotiveerd zijn.
5. Het EU-recht
5.1
Het Hof Amsterdam heeft bij zijn toepassing van de subjectieve en de objectieve toets uw arrest HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster; zie 4.6 van de bijlage) tot richtsnoer genomen. De belanghebbende acht dat EU-rechtelijk onjuist. Die zaak betrof een eerder jaar (2012) en een antimisbruikbepaling in een andere wet (art. 17(3) Wet Vpb: buitenlandse belastingplicht van een buitenlandse houdster met een aanmerkelijk belang (a.b.) in een Nederlandse vennootschap; zie over die bepaling de onderdelen 3.5 - 3.6 van de bijlage). De belanghebbende acht dat arrest niet (meer) leidend omdat de wet sindsdien is gewijzigd en in die zaak nog bepalend was of het belang in de Nederlandse vennootschap werd gehouden als belegging. Onder het huidige recht daarentegen gaat het om het aan de EU-rechtspraak ontleende begrip ‘kunstmatige constructie’ in art. 4(3) Wet Divb en het HvJ kent noch aan het ontbreken van een materiële onderneming, noch aan het passieve karakter van beleggingen doorslaggevende betekenis toe bij de vraag of een houdster een kunstmatige constructie is, aldus de belanghebbende.
5.2
De Staatssecretaris meent dat u in BNB 2020/80 de antimisbruikbepaling in art. 17(3) Wet Vpb EU-recht-conform heeft uitgelegd en dat met de gedeeltelijke overheveling van die antimisbruikbepaling naar art. 4(3) Wet DivB geen inhoudelijke wijziging is beoogd, zodat dat arrest ook in belanghebbendes zaak nog steeds het leidende precedent is.
5.3
HR BNB 2020/80 betrof het belastingjaar 2012. De wettekst is sindsdien twee maal gewijzigd. Per 1 januari 2016 is de tekst van art. 17(3) Wet Vpb aangepast11.aan de 2015-wijzigingen van de MDR en per 1 januari 2018 is art. 4(3) Wet DivB ingevoerd bij de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling.12.Voor de teksten en toelichtingen verwijs ik naar de onderdelen 2.5, 3.5 en 3.6 van de bijlage.
5.4
Tijdens de parlementaire behandeling bij de eerste wijziging is opgemerkt dat voor beleggingsstructuren de bestaande lijn wordt voortgezet, i.e. dat geen recht op vrijstelling bestaat als het belang ter belegging wordt gehouden (zie onderdeel 3.1 van de bijlage).13.Ook over de tweede wijziging zegt de parlementaire geschiedenis dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd (zie onderdeel 3.5 van de bijlage).14.Ik zie dan niet in dat HR BNB 2020/80 niet leidend zou zijn, te minder nu de kern van dat arrest juist is dat de antimisbruikbepaling in art. 4(3) Wet Divb EU-rechtconform moet worden uitgelegd en toegepast, hetgeen ook de belanghebbende met kracht betoogt. Dit onderdeel van het middel lijkt dus op verkeerde lezing van HR BNB 2020/80 te berusten. Dat arrest zegt expliciet (zie 4.6 bijlage) dat (i) de nationaalrechtelijke implementatie van de MDR-misbruikbepaling conform het EU-recht moet worden toegepast, (ii) welke met name genoemde en geciteerde arresten van het HvJ daarvoor bepalend zijn, waaronder Eqiom, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark, (iii) ook de bewijslastverdeling door dat EU-recht wordt bepaald en (iv) het Hof in die zaak zulks niet had miskend, waardoor alleen de vraag overbleef of ’s Hofs bewijsoordelen voldoende gemotiveerd waren (dat waren ze).
5.5
Het werkelijke geschil is dus ook in belanghebbendes zaak of het Hof Amsterdam de Nederlandse wet (art. 4(3)(c) Wet Divb) heeft toegepast in overeenstemming met de misbruikrechtspraak van het HvJ, ook voor wat betreft de bewijslastverdeling.
5.6
Uit HR BNB 2020/80 blijkt volgens de Staatssecretaris niet hoe de bewijslast moet worden verdeeld bij de ‘objectieve’ toets (die dus, zo bleek, niet objectief is in de zin dat het alleen om een rechtskundige vraag zou gaan), die destijds niet in die bewoordingen in de wet stond. Hij verzoekt u daarom te beoordelen of het Hof Amsterdam wel van het juiste toetsingskader is uitgegaan, gelet op het belang voor de rechtsontwikkeling en de praktijk. Hij suggereert dat het Hof Amsterdam de bewijslast te ver op de helft van de Inspecteur heeft gelegd door ook voor de kunstmatigheid van het indirecte houderschap van de familie bewijs van de Inspecteur te verlangen. Volgens hem volgt uit de wetsgeschiedenis (zie onderdelen 3.1-3.2 van de bijlage) dat als bij wegdenken van de belanghebbende meer dividendbelasting verschuldigd is, enkel om die reden de bewijslast al verschuift naar de belanghebbende. Zoals boven (4.5) al bleek, acht ik die opvatting onjuist: het enkele wegdenk-criterium lijkt mij in het licht van de rechtspraak van het HvJ, met name de arresten Eqiom, Deister en Juhler en Euro Park Service (zie onderdelen 4.3, 4.4 en 4.2 van de bijlage) een te algemeen vermoeden van rechtsmisbruik, dat daarom geen omkering van de bewijslast kan rechtvaardigen. Het enkele feit dat de (indirecte) aandeelhouders in de moeder-vennootschap zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden kunnen doen gelden, wijst onvoldoende op misbruik van de richtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Dat zou teveel afbreuk doen aan doel en strekking van de richtlijn. U zie ook mijn conclusie van 12 mei 2023 in de bij u aanhangige zaak 22/04085 over het misbruikvermoeden in art. 14a(6) Wet Vpb bij verkoop binnen drie jaar van bij splitsing verkregen aandelen in de afgesplitste rechtspersoon.15.Die enkele verkoop wijst onvoldoende op misbruik van de fusierichtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen.
5.7
Maar daarvan is in casu geen sprake, zo bleek boven. Anders dan in Eqiom (zie 4.3 bijlage) is in casu geen sprake van een automatisch of categorisch misbruikvermoeden zonder dat de inspecteur gehouden zou zijn ook maar een begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik te geven. Integendeel: het Hof Amsterdam heeft expliciet de bewijslast zowel bij de ‘subjectieve’ als de ‘objectieve’ toets op de Inspecteur gelegd en heeft alleen voor de subjectieve toets gebruik gemaakt van een – weerlegbaar – bewijsvermoeden, nl. het wegdenk-criterium. Bij het kunstmatigheidscriterium heeft het Hof geen vermoedens gebruikt, maar de bewijslast bij de Inspecteur gelegd. En anders dan in Deister en Juhler (zie 4.4 bijlage) is in casu geen sprake van uitsluiting van de richtlijnvoordelen op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Tegenbewijs is juist expliciet open gesteld. Volgens de genoemde arresten moet “in elk concreet geval de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht.” Dat heeft het Hof Amsterdam gedaan.
5.8
Na de bewijslevering door de Inspecteur ter zake van zowel het wegdenk-criterium als het kunstmatigheidscriterium is de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van – zoals art. 1(3) MDR het formuleert – geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Ik meen daarom dat het Hof Amsterdam niet betrapt kan worden op schending van EU-recht voor wat betreft bewijslastverdeling.
5.9
De belanghebbende stelt vervolgens dat het Hof Amsterdam materieel primair en secundair EU-recht onjuist heeft uitgelegd, c.q. dat zijn bewijsoordeel ter zake van het voldaan zijn aan de EU-rechtelijke misbruikcriteria onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is.
5.10
Het Hof Amsterdam heeft ter zake van de bewijslast van de Inspecteur overwogen dat deze heeft bewezen dat belanghebbendes uiteindelijke aandeelhouders niet voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van art. 5 MDR (te ontzenuwen bewijsvermoeden ter zake van de ‘subjectieve’ toets) en ook heeft bewezen dat de volgende feiten en omstandigheden zich voordoen die wijzen op kunstmatige ontwijking van dividendbelasting door niet-kwalificerende natuurlijke personen (‘objectieve’ toets; zie r.o. 5.3.6 in 2.14 hierboven):
- belanghebbendes belang in private equity fonds [A] is niet toerekenbaar aan belanghebbendes materiële onderneming;
- zij heeft geen enkele bemoeienis met [A] of de door dien gehouden belangen; zij heeft enkel een som geld aan [B] ter beschikking gesteld en heeft geen enkele invloed op het rendement;
- zij heeft geen enkele relevante substance ter zake van het belang in [A] ; zij heeft geen personeel en geen kantoorfaciliteiten; de kantoorfaciliteiten staan alleen ten dienste van [J] Holding en [K] ;
- de besluitvorming en resultaatbestemming van de belanghebbende ligt volledig bij de familie; zij kan feitelijk niet vrij beschikken over de door haar ontvangen dividenden.
5.11
Het Hof heeft de belanghebbende in de gelegenheid gesteld daar bewijs tegenover te stellen van niet-fiscale overwegingen voor en economische realiteit van haar rol en positie tussen het private equity fonds en (indirect) de familie die haar beheerst.
5.12
‘s Hofs toepassing van art. 4(3)(c) Wet Divb sluit mijns inziens aldus inderdaad ‘naadloos’ aan op (de uitleg door het HvJ van) art. 1(2) MDR.
5.13
De belanghebbende heeft een reeks omstandigheden aangevoerd die volgens haar de niet-fiscale niet-kunstmatigheid van het indirecte passieve belang in [A] aannemelijk maken (zie 2.15 hierboven). Het Hof heeft die omstandigheden in r.o. 5.3.7 beoordeeld en geconcludeerd dat zij niet relevant, niet overtuigend of niet aannemelijk zijn (zie 2.16 hierboven). Dat de belanghebbende in dezelfde staat is gevestigd als de familie, anders dan Eqiom, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark, lijkt mij met het Hof niet relevant, nu het gaat om de vraag of de (indirecte) aandeelhouders zelf zouden kwalificeren voor de vrijstelling van art. 5 MDR. Dat was in de genoemde arresten niet het geval omdat zij niet in de EU waren gevestigd; in belanghebbendes geval is dat echter om een andere reden niet het geval, nl. omdat haar (indirecte) aandeelhouders natuurlijke personen zijn; het is dus irrelevant waar die wonen: natuurlijke personen zijn nooit gerechtigd tot de richtlijnvoordelen. De belanghebbende heeft daarnaast met verwijzing naar diverse arresten van het HvJ gesteld dat sommige van de door dat Hof in die zaken genoemde en op misbruik, althans kunstmatigheid, wijzende omstandigheden zich in haar geval niet voordoen. Mogelijk is dat zo, maar dat zegt niet dat andere omstandigheden die zich wél voordoen niet op misbruik zouden kunnen wijzen. Het gaat om de vraag of de simultane combinatie van de door de Inspecteur bewezen omstandigheden in hun samenhang bezien voldoende aannemelijk maken dat het om oneigenlijk (kunstmatig) beroep op de richtlijnvoordelen gaat: “in elk concreet geval moet de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht,” aldus het HvJ in onder meer Cadbury Schweppes (zie 4.1 bijlage). De nationale rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen “dat de bestanddelen van (…) misbruik [intentie en strijd met doel en strekking van de wet; PJW] verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen” (r.o. 117 T Danmark en Y Denmark; zie 4.5 bijlage). In r.o. 114 van T Denmark en Y Danmark noemt het HvJ als aanwijzingen van misbruik onder meer het bestaan van een (moeder)vennootschap “zonder economische rechtvaardiging alsook het louter formele karakter van het concern”. In r.o. 67 van Cadbury Schweppes (zie 4.1 bijlage) overwoog hij dat dat de vaststelling van een kunstmatige constructie:
“(…) moet berusten op objectieve en door derden controleerbare elementen die onder meer verband houden met de mate van fysiek bestaan van de [CFC] in termen van lokalen, personeel en uitrusting.”
En in de r.o. 104 en 105 van T Danmark en Y Denmark zag hij aanwijzingen van misbruik in “het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit”, die kan worden afgeleid “uit een onderzoek van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van de onderneming, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting” en in “het gebrek aan bevoegdheid (…) om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken” doordat de vennootschap “„in wezen” niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting [tot doorbetaling; PJW].”
5.14
Mijns inziens heeft het Hof Amsterdam dat allemaal gedaan en zich bij zijn feitenonderzoek en -waardering goed gehouden aan de genoemde beoordelingsmaatstaven van het HvJ. De uitkomst van ‘s Hofs feitenonderzoek op basis van die maatstaven – zijn bewijsoordelen dat de Inspecteur geslaagd is in bewijs van voldoende relevante omstandigheden die op misbruik wijzen en dat de belanghebbende niet is geslaagd in tegenbewijs van omstandigheden die voldoende wijzen op niet-fiscale overwegingen voor en economische realiteit van haar rol en positie ter zake van het belang in BBOG IV anders dan als “in wezen” een doorgeefluik voor een passieve beleggingsgeldzak van natuurlijke personen – is mijns inziens geenszins onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk. Ik acht het daarom in cassatie onaantastbaar. De omstandigheden dat de belanghebbende (i) al lang bestond en ter zake van andere, door haar actief gehouden, belangen wel degelijk substance heeft en significante kosten maakt en (ii) mogelijk geen doorsnee doorstroomvennootschap is, heeft het Hof Amsterdam niet relevant geacht voor de economische realiteit dat zij ter zake van het buiten die substance hangende belang in [A] volgens dat Hof een geheel door de familie leeghaalbare of verkoopbare passieve beleggingsgeldzak is, mede gezien de overige door de Inspecteur aannemelijk gemaakte omstandigheden. Uitgaande van ’s Hofs feitelijke oordeel dat het belang in [A] ‘een som geld’ is die los staat van belanghebbendes onderneming en die op geen enkele manier door de belanghebbende wordt managed, lijkt dat oordeel mij rechtskundig correct, mede gezien onder meer r.o. 105 van T Danmark en Y Denmark (zie 4.5 bijlage). Het is, voor zover feitelijk, niet onbegrijpelijk. En het strookt met HR BNB 2020/80 (zie onderdeel 4.6 bijlage), waarin u overwoog:
“2.5.3. Het Hof heeft geoordeeld dat vanaf april 2011 sprake is van omvorming van Holding in een kasgeldvennootschap. Het heeft van geen belang geoordeeld dat Holding, zoals belanghebbende had aangevoerd, sindsdien nog een rol vervulde in het beperken van aansprakelijkheid van haar uiteindelijke aandeelhouders. In deze oordelen ligt als oordeel van het Hof besloten dat Holding op het moment dat zij (in juni 2012) de dividenduitkering aan belanghebbende deed, geen andere functie meer had dan die van kasgeldvennootschap. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk.
2.5.4.
Het oordeel dat Holding op het moment van de dividenduitkering de functie had van kasgeldvennootschap, draagt zelfstandig het daarop voortbouwende oordeel van het Hof dat belanghebbende het belang in Holding hield als belegging (…).”
5.15
Het enige dat het Hof wellicht verweten kan worden, is dat het rechtskundige oordeel (strijd met doel en strekking van de wet: het objectieve vereiste voor constatering van misbruik) nogal impliciet blijft. Maar dat is waarschijnlijk een gevolg van de vreemde Nederlandse implementatie in 2018 van het nieuwe art. 1(2) MDR in art. 4(3)(c) Divb, die alleen vraagt naar ontgaansbedoelingen en kunstmatigheid, maar niet naar strijd met doel en strekking (art. 1(2) MDR: ‘ondermijning’) van de wet. ’s Hofs uitspraak laat rechtskundig echter geen andere conclusie toe dan dat hij toepassing van de inhoudingsvrijstelling in casu in strijd acht met doel en strekking van zowel art. 5 MDR als art. 4(2) Wet Divb. Uitgaande van de door hem vastgestelde feiten en van de onaantastbaarheid van zijn bewijsoordelen, acht ik dat rechtsoordeel juist.
5.16
Dan resteert belanghebbendes beroep op primair EU-recht. Ik meen dat de door haar aangeroepen HvJ-arresten over vrij verkeer in de zaken Amurta en Miljoen, X en Société Générale niet relevant zijn omdat die zaken niet over misbruik gaan. Voor wat betreft haar beroep op HvJ-arresten die wél over misbruik gaan, geldt hetgeen het Hof Amsterdam terecht overnam uit r.o. 123 van T Denmark en Y Danmark (zie onderdeel 4.5 van de bijlage):
“indien de in richtlijn 90/435 neergelegde (…) vrijstelling van bronbelasting (…) niet van toepassing is doordat fraude of misbruik in de zin van artikel 1, lid 2, van deze richtlijn is vastgesteld, [kunnen] de in het VWEU neergelegde vrijheden niet […] worden ingeroepen om op te komen tegen de regeling van de eerstbedoelde lidstaat inzake de heffing van belasting over deze dividenden.”
Dat ligt ook voor de hand, gegeven dat misbruik van richtlijnen op dezelfde wijze moet worden beoordeeld als misbruik in de zin van het algemene beginsel van EU-recht dat misbruik van recht in het algemeen verbiedt. Aldus onder meer r.o. 69 van HvJ Euro Park Service (zie 4.2 bijlage):
“69 Wat de dwingende reden van algemeen belang in verband met de bestrijding van belastingfraude of belastingontwijking betreft volstaat het vast te stellen, (…) dat die doelstelling dezelfde draagwijdte heeft wanneer zij wordt ingeroepen ingevolge het bepaalde in [de Fusierichtlijn; PJW] of als rechtvaardiging van een uitzondering op het primaire recht. De overwegingen in de punten 54 tot en met 56 van het onderhavige arrest, aangaande de evenredigheid van de wettelijke regeling in het hoofdgeding die betrekking hebben op die bepaling, gelden dus ook voor de beoordeling of die wettelijke regeling evenredig is vanuit het oogpunt van de vrijheid van vestiging.”
5.17
Wat belanghebbendes beroep op het EU-Handvest betreft, merk ik op dat dat kennelijk pas voor het eerst in cassatie wordt gedaan en dat het Hof niet gehouden was om buiten het geschil van ambtswege EU-recht toe te passen dat niet van openbare orde is (aldus HvJ Van der Weerd e.a.)16.en evenmin consumentenbescherming betreft.17.Hij is nationaal-rechtelijk immers niet bevoegd om buiten het geschil te gaan en in dat geval geldt geen EU-rechtelijke plicht tot toepassing van ambtswege, aldus HvJ Van Schijndel en Van Veen,18.uit welk arrest ook volgt dat een cassatierechter niet hoeft in te gaan op voor het eerst gedane beroepen op EU-recht die feitelijk onderzoek vragen. Het Hof hoefde belanghebbendes vrije-verkeersklacht geenszins op te vatten als een beroep op gronden ontleend aan het Handvest. De feitenrechter behoort niet mee te procederen, behalve mogelijk – aldus het HvJ in bekritiseerde rechtspraak – in het consumentenrecht, met name in zaken die onder de Richtlijn inzake oneerlijke handelsbedingen19.kunnen vallen. Mogelijk ligt er ook een ambtshalve EU-recht-handhavingstaak voor de nationale rechter waar het gaat om (arbitrage inzake) kartelafspraken, maar de rechtspraak van het HvJ daarover20.is niet heel concludent. Wat daarvan zij, de genoemde Handvestbepalingen zijn niet van openbare orde (ordre public), de MD-richtlijn betreft noch consumentenbescherming tegen oneerlijke bedingen, noch mededingingsrecht, en de Hoge Raad is EU-rechtelijk niet verplicht om in te gaan op beroepen op EU-recht die feitelijk onderzoek vragen.
5.18
Overigens meen ik dat redelijkerwijs niet valt te betwijfelen dat waar misbruik van de Richtlijn feitelijk is vastgesteld, zoals in casu, en dus ook beroep op het primaire EU-recht van de verkeersvrijheden uitgesloten is, dat geconstateerde misbruik evenzeer beroep uitsluit op ander primair EU-recht zoals het EU-Handvest. Grondrechten zijn er niet om oneigenlijke belastingverijdeling te faciliteren.
5.19
Ik meen daarom dat ook belanghebbendes beroep op de door haar genoemde bepalingen van het Handvest van de Grondrechten van de EU strandt.
5.20
Ik merk ten overvloede op dat de door haar als vergelijkbaar gestelde binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen niet vergelijkbaar zijn: was de belanghebbende in het binnenland gevestigd, dan zou zij binnenlands belastingplichtig én inhoudingsplichtig zijn geweest. Onderworpen gevallen zijn niet gelijk aan niet-onderworpen gevallen, noch in het licht van het doel van de dividendbelasting om de opbrengst van met eigen vermogen gefinancierde economische activiteiten op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat te kunnen belasten, aldus onder meer HvJ Timac Agro,21.noch in het licht van het doel misbruik te bestrijden, welk misbruik zich in casu in de door de belanghebbende opgevoerde binnenlandsituatie niet kan voordoen. Anders dan de belanghebbende lijkt te stellen, is het ook niet zo dat de inhoudingsvrijstelling niet beschikbaar zou zijn in de grensoverschrijdende situatie; dat is zij juist wél, zoals ook de Staatssecretaris opmerkt, alleen niet in geval van misbruik, en het Hof Amsterdam heeft feitelijk misbruik vastgesteld op basis van EU-rechtelijk correcte materiële en bewijs(last)maatstaven.
5.21
De Staatssecretaris wijst er ten slotte terecht op dat als art. 1(2) MDR de lidstaten niet al verplichtte tot bestrijding van misbruik van de vrijstelling van bronbelasting in art. 5 MDR, of niet (correct) omgezet zou zijn in nationaal recht, zij nog steeds verplicht zijn, op grond van primair EU-recht (een algemeen beginsel van EU-recht), om misbruik van EU-recht, waaronder belastingontwijking door oneigenlijk beroep op EU-richtlijnen, onmogelijk te maken. Zie r.o. 82 en in het dictum onder (2) van HvJ T Danmark en Y Denmark (onderdeel 4.5 van de bijlage).
5.22
Ik meen daarom dat ook belanghebbendes beroep op primair en secundair EU-recht strandt.
6. Conclusie
Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑05‑2023
Rechtbank Noord-Holland 26 juni 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:5137, FutD 2020-2108 met noot redactie, NLF 2020/1708 met noot Hennevelt, V-N 2020/45.2.2, NTFR 2020/2569 met noot El Manouzi.
Gerechtshof Amsterdam 2 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1732, FutD 2022-1744, NLF 2022/1249 met noot Hennevelt, V-N 2022/37.7 met noot redactie.
Rechtbank Noord-Holland 26 juni 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:5137, FutD 2020-2108 met noot redactie, NLF 2020/1708 met noot Hennevelt, V-N 2020/45.2.2, NTFR 2020/2569 met noot El Manouzi.
De Rechtbank verwijst naar HvJ 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, zonder voorafgaande conclusie, ECLI:EU:V:2017:1009, BNB 2018/56 met noot Egelie, en HvJ 26 februari 2019, C-116/16 en C-117/16, T&Y Denmark, na conclusie Kokott, ECLI:EU:C:2019:135, BNB 2020/10 met noot Douma.
HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, na conclusie Wattel, BNB 2020/80 met noot Egelie.
Voetnoot in origineel: HvJ 7 september 2017, C-6/16 (Eqiom en Enka), ECLI:EU:C:2017:641, NLF 2017/2350, met noot van De Heer, r.o. 32 en 36. Zie ook HvJ 26 februari 2019, C-115/16 (N Luxembourg 1), ECLI:EU:C:2019:134, NLF 2019/0598, met noot van De Haan, r.o. 142.
Gerechtshof Amsterdam 2 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1732, FutD 2022-1744, NLF 2022/1249 met noot Hennevelt, V-N 2022/37.7 met noot redactie.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 10 januari 2020, 18/00219, ECLI:NL:HR:2020:21, NLF 2020/0221, met noot van Van Lindonk, r.o. 2.6.7.
HvJ 10 februari 2011, gevoegde zaken C-436/08 en C-437/08, Haribo/Finanzamt Linz, na conclusie Kokkot, ECLI:EU:C:2011:61, BNB 2011/165 met noot Wattel.
HvJ 14 december 2000, C-110/99, Emsland-Stärke, na conclusie Alber, ECLI:EU:C:2000:695, BNB 2003/169 met noot Weber.
Wet van 23 december 2015 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met de implementatie van aanpassingen in de Moeder-dochterrichtlijn (Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015), Stb. 2015, 543.
Wet van 20 december 2017 tot wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de introductie van een inhoudingsplicht voor houdstercoöperaties, de uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en wijziging van enkele antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting en vennootschapsbelasting, Stb. 2017, 520.
Kamerstukken II 2015/2016, 34 306, nr. 3 (MvT), p. 5.
Kamerstukken II 2017/2018, 34.788, nr. 3 (MvT), p. 11.
Conclusie van 12 mei 2023, nr. 22/04085, ECLI:NL:PHR:2023:498.
HvJ 7 juni 2007, C-222/05 t/m C-225/05, Van der Weerd e.a./Nederland, na conclusie Poiares Maduro, ECLI:EU:C:2007:318, NJ 2007, 391 met noot Mok. Zie ook HvJ 25 november 2008, C-455/06, Heemskerk en Schaap, na conclusie Bot, ECLI:EU:C:2008:650, AB 2009/14 met noot Widdershoven. Zie daarover nader Prechal/Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht, AAe Libri, Nijmegen 2017, p. 412-416.
Zie de zaken HvJ 27 juni 2000, C-240/98, Oceano Grupo, na conclusie Saggio, ECLI:EU:C:2000:346 en HvJ 26 oktober 2006, C‑168/05, Mostaza Claro, na conclusie Tizzano, ECLI:EU:C:2006:675.
HvJ 14 december 1995, gevoegde zaken C-430/93 en C-431/93, Van Schijndel en Van Veen, na conclusie Jacobs, ECLI:NL:XX:1995:AD4743, NJ 1997, 116, met noot Snijders en Slot.
Richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en Richtlijnen 98/6/EG, 2005/29/EG en 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de Unie, Pb L 328 van 18 december 2019, p. 7–28.
HvJ 1 juni 1999, C-126/97, Eco Swiss, na conclusie Saggio, ECLI:EU:C:1999:269, NJ 2000, 339 met noot Snijders.
HvJ 17 december 2015, C-388/14, Timac Agro Deutschland, na conclusie Wathelet, ECLI:EU:C:2015:829, BNB 2016/92 met noot Egelie
Conclusie 26‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:572 Weigering Inhoudingsvrijstelling dividendbelasting wegens misbruik; art. 4(3)(c) Wet DivB, 'objectieve' en 'subjectieve' toets; wegdenkcriterium; kunstmatige constructie? Bewijslastverdeling; Strijd met unierecht? Feiten: De belanghebbende is een in België gevestigde BV die via een Nederlandse tussenhoudster een indirect belang houdt in een Nederlandse CV van een private equity huis. Haar aandeelhouders wonen in België. Zij heeft geen kantoorruimte en geen personeel. In 2018 heeft zij een dividend ontvangen van de tussenhoudster waarop 5% Nederlandse dividendbelasting is ingehouden. Zou de belanghebbende in Nederland gevestigd zijn geweest, dan was het dividend vrijgesteld geweest (deelnemingsvrijstelling; art. 13 Wet Vpb) en was op grond van art. 4(2) Wet Divb ook inhouding van dividendbelasting achterwege gebleven. In geschil is of de belanghebbende recht heeft op de inhoudingsvrijstelling in art. 4(2) Divb dan wel de anti-misbruikbepaling in art. 4(3)(c) Divb daaraan in de weg staat. Die bepaling sluit de vrijstelling uit als (i) het belang in een Nederlandse uitkerende vennootschap gehouden wordt via de belastingplichtige met als doel belastingheffing bij een ander (de uiteindelijk gerechtigde) te ontgaan (‘subjectieve’ toets) en (ii) dat indirecte belang een kunstmatige constructie is (‘objectieve’ toets). Met name is in geschil of ’s Hofs toepassing strookt met (de rechtspraak van het HvJ EU over) de antimisbruikbepaling in art. 1(2) van de EU-moeder/dochterrichtlijn (MDR). De Rechtbank Noord-Holland en het Hof Amsterdam achtten de belanghebbende niet gerechtigd tot de inhoudingsvrijstelling wegens misbruik. In cassatie betoogt de belanghebbende dat het Hof: (i) de bewijslast ter zake van de toepasselijkheid van de inhoudingsvrijstelling verkeerd en in strijd met EU-recht heeft verdeeld (teveel bij de belanghebbende); (ii) de subjectieve toets onjuist of onbegrijpelijk en in strijd met EU-recht heeft toegepast, of onvoldoende heeft gemotiveerd, en ten onrechte absolute betekenis heeft toegekend aan het wegdenkcriterium; (iii) voor de vraag naar de mogelijke kunstmatigheid van de structuur (objectieve toets) ten onrechte beslissend heeft geacht of de belanghebbende een materiële onderneming drijft en personeel en kantoorruimte heeft; de mogelijkheid om vanuit de belanghebbende te herinvesteren is een legitiem zakelijk belang en van een verplichting tot doorbetaling van ontvangen dividend geen sprake is; (iv) het primaire EU-recht heeft geschonden door de grensoverschrijdende situatie te benadelen ten opzichte van de vergelijkbare interne situatie. AG Wattel constateert dat de termen ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets die de wetgever in dit misbruikverband heeft gebruikt uiterst verwarrend zijn omdat ook het algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is een objectief en een subjectief criterium kent, maar met een andere inhoud, nl. (i) objectieve strijd met doel en strekking van de wet en (ii) subjectieve ontwijkingsbedoelingen. De twee nationaalrechtelijke toetsen, óók de objectieve, vallen zijns inziens beide onder het aan bewijslevering onderworpen subjectieve criterium (intentie) van het algemene misbruikconcept van het HvJ. Ook het Hof Amsterdam is daarvan kennelijk uitgegaan, nu hij óók ter zake van het al dan niet kunstmatige karakter van de structuur de bewijslast expliciet bij de Inspecteur heeft gelegd. Hij heeft dus niet enkel het wegdenk-criterium al voldoende geacht voor een rechtsvermoeden van misbruik en omkering van de bewijslast. Zou (wél) alleen voldoening aan het wegdenk-criterium bewezen hoeven te worden door de Inspecteur, dan zou dat inderdaad een te mechanische en te algemene toets zijn om een rechtsvermoeden van antifiscale motieven en daarmee omkering van de bewijslast te rechtvaardigen, gegeven de arresten Eqiom, Deister en Juhler en Euro Park Service van het HvJ. Daarmee ontvalt de bodem grotendeels aan belanghebbendes cassatieberoep, dat er ten onrechte vanuit gaat dat het Hof volstaan zou hebben met voldoening aan het wegdenk-criterium als grond voor een misbruikvermoeden en omkering van de bewijslast. Dat heeft het Hof Amsterdam expliciet niet gedaan. Dat de belanghebbende vanuit EU-rechtelijk oogpunt mogelijk terecht kritiek uit op de parlementaire geschiedenis van art. 4(3)(c) Wet Divb, doet volgens de AG-Wattel maar zijdelings ter zake, nu die bepaling hoe dan ook EU-rechtconform uitgelegd en toegepast moet worden, zodat niet die parlementaire geschiedenis, maar de HvJ-misbruikrechtspraak beslissend is. AG Wattel acht het arrest HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster) ook na de invoering van art. 4(3) Wet Divb in 2018 nog leidend voor de toepassing van de antimisbruikbepaling, nu dat arrest zegt dat (i) de nationale implementatie van de MDR-misbruikbepaling conform het EU-recht moet worden toegepast, (ii) welke arresten van het HvJ bepalend zijn, waaronder Eqiom, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark, (iii) ook de bewijslastverdeling door dat EU-recht wordt bepaald en (iv) het Hof in die zaak zulks niet had miskend, waardoor alleen de vraag overbleef of ’s Hofs bewijsoordelen voldoende gemotiveerd waren. Het enkele feit dat de aandeelhouders in de moedervennootschap zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden kunnen doen gelden, wijst inderdaad onvoldoende op misbruik van de richtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen, maar daarvan is dus geen sprake, omdat het Hof ook de bewijslast ter zake van de kunstmatigheid op de Inspecteur heeft gelegd. Anders dan in HvJ Eqiom is geen sprake van een automatisch of categorisch misbruikvermoeden zonder dat de inspecteur gehouden is (objectieve) aanwijzingen van misbruik aannemelijk te maken. En anders dan in Deister en Juhler is geen sprake van uitsluiting van de richtlijnvoordelen op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Tegenbewijs is juist expliciet open gesteld. AG Wattel meent daarom dat het Hof Amsterdam de bewijslast EU-rechtelijk correct heeft verdeeld en dat de suggestie van de Staatssecretaris dat voldoening aan het wegdenk-criterium al voldoende zou zijn voor omkering van de bewijslast onjuist is. De belanghebbende heeft tot bewijs van niet-kunstmatigheid en economische realiteit een reeks omstandigheden aangevoerd die het Hof alle heeft beoordeeld met als conclusie dat zij niet relevant, niet overtuigend of niet aannemelijk zijn. Het Hof heeft volgens AG Wattel aldus voldaan aan de voorschriften van het HvJ dat “in elk concreet geval (…) de desbetreffende constructie in haar geheel (moet) worden onderzocht” (Cadbury Schweppes), dat de nationale rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen “dat de bestanddelen van (…) misbruik verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen” (T Danmark en Y Denmark). De uitkomst van ‘s Hofs feitenonderzoek op basis van die EU-rechtelijk correcte maatstaven acht de AG niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk en daarom in cassatie onaantastbaar. Het beroep op het EU-Handvest wordt pas voor het eerst in cassatie gedaan, zodat daarop niet kan of hoeft te worden ingaan. Redelijkerwijs valt volgens AG Wattel overigens niet te betwijfelen dat als misbruik van de Richtlijn feitelijk is vastgesteld, zoals in casu, waardoor ook beroep op het primaire EU-recht van de verkeersvrijheden uitgesloten is, dat geconstateerde misbruik evenzeer beroep uitsluit op ander primair EU-recht zoals het EU-Handvest. Ten overvloede merkt de AG op dat de als vergelijkbaar gestelde binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen niet vergelijkbaar zijn: was de belanghebbende in het binnenland gevestigd, dan zou zij binnenlands belastingplichtig én inhoudingsplichtig zijn geweest. Onderworpen gevallen zijn niet gelijk aan niet-onderworpen gevallen, noch in het licht van het doel van de dividendbelasting om de opbrengst van met eigen vermogen gefinancierde economische activiteiten op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat te belasten, noch in het licht van het doel misbruik te bestrijden, welk misbruik zich in casu in de door de belanghebbende opgevoerde binnenlandsituatie niet kan voordoen. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02691
Datum 26 mei 2023
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Dividendbelasting / 2018
Nr. Gerechtshof 20/00438
Nr. Rechtbank HAA 19/879
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
de Staatssecretaris van Financiën
Met bijlage
1. Overzicht
1.1 De belanghebbende is een in België gevestigde BV. Zij houdt via de Nederlandse tussenhoudster [A] BV ( [A] ) een indirect belang in een in Nederland gevestigde CV van het private equity huis [B] . Haar aandeelhouders zijn drie in België wonende leden van de familie [C] . Naast het indirecte belang in de [D] -CV bezit de belanghebbende twee oldtimer personenwagens. Zij heeft geen kantoorruimte en geen personeel.
1.2 In 2018 heeft de belanghebbende een dividend ad € 1.015.862 ontvangen van [A] , waarop 5% Nederlandse dividendbelasting (€ 50.793) is ingehouden. Was de belanghebbende in Nederland gevestigd geweest, dan zou het dividend vrijgesteld zijn geweest onder de deelnemingsvrijstelling (art. 13 Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb)) en zou op grond van art. 4(2) Wet op de dividendbelasting (Wet Divb) ook inhouding van dividendbelasting achterwege zijn gebleven.
1.3 In geschil is of de belanghebbende recht heeft op de inhoudingsvrijstelling ex art. 4(2) DivB dam wel de antimisbruikbepaling in art. 4(3)(c) Divb daaraan in de weg staat. Die bepaling sluit de vrijstelling uit als het belang in een Nederlandse uitkerende vennootschap gehouden wordt via de belastingplichtige met als doel belastingheffing bij een ander (de uiteindelijk gerechtigde) te ontgaan (‘subjectieve’ toets) en dat indirecte belang een kunstmatige constructie is (“objectieve’ toets).
1.4 Ik concludeer vandaag ook in de zaak met rolnummer 22/02695, waarin eveneens de toepasselijkheid van de genoemde inhoudingsvrijstelling in geschil is. Bij deze en die conclusie gaat een bijlage waarin de wet- en regelgeving, parlementaire geschiedenis, rechtspraak en literatuur wordt aangehaald die in beide zaken van belang is.
1.5 Zowel de Rechtbank Noord-Holland1.als het Hof Amsterdam2.hebben geoordeeld dat de belanghebbende geen recht heeft op de inhoudingsvrijstelling van art. 4(2) Wet DivB. De Rechtbank overwoog dat als het dividend niet aan de belanghebbende maar aan haar aandeelhouders was uitgekeerd, meer belasting zou zijn geheven, nl. 15% dividendbelasting in plaats van 5% (wegdenkgedachte, subjectieve toets) en dat volgens de parlementaire geschiedenis er alsdan vanuit moet worden gegaan dat minstens één van de hoofddoelen van de structuur is om de heffing van dividendbelasting bij belanghebbendes aandeelhouders te ontgaan. Aan het subjectieve criterium in art. 4(3) Wet Divb is dan voldaan en, nu de belanghebbende geen economische en commerciële rechtvaardiging voor haar bestaan aannemelijk heeft gemaakt, is volgens de Rechtbank ook voldaan aan de objectieve toets (kunstmatigheid).
1.6 Op basis van HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster) meent het Hof Amsterdam in hoger beroep dat de Rechtbank terecht mede is uitgegaan van de wegdenkgedachte bij de toets of ontgaan van dividendbelasting (één van de) hoofddoel(en) is van het houden van het CV-belang via de belanghebbende, maar hij heeft ook de last om te bewijzen dat het indirecte houderschap kunstmatig was (objectieve toets) bij de Inspecteur gelegd. Het Hof acht de Inspecteur geslaagd in het aannemelijk maken van kunstmatigheid op basis van een aantal feitelijke omstandigheden, waaronder met name het gegeven dat de belanghebbende niet meer deed dan een som geld ter beschikking stellen aan een beleggingsvehikel en geen enkele invloed uitoefende op diens belegging van die som geld. Hij heeft vervolgens de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zakelijke overwegingen die de economische realiteit weerspiegelen aannemelijk te maken, maar heeft haar daarin niet geslaagd geacht. De Inspecteur heeft de inhoudingsvrijstelling daarom volgens het Hof terecht geweigerd.
(i) de bewijslast ter zake van de toepasselijkheid van de inhoudingsvrijstelling verkeerd en in strijd met EU-recht heeft verdeeld door die teveel bij de belanghebbende te leggen;
(ii) de subjectieve toets onjuist of onbegrijpelijk en in strijd met EU-recht heeft toegepast, of onvoldoende heeft gemotiveerd. De belanghebbende is al voor die toets gezakt enkel omdat de familie bij wegdenken van de belanghebbende geen recht zou hebben op inhoudingsvrijstelling. Het Hof kent ten onrechte absolute betekenis toe aan het wegdenkcriterium. De belanghebbende en dier investering bestonden al lang en zij is niet opgericht of tussengeschoven met het oog op een verwacht dividend;
(iii) voor de vraag naar de mogelijke kunstmatigheid van de structuur (objectieve toets) beslissend heeft geacht of de belanghebbende een materiële onderneming drijft en personeel en kantoorruimte heeft. Dat een vennootschap wordt beheerst door aandeelhouders laat zich horen en duidt niet op misbruik. De mogelijkheid om vanuit de belanghebbende te herinvesteren is een legitiem zakelijk belang en van een verplichting tot doorbetaling van ontvangen dividend is geen sprake;
(iv) het primaire EU-recht heeft geschonden door de grensoverschrijdende situatie te benadelen ten opzichte van de vergelijkbare interne situatie. De mate van wetgevingsharmonisatie door de MDR (uitputtend of niet) is daarbij niet waar het om gaat.
1.8 Ik acht de termen ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets die de wetgever in dit misbruikverband heeft gebruikt uiterst verwarrend omdat ook het door het HvJ ontwikkelde algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is – en dat beslissend is voor de uitleg van zowel art. 1(2) MDR als art. 4(3)(c) Wet Divb – een objectief en een subjectief criterium kent, nl. (i) objectieve strijd met doel en strekking van de wet en (ii) subjectieve ontwijkingsbedoelingen. Die hebben echter een andere inhoud dan de toetsen in art. 4(3)(c) Wet Divb; die twee nationaalrechtelijke toetsen, óók de objectieve, vallen beide onder het aan bewijslevering onderworpen subjectieve criterium (intentie) van het algemene misbruikconcept van het HvJ. Doel en strekking van de wet/het EU-recht daarentegen, behoeven juist geen bewijs, want ius curia novit: ter zake daarvan kan geen bewijs(lastverdeling) aan de orde zijn. Ook het Hof Amsterdam is daarvan kennelijk uitgegaan, nu hij óók ter zake van het al dan niet kunstmatige karakter van de structuur de bewijslast expliciet bij de Inspecteur heeft gelegd. Hij heeft dus niet enkel het wegdenk-criterium al voldoende geacht voor een rechtsvermoeden van misbruik en omkering van de bewijslast. Verwarrend aan de Nederlandse implementatie is dat het EU-rechtelijke rechtskundige criterium voor misbruik (‘ondermijning’ van doel en strekking van de richtlijn) niet is overgenomen in art. 4(3)(c) Wet Divb en dat de tweede nationaalrechtelijke toets (kunstmatigheid) kennelijk tegelijk óók moet functioneren als criterium voor strijd met doel en strekking van de wet c.q. de richtlijn: het kunstmatigheidscriterium heeft een dubbelfunctie. Uit kunstmatigheid in het licht van de economische realiteit wordt zowel (weerlegbaar) een subjectieve ontwijkingsintentie afgeleid als een rechtskundig argument voor een rechtskundige kwalificatie (strijd met doel en strekking van de regeling waarop de belastingplichtige zich beroept); HvJ T Danmark en Y Denmark biedt daarvoor steun, maar de implementatie had duidelijker gekund.
1.9 Door het hybride karakter van de ‘objectieve toets’ (kunstmatigheid) en doordat het Hof expliciet ook de bewijslast ter zake daarvan op de Inspecteur heeft gelegd, ontvalt voor een groot deel de bodem aan belanghebbendes cassatieberoepschrift, waarin zij de ‘objectieve toets’ ten onrechte aanmerkt als een rechtsvraag. Ten onrechte merkt zij enkel de ‘subjectieve toets’ aan als een aan bewijslevering door de Inspecteur onderworpen feitelijke vraag. In haar lezing van de wet zou alleen het wegdenk-criterium overblijven als toets voor antifiscale motieven. Dat zou inderdaad een te mechanische en te algemene toets zijn om een rechtsvermoeden van antifiscale motieven en daarmee omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Maar dat heeft het Hof Amsterdam dus niet gedaan. Voor wat de bewijslastverdeling betreft berust het cassatiemiddel dus op verkeerde lezing van de Hofuitspraak, waardoor het in zoverre geen voorwerp heeft.
1.10 De belanghebbende uit vanuit EU-rechtelijk oogpunt mogelijk terecht kritiek op de parlementaire geschiedenis van art. 4(3)(c) Wet Divb, maar die doet mijns inziens maar zijdelings ter zake, nu die bepaling hoe dan ook EU-rechtconform uitgelegd en toegepast moet worden, aldus ook expliciet HR BNB 2020/80. De bedoeling en toepassing van door het EU-recht beheerste antimisbruikbepalingen wordt niet door de Nederlandse parlementaire geschiedenis, maar door de HvJ-rechtspraak daarover bepaald.
1.11 Ik meen daarom dat de met (i) en (ii) aangeduide onderdelen van het middel, die zien op de bewijslastverdeling en de verhouding tussen de ‘subjectieve toets’ en de ‘objectieve toets’ stranden. Het Hof heeft de bewijslast ook ter zake van het kunstmatigheidscriterium op de Inspecteur gelegd en uit het wegdenk-criterium niet meer dan een weerlegbaar vermoeden afgeleid dat op zichzelf onvoldoende is maar pas relevant is als de Inspecteur ook voldoende tekenen van kunstmatigheid aanwijst en zo nodig bewijst.
1.12 Dan resteren de vragen of (i) ’s Hofs materieel-juridische maatstaven stroken met EU-recht en of naast beroep op art. 5 MDR ook (nog) beroep op primair EU-recht (vestigingsvrijheid en/of vrij kapitaalverkeer en EU-Handvest) open staat en (ii) zijn bewijsoordelen begrijpelijk en voldoende gemotiveerd zijn.
1.13 De belanghebbende acht HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster) niet leidend omdat inmiddels de wet twee keer gewijzigd is om hem aan EU-recht aan te passen, ook al verklaarde de wetgever dat geen inhoudelijke wijziging werd beoogd, want het EU-recht kent volgens haar noch aan het ontbreken van een materiële onderneming, noch aan het passieve karakter van beleggingen doorslaggevende betekenis toe bij de vraag of een houdster een kunstmatige constructie is. Ik zie niet in dat HR BNB 2020/80 niet leidend zou zijn, met name niet omdat de kern van dat arrest juist is dat de antimisbruikbepaling in art. 4(3) Wet Divb EU-rechtconform moet worden uitgelegd en toegepast, hetgeen ook de belanghebbende wil. Dit onderdeel van het middel lijkt dus op verkeerde lezing van HR BNB 2020/80 te berusten. Dat arrest zegt expliciet dat (i) de nationale implementatie van de MDR-misbruikbepaling conform het EU-recht moet worden toegepast, (ii) welke arresten van het HvJ daarvoor bepalend zijn, waaronder Eqiom, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark, (iii) ook de bewijslastverdeling door dat EU-recht wordt bepaald en (iv) het Hof in die zaak zulks niet had miskend, waardoor alleen de vraag overbleef of ’s Hofs bewijsoordelen voldoende gemotiveerd waren (dat waren ze). Het werkelijke geschil is dus ook in onze zaak of het Hof Amsterdam de Nederlandse wet (art. 4(3)(c) Wet Divb) heeft toegepast in overeenstemming met de misbruikrechtspraak van het HvJ, ook voor wat betreft de bewijslastverdeling.
1.14 Zoals al bleek, acht ik het enkele wegdenk-criterium in het licht van de rechtspraak van het HvJ, met name de arresten Eqiom, Deister en Juhler en Euro Park Service een te algemeen vermoeden van rechtsmisbruik, dat daarom geen omkering van de bewijslast kan rechtvaardigen. Het enkele feit dat de aandeelhouders in de moedervennootschap zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden kunnen doen gelden, wijst onvoldoende op misbruik van de richtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Maar daarvan is in casu geen sprake, omdat het Hof ook de bewijslast ter zake van de kunstmatigheid op de Inspecteur heeft gelegd. Anders dan in HvJ Eqiom is in casu geen sprake van een automatisch of categorisch misbruikvermoeden zonder dat de inspecteur gehouden is aanwijzingen van misbruik te geven. En anders dan in Deister en Juhler is in casu geen sprake van uitsluiting van de richtlijnvoordelen op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Tegenbewijs is juist expliciet open gesteld. Ik meen daarom dat het Hof Amsterdam niet betrapt kan worden op schending van EU-recht voor wat betreft de bewijslastverdeling.
1.15 De belanghebbende stelt vervolgens dat het Hof materieel primair en secundair EU-recht onjuist heeft uitgelegd, c.q. dat zijn bewijsoordeel ter zake van het voldaan zijn aan de EU-rechtelijke misbruikcriteria onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is. De Inspecteur heeft volgens het Hof bewezen dat belanghebbendes drie aandeelhouders niet voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van art. 5 MDR en ook dat de volgende feiten en omstandigheden zich voordoen:
- belanghebbendes belang in het private equity fonds is niet toerekenbaar aan enige materiële onderneming;
- van een materiële onderneming is bij haar überhaupt geen sprake;
- zij heeft geen enkele bemoeienis met het fonds of door dien gehouden belangen; zij heeft enkel een som geld ter beschikking gesteld en heeft geen enkele invloed op het rendement;
- zij heeft geen enkele substance;
- zij heeft geen enkele economische activiteit;
- haar twee oldtimer auto’s houden geen enkel verband met haar belang in het fonds;
- de besluitvorming en resultaatbestemming van de belanghebbende ligt volledig bij de familie; zij kan feitelijk niet vrij beschikken over de door haar ontvangen dividenden.
1.16 Het Hof heeft de belanghebbende in de gelegenheid gesteld daar bewijs van niet-kunstmatigheid en economische realiteit tegenover te stellen. De belanghebbende heeft daartoe een reeks omstandigheden aangevoerd die het Hof alle heeft beoordeeld met als conclusie dat zij niet relevant, niet overtuigend of niet aannemelijk zijn. Het Hof heeft mijns inziens aldus voldaan aan de voorschriften van het HvJ dat “in elk concreet geval (…) de desbetreffende constructie in haar geheel (moet) worden onderzocht” (Cadbury Schweppes), dat de nationale rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen “dat de bestanddelen van (…) misbruik verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen” (T Danmark en Y Denmark). De uitkomst van ‘s Hofs feitenonderzoek op basis van die EU-rechtelijk correcte maatstaven acht ik niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk en daarom in cassatie onaantastbaar. De omstandigheden dat de belanghebbende (i) in een vorig leven meer is geweest dan een passieve geldzak van drie familieleden en (ii) mogelijk (nog) geen doorsnee doorstroom-vennootschap is, heeft het Hof niet relevant geacht voor de huidige economische realiteit van een volgens dat Hof door die drie familieleden leeghaalbare of verkoopbare passieve beleggingsgeldzak, mede gezien de overige door de Inspecteur bewezen omstandigheden. Dat oordeel lijkt mij rechtskundig correct en voor het overige feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het strookt met HR BNB 2020/80.
1.17 Dan resteert belanghebbendes beroep op primair EU-recht. Ik meen dat de door haar aangeroepen HvJ-arresten over vrij verkeer in de zaken Amurta en Miljoen, X en Société Générale niet relevant zijn omdat die zaken niet over misbruik gingen. Voor wat betreft haar beroep op HvJ-arresten die wél over misbruik gaan, geldt dat het HvJ in T Danmark en Y Denmark heeft beslist dat als de bronbelastingvrijstelling van art. 5 MDR niet van toepassing is wegens misbruik ervan in de zin van art. 1(2) MDR, de EU-verkeersvrijheden evenmin kunnen worden ingeroepen om op te komen tegen de bronheffing door de bronstaat. Dat ligt ook voor de hand, gegeven dat volgens HvJ Euro Park Service de algemeen-belangdoelstelling misbruik te bestrijden dezelfde draagwijdte heeft als zij wordt ingeroepen op basis van een antimisbruikbepaling in een richtlijn of als rechtvaardiging van een uitzondering op het primaire recht op vrij verkeer. Het beroep op het EU-Handvest wordt pas voor het eerst in cassatie gedaan, zodat u daar niet op in kunt of hoeft te gaan. Redelijkerwijs valt mijns inziens overigens niet te betwijfelen dat als misbruik van de Richtlijn feitelijk is vastgesteld, zoals in casu, waardoor ook beroep op het primaire EU-recht van de verkeersvrijheden uitgesloten is, dat geconstateerde misbruik evenzeer beroep uitsluit op ander primair EU-recht zoals het EU-Handvest. Grondrechten zijn er niet om belastingverijdeling te faciliteren.
1.18 Ik merk ten overvloede op dat de door de belanghebbende als vergelijkbaar gestelde binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen niet vergelijkbaar zijn: was de belanghebbende in het binnenland gevestigd, dan zou zij binnenlands belastingplichtig én inhoudingsplichtig zijn geweest. Onderworpen gevallen zijn niet gelijk aan niet-onderworpen gevallen, noch in het licht van het doel van de dividendbelasting om de opbrengst van met eigen vermogen gefinancierde economische activiteiten op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat te belasten, noch in het licht van het doel misbruik te bestrijden, welk misbruik zich in casu in de door de belanghebbende opgevoerde binnenlandsituatie niet kan voordoen. Anders dan de belanghebbende lijkt te stellen, is het ook niet zo dat de inhoudingsvrijstelling niet beschikbaar zou zijn in de grensoverschrijdende situatie; dat is zij juist wél, zij het (EU-rechtelijk verplicht) niet in geval van misbruik.
1.19 Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
De belanghebbende is een naar Belgisch recht opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Zij is gevestigd in België. Haar aandeelhouders zijn drie leden van de familie [C] die allen in België wonen. De belanghebbende heeft geen kantoorruimte en geen werknemers in dienst.
2.2
De belanghebbende is in 2004 opgericht om de aandelen in de Belgische [I] NV te houden en die NV te besturen. Die NV hield zich bezig met productie van elektriciteit op basis van hernieuwbare energie en met verhandeling van groene-stroomcertificaten. In 2011 heeft de belanghebbende haar belang in die NV verkocht.
2.3
Het Hof heeft vastgesteld dat de belanghebbende in 2016 38,71% in [A] hield. Ik ga ervan uit dat dit ook het geval was in 2018, waarover het geschil over de dividendbelasting gaat. Verder bezat de belanghebbende in 2017 alleen twee old timer personenwagens met een balanswaarde van € 234.700. Ik neem aan ook in 2018.
2.4
[A] is een feeder vennootschap voor een fonds van het private equity huis [B] en heeft als enige bezitting 17,11% in [E] BV ( [E] ), die commandiet is in [F] CV ( [F] CV). [A] en [E] worden volgens hun statuten bestuurd door [G] BV ( [G] ) en feitelijk door de werknemers van [G] . Dat geldt indirect ook voor [F] CV, nl. via haar beherende vennoot [H] BV). Belanghebbendes indirecte belang in de portfolio-investeringen van [F] CV loopt uiteen van 0,65% tot 1,2%.
2.5
Op 31 juli 2018 heeft [A] een dividend ad € 1.015.862 uitgekeerd aan de belanghebbende, waarop 5% dividendbelasting (€ 50.793) is ingehouden. Op 30 augustus 2018 heeft [A] aangifte dividendbelasting gedaan. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de te haren laste ingehouden dividendbelasting. Op 21 december 2018 heeft de inspecteur dat bezwaar afgewezen.
2.6
Het bovenstaande kan als volgt schematisch worden samengevat:

Het geschil
2.7
Zou de belanghebbende in 2018 in Nederland gevestigd zijn geweest, dan was op het dividend de deelnemingsvrijstelling van art. 13 Wet Vpb van toepassing geweest en zou daarom ook de inhoudingsvrijstelling van art. 4(2) Wet DivB van toepassing zijn geweest, waardoor van dividendbelasting geen sprake zou zijn geweest. In geschil is of de belanghebbende recht heeft op die inhoudingsvrijstelling dan wel de antimisbruikbepaling van art. 4(3)(c) daaraan in de weg staat. Art. 4(3)(c) Divb sluit de inhoudingsvrijstelling uit als het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het belang is om belastingheffing bij een ander (de uiteindelijke aandeelhouders, in casu de familie [C] ) te ontgaan (volgens de wetgever een ‘subjectieve’ toets) én het gaat om een kunstmatige constructie (volgens de wetgever een ‘objectieve’ toets). Niet in geschil is dat de belanghebbende op zichzelf voldoet aan de formele voorwaarden die art. 4(1) en (2) DivB stellen voor de inhoudingsvrijstelling.
De Rechtbank Noord-Holland3.
2.8
De Rechtbank heeft de subjectieve toets als volgt uitgevoerd:
“14. Bij de beoordeling van het geschil neemt de rechtbank als uitgangspunt dat indien [A] rechtsreeks dividend zou hebben uitgekeerd aan in België woonachtige natuurlijke personen 15% dividendbelasting zou zijn geheven, zodat het gebruik maken van de constructie via eiseres leidt tot een verlaging van dividendbelasting. In het licht van de (…) Parlementaire Geschiedenis dient er dan ook van uit te worden gegaan dat, afgezien van andere hoofddoelen die eiseres mag hebben, in ieder geval één van de hoofddoelen van het houden van het belang in [A] door eiseres is om de heffing van dividendbelasting bij de uiteindelijke aandeelhouders te ontgaan.”
2.9
Vervolgens is de Rechtbank er bij de objectieve toets (kunstmatige constructie) van uitgegaan dat misbruik in de zin van art. 4(3)(c) Wet DivB moet worden uitgelegd conform het misbruikbegrip bij de toepassing van de EU-Moeder-Dochterrichtlijn (MDR) en van de vestigingsvrijheid (art. 49 VwEU) en de vrijheid van kapitaalverkeer (art. 63 VwEU) en de uitleg daarvan door het HvJ EU.4.Zij heeft ook steun gezocht bij HR BNB 2020/805.(Luxemburgse tussenhoudster; zie onderdeel 4.6 van de bijlage) waarin u de misbruiktoets van art. 17(3) Wet Vpb toepaste. De Rechtbank overwoog als volgt:
“21. Op grond van de (…) genoemde jurisprudentie neemt de rechtbank als uitgangspunt dat
het oprichten van een houdstermaatschappij in het land van inwoning van de uiteindelijke
aandeelhouders van deze houdstermaatschappij, en het houden van een belang in een Nederlandse dochtermaatschappij als zodanig niet kan worden aangemerkt als een volstrekt kunstmatige constructie. De rechtbank verwijst daarvoor naar overwegingen 72 en 73 van het (…) aangehaalde arrest Deister & Juhler [zie onderdeel 4.4 van de bijlage; PJW]. Ook overigens volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet dat het vereist is dat de in het buitenland gevestigde houdstermaatschappij een materiële onderneming drijft waaraan de aandelen van de Nederlandse dochtermaatschappij functioneel kunnen worden toegerekend. Immers, dit is slechts één van de mogelijkheden waardoor aannemelijk gemaakt kan worden dat geen sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit.
22. Op grond van het geheel van de objectieve feiten en omstandigheden dient te worden
vastgesteld of sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de
economische realiteit. Het feit dat de onderhavige constructie leidt tot het ontgaan van
dividendbelasting leidt tot een bewijsvermoeden van misbruik. Eiseres kan dit vermoeden ontzenuwen door feiten te stellen en aannemelijk te maken, die erop wijzen dat het houden van het belang niet een volstrekt kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit.
23. In dit geding staat het volgende vast. Eiseres verricht geen economische activiteiten anders dan het beleggen in twee oldtimer personenauto’s en het aanhouden van het belang in [A] . Eiseres heeft geen eigen kantoorruimte ter beschikking, geen werknemers in dienst, en zij verricht - anders dan het houden van het minderheidsbelang in [A] en twee oldtimers - geen activiteiten in het economisch verkeer.
24. Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een economische en commerciële rechtvaardiging is voor haar bestaan en het houden van het belang in [A] en dat geen sprake is van een zuiver formele structuur met als een van de voornaamste doelen de dividendbelasting te ontgaan. De stelling van eiseres dat zij zou fungeren als poolingentiteit voor leden van de familie [C] maakt dit niet anders. Er is sprake van een minderheidsbelang in [A] en eiseres vervult slechts een formele juridische en fiscale functie ten behoeve van [A] en haar aandeelhouders zonder relevante eigen activiteiten in het economische verkeer. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een uitsluitend formele of kunstmatige constructie waarvoor geen economische of commerciële rechtvaardiging bestaat. Het gelijk is derhalve aan verweerder. Eiseres kan derhalve geen aanspraak maken op de inhoudingsvrijstelling als geregeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965.”
2.10
Hennevelt (NLF 2020/1708 via NLF 2020/1709) becommentarieerde de uitspraak als volgt:
“Hoewel deze wegdenkbenadering in lijn is met de jurisprudentie van de Hoge Raad die de Rechtbank aanhaalt, kan worden betwijfeld of de Inspecteur met het louter mechanisch toepassen van de wegdenkgedachte wel een voldoende begin van bewijs levert dat sprake is van misbruik. Op grond van bijvoorbeeld het arrest Eqiom en Enka kan de last om te bewijzen dat geen sprake is van misbruik immers niet op basis van algemene criteria naar de belastingplichtige worden verschoven.6.Vooral in de kunstmatigehoudsterzaak [belanghebbendes zaak; PJW] was daarom – alvorens de bewijslast bij belanghebbende te leggen – een grondiger waardering van de relevante feiten en omstandigheden die licht konden werpen op de hoofddoelen van belanghebbende voor het houden van het belang in A, vanuit een EU-perspectief fraaier geweest.”
Het Gerechtshof Amsterdam7.
2.11
In hoger beroep bestreed de belanghebbende de bewijslastverdeling door de Rechtbank: het wegdenk-criterium achtte zij op grond van de r.o. 63 t/m 65 van HvJ Deister en Juhler (zie onderdeel 4.4 van de bijlage) in strijd met het EU-rechtelijke misbruikconcept omdat het een algemeen misbruikvermoeden vestigt waardoor de bewijslast steeds op de belastingplichtige wordt gelegd en geen rekening wordt gehouden met omstandigheden die tot de tegengestelde conclusie kunnen leiden dat het behalen van het belastingvoordeel niet (één van de) hoofddoel(en) van de constructie is. Ook bij de objectieve toets (kunstmatige constructie) achtte de belanghebbende de bewijslast door de rechtbank onjuist verdeeld. Het Hof heeft daaromtrent overwogen dat de Inspecteur moet bewijzen dat aan de voorwaarden van art. 4(3)(c) Wet Divd voor onthouding van de vrijstelling is voldaan ((i) hoofddoel belastingontwijking en (ii) kunstmatige constructie) en dat als de Inspecteur daarin slaagt, de belanghebbende de mogelijkheid heeft aannemelijk te maken dat de – in beginsel bewezen – kunstmatige constructie geldige zakelijke redenen heeft die de economische realiteit weerspiegelen. Bij de beoordeling van de bewijslevering door de Inspecteur nam het Hof net als de Rechtbank HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster) als richtsnoer. De Inspecteur heeft er volgens het Hof terecht op gewezen dat belanghebbendes uiteindelijke aandeelhouders natuurlijke personen zijn die geen recht hebben op de inhoudingsvrijstelling (wegdenkcriterium) en evenmin beroep kunnen doen op art. 5 MDR, dat immers alleen aan moedervennootschappen rechten toekent. Het Hof heeft het standpunt verworpen dat dit wegdenkcriterium bij de beoordeling van mogelijke antifiscale bedoelingen EU-rechtelijk niet gerechtvaardigd zou zijn, gegeven de r.o. 2.6.2. t/m 2.6.4 van HR BNB 2020/80 (zie onderdeel 4.6 bijlage) en r.o. 102 van HvJ T Danmark en Y Denmark (zie onderdeel 4.5 bijlage). Deze “subjectieve” toets kan volgens het Hof niet los worden gezien van de “objectieve” toets (kunstmatigheid) omdat de objectieve omstandigheden waar het bij die laatste toets om gaat in dienst staan van een bij de subjectieve toets aanwezig veronderstelde bedoeling van dividendbelastingontwijking. De subjectieve toets en objectieve toets liggen in elkaars verlengde, en de bewijslast ligt volgens het Hof bij beide toetsen op de Inspecteur (r.o. 5.3.5). Het Hof maakt dat op uit r.o. 114 van HvJ T Danmark en Y Denmark (zie onderdeel 4.5 bijlage). De Inspecteur moet dus zowel antifiscale motieven als kunstmatigheid aannemelijk maken en die twee toetsen lopen volgens het Hof door elkaar heen omdat kunstmatigheid bijdraagt aan het na toepassing van het wegdenk-criterium al opkomende (weerlegbare) vermoeden van misbruik. Slaagt de Inspecteur in dat bewijs van omstandigheden die doen vermoeden dat aan beide toetsen is voldaan, dan heeft de belanghebbende de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat de – alsdan in beginsel bewezen kunstmatige - constructie is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
2.12
Het Hof heeft de inspecteur geslaagd geacht in het bewijs dat: (i) belanghebbendes aandeelhouders geen recht hebben op MDR-voordelen; en (ii) de structuur kunstmatig lijkt in het licht van de economische realiteit van passieve belegging, waardoor de bewijslast omkeert:
“5.3.6. Het Hof overweegt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan de
objectieve toets. Hiertoe acht het Hof van belang dat belanghebbendes aandelenbelang in [A] voor de toepassing van artikel 4, lid 2, Wet DB functioneel niet kan worden toegerekend aan een materiële onderneming van belanghebbende (vgl. Kamerstukken I 2017/18, 34 785, nr. D, p. 27; geciteerd in onderdeel 13 uitspraak rechtbank). Bovendien is van een materiële onderneming ook overigens geen sprake. Tevens is van belang dat – naar de inspecteur heeft gesteld en door belanghebbende is bevestigd, althans niet weersproken - er vanuit belanghebbende geen enkele bemoeienis is met [A] en/of door [A] gehouden belangen. Dit laatste volgt reeds uit de omstandigheid dat belanghebbende enkel een som geld aan [B] - de onderneming van waaruit [A] wordt beheerd/bestuurd - ter beschikking heeft gesteld en zij geen enkele invloed heeft op het uiteindelijk verkregen rendement. Voorts heeft de inspecteur terecht gewezen op de omstandigheid dat geen sprake is van enige relevante substance bij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten en ook overigens niet van economische activiteiten is gebleken. Dit laatste geldt ook voor de twee aangehouden oldtimers, waarvan overigens gesteld noch gebleken is dat deze enige relatie zouden hebben tot het in [A] gehouden belang. Verder is redengevend dat de besluitvorming van belanghebbende volledig in handen is van leden van de familie [C] ; zij kunnen volledig de bestemming van de resultaten van belanghebbende bepalen; belanghebbende kan niet vrij beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit [A] . Deze omstandigheden leiden het Hof tot de conclusie dat - behoudens tegenbewijs - aannemelijk is dat sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en waarmee heffing van Nederlandse dividendbelasting bij de aandeelhouders van belanghebbende wordt ontgaan; een gelijkenis met de in het arrest T&Y Danmark aan de orde zijnde doorstroomvennootschappen dringt zich op; daarvoor acht het Hof anders dan belanghebbende stelt, niet vereist dat winsten direct worden uitgekeerd, maar is voldoende dat daartoe de mogelijkheid bestaat.”
2.13
De bewijslast van bona fide zakelijke, althans niet-fiscale redenen voor de structuur kwam aldus bij de belanghebbende terecht. Zij heeft diverse omstandigheden aangevoerd die reden zijn om haar als houdstervennootschap te gebruiken, door het Hof als volgt samengevat:
“5.1.1. (…)(i) dat het gebruik van een houdstervennootschap de aansprakelijkheid beperkt voor de schulden van de vennootschap;
(ii) dat de verkoop van beleggingen en andere investeringen gemakkelijker kan plaatsvinden door de levering van aandelen in plaats van alle activa en passiva;
(iii) dat belanghebbende fungeert als ‘pooling vehicle’ voor de familie [C] waardoor het mogelijk is om grotere bedragen te investeren en daarmee markten te betreden die anders gesloten zouden blijven;
(iv) dat uitstel van Belgische belastingheffing van de aandeelhouders mogelijk is tot het moment van winstuitkering. Hierdoor kunnen winsten worden geherinvesteerd. De winsten zijn weliswaar onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting, maar verliezen zijn aftrekbaar;
(v) dat er géén verplichting is voor belanghebbende om winst uit te keren en die winst is in dit geval ook niet uitgekeerd.
Daarnaast wijst belanghebbende er op dat bij winstuitkeringen aan haar aandeelhouders 30%
Belgische roerende voorheffing moet worden ingehouden, welke meer bedraagt dan het tarief in box 2, dat een actieve betrokkenheid bij [A] van belanghebbende of haar aandeelhouders niet is vereist en dat belanghebbende en haar (uiteindelijke) aandeelhouders in dezelfde lidstaat zijn gevestigd.”
2.14
Het Hof zag in die omstandigheden echter geen zakelijke redenen die (voldoende) economische realiteit aan het indirecte houderschap in [A] zouden geven (zelfde nummering als in 2.13):
“5.3.7 (…).(i) niet onderbouwd is waarom het houden van het belang door belanghebbende in [A] nodig zou zijn om beperking van aansprakelijkheid te creëren. Immers het belang in [A] bestaat al uit een aandelenbelang dat voor belanghebbende een beperking van aansprakelijkheid inhoudt. Verder is gesteld noch gebleken waarom beperking van aansprakelijkheid in het onderhavige geval een rol zou hebben gespeeld. Dat die aansprakelijkheid mogelijk een rol heeft gespeeld bij het aanhouden van de 70% deelneming in de Belgische [I] N.V. die door belanghebbende actief werd bestuurd, dient hier buiten beschouwing te blijven aangezien deze activiteiten in een eerder jaar geheel zijn gestaakt;(ii) dat het houden van het belang via belanghebbende de verkoop van het belang in [A] vergemakkelijkt in plaats van een verkoop van activa en passiva, valt evenmin te volgen nu het belang in [A] al bestaat uit een aandelenbelang;(iii) gegeven de (sterk uiteenlopende) samenstelling van het belegde vermogen, te weten een aandelenbelang in [A] en twee oldtimers, is niet aannemelijk waarom in dit geval belanghebbende voordelen zou behalen met pooling van beleggingen;(iv) De mogelijkheid om niet-uitgekeerde winsten te herinvesteren kan worden aangemerkt als een legitiem zakelijk belang om te beleggen door middel van een houdstervennootschap. Of daarvan in dit geval sprake is, is echter niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt, aangezien er geen enkele verplichting is voor belanghebbende behaalde winsten geheel of gedeeltelijk te herinvesteren. Belanghebbende wordt alleen (feitelijk) bestuurd door (enkele) leden van de familie [C] die ook aandeelhouder zijn en die geheel naar eigen goeddunken kunnen beslissen om winsten al dan niet uit te keren, te herinvesteren dan wel deze winsten te realiseren door middel van een verkoop van hun belang in belanghebbende.(v) het Hof vermag niet in te zien waarom sprake zou zijn van geldige zakelijke redenen indien er geen (directe) verplichting is om winst uit te keren door belanghebbende. Winstuitkeringen kunnen alsnog in de toekomst plaatsvinden ingeval bestuurders/aandeelhouders daartoe zouden besluiten; de winst zou ook kunnen worden genoten door verkoop van het belang in belanghebbende.
5.3.8.
Naar aanleiding van de overige door belanghebbende in 5.1.1 vermelde omstandigheden overweegt het Hof als volgt. Dat zoals belanghebbende stelt, een actieve betrokkenheid bij [A] van belanghebbende of haar aandeelhouders niet is vereist, is op zichzelf waar, maar deze omstandigheid vormt ook geen aanwijzing voor de aanwezigheid van economische activiteiten met betrekking tot het gehouden aandelenbelang. Ook uit de omstandigheid dat belanghebbende en haar (uiteindelijke) aandeelhouders in dezelfde lidstaat zijn gevestigd kan in dit geval niet worden afgeleid dat sprake is van geldige zakelijke redenen, te minder nu deze (uiteindelijke) aandeelhouders natuurlijke personen zijn die zelf geen recht hebben op de inhoudingsvrijstelling noch op de voordelen van de MDR. (…).”
2.15
Volgens de belanghebbende schendt de antimisbruikbepaling in art. 4(3)(c) het primaire en secundaire Unierecht, nl. de HvJ-arresten Deister en Juhler (zie onderdeel 4.4 bijlage) en T Denmark en Y Danmark (zie onderdeel 4.5 bijlage) voor wat betreft de uitleg van misbruik in de zin van art. 1(2) MDR, en de EU-verkeersvrijheden voor wat betreft de vergelijkbaarheid met de interne situatie: zij acht zich vergelijkbaar met een Nederlandse BV die wordt gehouden door een in Nederland wonende familie, in welk geval voor inhoudingsvrijstelling niet de voorwaarde wordt gesteld dat een (materiële) onderneming wordt gedreven. In zo’n binnenlands geval geldt de vrijstelling dus ook voor beleggings-BV’s. Dat verkeersbelemmerende verschil in behandeling op grond van vestigingsplaats is haars inziens alleen bij misbruik toegestaan, waarvan in casu geen sprake is.
2.16
Het Hof heeft daarover overwogen dat de bij 2015-wijzigingsrichtlijn in art. 1(2) MDR opgenomen bepaling de kwestie van misbruik van de bronbelastingvrijstelling in art. 5 MDR uitputtend regelt en de lidstaten geen mogelijkheid biedt daarvan af te wijken of nadere afwegingen of keuzen te maken. Nu art. 4(3)(c) Wet Divb die MDR-antimisbruikbepaling implementeert, kan art. 4(3)(c) Wet Divb niet rechtstreeks aan het primaire EU-recht (vestigingsvrijheid of kapitaalverkeer) worden getoetst, maar alleen aan de uitputtende Richtlijnbepaling. Het HvJ heeft in T Denmark en Y Danmark expliciet geoordeeld dat in misbruiksituaties waarop art. 1(2) MDR van toepassing is, geen beroep op de EU-verkeersvrijheden mogelijk is. Het Hof acht zijn uitleg en toepassing van art. 4(3)(c) Divb in belanghebbendes geval in overeenstemming met de misbruikrechtspraak van het HvJ, met name met de arresten Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark en meent dat art. 4(3)(c) Divb in die uitleg naadloos aansluit op art. 1(2) MDR. De vergelijking met een Nederlandse tussenhoudster houdt volgens het Hof overigens geen steek omdat in dat geval – anders dan in belanghebbendes geval – wél tenminste éénmaal Nederlandse belasting wordt geheven ten laste van de uiteindelijke aandeelhouders.
2.17
Dat de belanghebbende al eerder (vóórdat zij passief werd) bestond en bezigheden ontplooide en in die zin niet is ‘tussengeschoven’, sluit volgens het Hof misbruik niet uit:
“5.3.10 (….). Met hetgeen hiervoor onder 5.3.2 tot en met 5.3.8 is overwogen is naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval aan deze EU-rechtelijke criteria voldaan. Het Hof volgt dan
ook niet belanghebbendes stelling dat gegeven r.o. 99 tot en met 106 uit het arrest T&Y Danmark, in haar geval geen sprake is van misbruik. In voormelde rechtsoverwegingen van het arrest T&Y Danmark wordt weliswaar een karakterisering van doorstroomvennootschappen gegeven door het HvJ, maar dat wil niet zeggen dat in geval er nog geen sprake is van dooruitdeling van winsten, terwijl die mogelijkheid wel bestaat dan wel de winsten op andere wijze tot de aandeelhouders kunnen komen, bijvoorbeeld door middel van (belastingvrije) verkoop van hun belang in belanghebbende, er geen sprake zou zijn van misbruik. Dat belanghebbende al lang bestond vóór de invoering van de anti-misbruikmaatregel wil niet zeggen dat er geen sprake is van een ‘tussenschuiven’, en maakt als zodanig ook niet dat geen sprake kan zijn van misbruik. Bovendien zou de maatregel eenvoudig te ontgaan zijn indien deze niet zou kunnen worden toegepast op reeds bestaande vennootschappen.”
2.18
De redactie van V-N 2022/37.7 heeft de uitspraak onder meer als volgt becommentarieerd:8.
“Het hof begint met het vaststellen van de bewijslastverdeling (r.o. 5.3.2). Daaruit volgt dat de belastingplichtige primair bewijst dat de inhoudingsvrijstelling van art. 4 lid 2 Wet DB 1965 in zijn geval van toepassing is. Vervolgens is de belastinginspecteur aan zet om te bewijzen dat de antimisbruikregeling van art. 4 lid 3 onderdeel c Wet DB 1965 in casu van toepassing is. Dit betekent dat de inspecteur moet bewijzen dat is voldaan aan de subjectieve én de objectieve toets (zie over deze twee toetsen hierna). De belastingplichtige hoeft dus niet de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in volle omvang, dus inclusief de antimisbruikbepaling van art. 4 lid 3 onderdeel c Wet DB 1965, te bewijzen volgens het hof. Heeft de inspecteur voldaan aan zijn bewijslast – er is sprake is van een kunstmatige constructie of transactie – dan ligt de bewijsbal weer bij de belastingplichtige om te bewijzen dat er (toch) geen sprake is van een kunstmatige constructie of transactie, oftewel dat de constructie of transactie is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Het komt ons voor dat het hof de bewijslast op deze wijze op een juiste wijze verdeelt die ook EU-rechtelijk de proportionaliteitstoets kan doorstaan. De zwaarste bewijslast ligt dus bij de belastinginspecteur, want die moet de subjectieve én objectieve toets bewijzen. Dat hij hierin heel wel kan slagen, bewijst onderhavige uitspraak.”
2.19
Ook Hennevelt (NLF 2022/1274) acht de bewijslastverdeling juist:
“Vanuit een procesrechtelijk perspectief is opvallend dat het Hof de bewijslast in overweging 5.3.2
voor zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde in de eerste plaats bij de Inspecteur legt en vervolgens een derde stap introduceert: zelfs als sprake is van (i) het ontgaan van dividendbelasting bij een ander door middel van (ii) een in beginsel kunstmatige constructie, dan nog moet de belastingplichtige de mogelijkheid krijgen te bewijzen dat (iii) die constructie is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Het Hof lijkt de zaak hiermee onnodig te compliceren, maar met name vanuit Unierechtelijk perspectief is deze derde stap mijns inziens inderdaad nodig om zijn uitspraak aanvaardbaar te maken. Als de Inspecteur immers in eerste instantie kan volstaan met de beoordeling van de toch vrij oppervlakkige wegdenkgedachte en toerekenbaarheid aan de materiële onderneming, is het van groot belang dat de belastingplichtige vervolgens een reële tegenbewijsmogelijkheid krijgt.9.”
2.20
Albert meent dat ’s Hofs uitspraak een EU-rechtelijk verboden discriminatie inhoudt van het grensoverschrijdende inhoudsloze geval ten opzichte van het vergelijkbare binnenlandse inhoudsloze geval en meent dat u prejudiciële vragen moet stellen aan het HvJ. U zie onderdeel 5.3 van de bijlage.
3. Het cassatiemiddel
3.1
De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De belanghebbende heeft haar zaak schriftelijk doen toelichten. De Staatssecretaris heeft afgezien van een reactie daarop.
3.2
De belanghebbende voert één cassatiemiddel aan: het Hof heeft art. 4(2) en (3)(c) Wet Divb geschonden, evenals art. 1(2), (3) en (4) MDR, de artt. 20, 49 en 63 VvEU, de artt. 20 en 21 van het EU-Grondrechtenhandvest en art. 8:77 Awb, om de volgende redenen:
(i) het Hof heeft de bewijslast ter zake van de toepasselijkheid van de inhoudings-vrijstelling in strijd met EU-recht verkeerd verdeeld door die teveel bij de belanghebbende te leggen;
(ii) ‘s Hofs toepassing van de subjectieve toets is onjuist of onbegrijpelijk en in strijd met EU-recht, althans onvoldoende gemotiveerd. Het Hof heeft de belanghebbende al voor die toets laten zakken enkel omdat de achterliggende familie bij wegdenken van de belanghebbende geen recht zou hebben op inhoudingsvrijstelling. Het Hof kent aldus ten onrechte absolute betekenis toe aan het wegdenkcriterium. De belanghebbende en dier investering bestonden al lang en zij is niet opgericht of tussengeschoven met het oog op een verwacht dividend. Evenmin is sprake, zoals in BNB 2020/80, van zetelverplaatsing of iets anders waardoor een Nederlandse dividendbelastingclaim werd gefrustreerd;
(iii) voor de vraag naar de mogelijke kunstmatigheid van de structuur (objectieve toets) is niet beslissend of de belanghebbende een materiële onderneming drijft en evenmin of zij personeel of kantoorruimte heeft. Dat de vennootschap wordt beheerst door aandeelhouders leidt niet tot toerekening aan die aandeelhouders. Hun mogelijkheid om vanuit de belanghebbende te herinvesteren is een legitiem zakelijk belang, ook als geen verplichting tot herinvestering bestaat, en van een verplichting tot doorbetaling van ontvangen dividend is geen sprake;
(iv) ’s Hofs oordeel schendt het primaire EU-recht door de grensoverschrijdende situatie te benadelen ten opzichte van de vergelijkbare interne situatie. Zijn rechtsopvatting kan dus niet de juiste zijn. Daarbij is de mate van wetgevingsharmonisatie door de MDR (uitputtend of niet) niet waar het om gaat.
4. De bewijslastverdeling en de verhouding tussen de ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets
4.1
De termen ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets die de wetgever in dit misbruikverband heeft gebruikt (zie de parlementaire geschiedenis in de onderdelen 3.1 - 3.3 van de bijlage) zijn uiterst verwarrend omdat ook het door het HvJ ontwikkelde algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is – en dat beslissend is voor de uitleg van zowel art. 1(2) MDR als art. 4(3)(c) Wet Divb – een objectief en een subjectief criterium kent, nl. (i) objectieve strijd met doel en strekking van de wet en (ii) subjectieve ontwijkingsbedoelingen (zie bijvoorbeeld r.o. 64 van Cadbury Schweppes in onderdeel 4.1 bijlage en r.o. 97 van T Danmark en Y Denmark in onderdeel 4.5 bijlage). Die EU-rechtelijke criteria hebben echter een andere inhoud dan de toetsen in art. 4(3)(c) Wet Divb die de wetgever en in navolging daarvan de feitenrechters aanduiden met ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets. Die twee nationaal-rechtelijke toetsen, óók de objectieve, vallen beide onder het subjectieve criterium (intentie) van het algemene misbruikconcept van het HvJ. Beide internrechtelijke toetsen zien op de intentie van de belastingplichtige, althans op feiten die bewezen moeten worden. Doel en strekking van de wet/het EU-recht daarentegen, behoeven juist geen bewijs, want ius curia novit: uitleg en toepassing van het recht is een rechtskundige kwestie waarover alleen de rechter gaat, van ambtswege, en ter zake waarvan dus geen bewijs(lastverdeling) aan de orde kan zijn. Opmerkelijkerwijs heeft de wetgever bij de implementatie van (het nieuwe) art. 1(2) MDR in 2018 (zie onderdeel 3.1 van de bijlage) de richtlijnterm “dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt” (de objectieve misbruiktoets; strijd met doel en strekking van de MDR) niet overgenomen in art. 4(3)(c) Divb. Dat hij het desondanks over een objectieve en een subjectieve misbruiktoets had, is dan verwarrend. Kennelijk moet het kunstmatigheidscriterium naast feitelijke kunstmatigheid óók (rechtskundige) strijd met doel en strekking van de wet aanduiden.
4.2
Ik neem aan dat dat ook is wat het Hof Amsterdam bedoelt met zijn overwegingen (r.o. 5.3.5) dat de ‘objectieve’ en de subjectieve toets van art. 4(3)(c) Wet Divb ‘niet los van elkaar gezien kunnen worden’ c.q. ‘in elkaars verlengde liggen’ c.q. dat de ‘objectieve’ toets ‘in dienst staat’ van de subjectieve. Het Hof legt immers – terecht – óók ter zake van het al dan niet kunstmatige karakter van de structuur de initiële bewijslast expliciet bij de Inspecteur (zie r.o. 5.3.5: “rust de bewijslast voor de objectieve toets ook op de Inspecteur”). Daaruit volgt dat het Hof Amsterdam de ‘objectieve’ toets terecht niet ziet als (slechts) een rechtskundige vraag (dan zou immers geen bewijslastverdeling aan de orde zijn), maar óók als een door de Inspecteur met (objectieve; dat wel) feiten te bewijzen omstandigheid.
4.3
Beide nationaalrechtelijke toetsen, óók de ‘objectieve’, toetsen dus subjectieve bedoelingen. Beide toetsen vestigen – weerlegbare – bewijsvermoedens ter zake van ontwijkings-bedoelingen op basis van objectieve omstandigheden, zoals het HvJ dat ook voorschrijft: ‘een geheel van objectieve elementen’; zie r.o. 64 van Cadbury Schweppes in onderdeel 4.1 bijlage en r.o. 97 van T Danmark en Y Denmark in onderdeel 4.5 bijlage. Die ‘objectieve gegevens’ zijn volgens de nationale wetgever: (i) hoe zou de heffing verlopen bij een rechtstreeks belang van de uiteindelijk gerechtigde in de dividendbetaler? en (ii) is het indirecte houderschap “kunstmatig” of past het bij de economische realiteit? Het verwarrende van deze wijze van nationale implementatie is dat het tweede criterium (kunstmatigheid) kennelijk óók functioneert als criterium voor strijd met doel en strekking van de wet c.q. de richtlijn: kunstmatigheid wordt kennelijk geacht te duiden op strijd met doel en strekking van de wet. Het kunstmatigheidscriterium heeft dus een dubbelfunctie; eigentijds uitgedrukt: het is hybride. Dat kan inderdaad gelezen worden in onder meer r.o. 100 van HvJ T Danmark en Y Denmark (zie onderdeel 4.5 bijlage; curs. PJW):
“Een concern dat (…) als voornaamste doel (…) heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de (..) belastingwetgeving ondermijnt, kan worden beschouwd als een kunstmatige constructie.”
Maar de Nederlandse wet zou duidelijker zijn geweest als de wetgever ook de ‘ondermijning’ van de wet expliciet had overgenomen uit de HvJ-rechtspraak.
4.4
Uit kunstmatigheid wordt dus zowel (weerlegbaar) een subjectieve ontwijkingsintentie afgeleid als een rechtskundig argument voor een rechtskundige kwalificatie (strijd met doel en strekking van de regeling waarop de belastingplichtige zich beroept). Het HvJ heeft doel en strekking van art. 5 MDR als volgt omschreven (onder meer in r.o. 69 van Deister en Juhler; zie onderdeel 4.4 bijlage):
“het doel van de moeder-dochterrichtlijn, in het bijzonder (…) artikel 5, lid 1 (…), te weten voorkomen dat de door een ingezeten dochteronderneming aan haar niet-ingezeten moedermaatschappij uitgekeerde dividenden dubbel worden belast door de lidstaat waar deze dochteronderneming is gevestigd om samenwerkingsverbanden en hergroeperingen van vennootschappen op het niveau van de Unie te vergemakkelijken.”
Volgens het Hof Amsterdam is in belanghebbendes geval kennelijk geen sprake van ‘samenwerkingsverbanden en hergroeperingen van vennootschappen op EU-niveau’, nu hij feitelijk heeft vastgesteld dat de door drie familieleden beheerste belanghebbende “enkel een som geld aan [B] (…) ter beschikking heeft gesteld en zij geen enkele invloed heeft op het uiteindelijk verkregen rendement.” Het Hof Amsterdam beschouwt de belanghebbende dus kennelijk als slechts een (beleggings)geldzak.
4.5
Door het hybride karakter van de ‘objectieve toets’ en doordat het Hof Amsterdam expliciet ook de bewijslast ter zake van de kunstmatigheid van de structuur op de Inspecteur heeft gelegd, ontvalt voor een groot deel de bodem aan belanghebbendes cassatieberoepschrift, waarin zij (p. 12) de ‘objectieve toets’ ten onrechte aanmerkt als een rechtsvraag naar doel en strekking van de wet. Ten onrechte merkt zij enkel de ‘subjectieve toets’ aan als een aan bewijslevering onderworpen feitelijke vraag. In haar lezing van de wet zou alleen het wegdenk-criterium overblijven als toets voor antifiscale motieven. Dat zou inderdaad een te mechanische en te algemene toets zijn om een rechtsvermoeden van antifiscale motieven en daarmee omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Maar dat heeft het Hof Amsterdam dus niet gedaan: hij heeft de Inspecteur juist expliciet (r.o. 5.3.5) óók belast met het bewijs van kunstmatigheid van de structuur alvorens antifiscale bedoelingen aannemelijk te achten die tegenbewijs door de belanghebbende behoeven, en hij heeft bij de beoordeling van zowel het bewijs als het tegenbewijs alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, zoals de HvJ-rechtspraak voorschrijft: hij heeft “in het concrete geval de desbetreffende constructie in haar geheel (…) onderzocht,” zoals het HvJ voorschrijft sinds zijn oer-arrest over misbruik in de directe belastingen Cadbury Schweppes (zie onderdeel 4.1 van de bijlage).
4.6
Voor wat de bewijslastverdeling betreft berust het cassatiemiddel dus op verkeerde lezing van de Hofuitspraak, waardoor het in zoverre geen voorwerp heeft.
4.7
Ik merk daarbij op dat uit de r.o. 102 en 116 van HvJ T Danmark en Y Denmark (zie onderdeel 4.5 bijlage) volgt dat de bewijslast ter zake van voldoening aan de toepassingsvoorwaarden van art. 5 MDR hoe dan ook op de belastingplichtige rust vanwege een algemene regel van bewijsrecht: wie zich op een vrijstelling beroept, moet bewijzen dat hij aan de voorwaarden ervoor voldoet. Aldus oordeelde het HvJ ook expliciet in de gevoegde zaken Haribo en Österreichische Salinen:10.wie zich op basis van art. 4 MDR op (in dat geval) een recht op credit for underlying tax beroept, moet bewijs leveren dat en hoeveel buitenlandse winstbelasting op het ontvangen dividend heeft gedrukt. Eén van de toepassingsvoorwaarden van art. 5 MDR is een kwalificerende moedervennootschap. Is de moedervennootschap (in casu: de belanghebbende) in de economische realiteit niet de uiteindelijke dividendgerechtigde, dan voldoet zij niet aan de toepassingsvoorwaarden van art. 5 MDR. In zoverre ligt misbruikbestrijding in het verlengde van correcte bepaling van het toepassingsbereik van de richtlijn. Om die reden had het HvJ het in onder meer de misbruikzaken Emsland-Stärke,11.Cadbury Schweppes (zie 4.1 bijlage) en T Danmark en Y Denmark (zie 4.5 bijlage) over ‘formele vervulling’ van voorwaarden (citaat uit Cadbury Schweppes):
“64. Voor de vaststelling van het bestaan van een [kunstmatige; PJW] constructie is (…) naast een subjectief element, namelijk de wil om een belastingvoordeel te verkrijgen, ook vereist dat uit een geheel van objectieve elementen blijkt dat, in weerwil van de formele vervulling van de door gemeenschapsregeling gestelde voorwaarden, het door de vrijheid van vestiging beoogde doel – zoals dat in de punten 54 en 55 van dit arrest is uiteengezet – niet werd bereikt (zie (…) Emsland-Stärke, C‑110/99, (…), punten 52 en 53 (…)).”.
Wel ligt de bewijslast van de stelling dat die voldoening aan de toepassingsvoorwaarden slechts ‘formeel’ (kunstmatig) is, op de fiscus, zo volgt uit r.o. 117 van hetzelfde arrest. Aldus heeft het Hof Amsterdam de bewijslast ook verdeeld.
4.8
Ik merk ook op dat wat er zij van de mogelijke terechtheid van belanghebbendes kritiek op de parlementaire geschiedenis van art. 4(3)(c) Wet Divb, die parlementaire geschiedenis mijns inziens maar zijdelings ter zake doet, nu die bepaling hoe dan ook EU-rechtconform uitgelegd en toegepast moet worden, aldus ook expliciet HR BNB 2020/80 (zie 4.6 bijlage). Ook Marres benadrukt (zie onderdeel 5.5 van de bijlage) dat wat de parlementaire geschiedenis van de Nederlandse implementatie ook moge zeggen over de bedoeling en toepassing van door het EU-recht beheerste antimisbruikbepalingen, niet de Nederlandse parlementaire geschiedenis, maar de HvJ-rechtspraak daarover leidend is.
4.9
Ik meen op grond van het bovenstaande dat de hierboven (3.2) met (i) en (ii) aangeduide onderdelen van het middel, die zien op de bewijslastverdeling en de verhouding tussen de ‘subjectieve toets’ en de ‘objectieve toets’ stranden. Het Hof heeft de bewijslast wel degelijk ook ter zake van het kunstmatigheidscriterium op de Inspecteur gelegd en uit het wegdenk-criterium niet meer dan een weerlegbaar vermoeden afgeleid dat op zichzelf onvoldoende is maar pas relevant is als de Inspecteur ook voldoende tekenen van kunstmatigheid aanwijst en zo nodig bewijst.
4.10
Dan resteren de vragen of (i) ’s Hofs materieel-juridische maatstaven stroken met EU-recht en of naast beroep op art. 5 MDR ook (nog) beroep op primair EU-recht (vestigingsvrijheid en/of vrij kapitaalverkeer en EU-Handvest) open staat en (ii) zijn bewijsoordelen begrijpelijk en voldoende gemotiveerd zijn.
5. Het EU-recht
5.1
Het Hof Amsterdam heeft bij zijn toepassing van de subjectieve en de objectieve toets uw arrest HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster; zie 4.6 van de bijlage) tot richtsnoer genomen. De belanghebbende acht dat EU-rechtelijk onjuist. Die zaak betrof een eerder jaar (2012) en een antimisbruikbepaling in een andere wet (art. 17(3) Wet Vpb: buitenlandse belastingplicht van een buitenlandse houdster met een aanmerkelijk belang (a.b.) in een Nederlandse vennootschap; zie over die bepaling de onderdelen 3.5 en 3.6 van de bijlage). De belanghebbende acht dat arrest niet (meer) leidend omdat de wet sindsdien is gewijzigd en in die zaak nog bepalend was of het belang in de Nederlandse vennootschap werd gehouden als belegging. Onder het huidige recht daarentegen gaat het om het aan de EU-rechtspraak ontleende begrip ‘kunstmatige constructie’ in art. 4(3) Wet Divb en het HvJ kent noch aan het ontbreken van een materiële onderneming, noch aan het passieve karakter van beleggingen doorslaggevende betekenis toe bij de vraag of een houdster een kunstmatige constructie is, aldus de belanghebbende.
5.2
De Staatssecretaris meent dat u in BNB 2020/80 de antimisbruikbepaling in art. 17(3) Wet Vpb EU-recht-conform heeft uitgelegd en dat met de gedeeltelijke overheveling van die antimisbruikbepaling naar art. 4(3) Wet DivB geen inhoudelijke wijziging is beoogd, zodat dat arrest ook in belanghebbendes zaak nog steeds het leidende precedent is.
5.3
HR BNB 2020/80 betrof het belastingjaar 2012. De wettekst is sindsdien twee maal gewijzigd. Per 1 januari 2016 is de tekst van art. 17(3) Wet Vpb aangepast12.aan de 2015-wijzigingen van de MDR en per 1 januari 2018 is art. 4(3) Wet DivB ingevoerd bij de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling.13.Voor de teksten en toelichtingen verwijs ik naar de onderdelen 2.5, 3.5 en 3.6 van de bijlage.
5.4
Tijdens de parlementaire behandeling bij de eerste wijziging is opgemerkt dat voor beleggingsstructuren de bestaande lijn wordt voortgezet, i.e. dat geen recht op vrijstelling bestaat als het belang ter belegging wordt gehouden (zie onderdeel 3.1 van de bijlage).14.Ook over de tweede wijziging zegt de parlementaire geschiedenis dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd (zie onderdeel 3.5 van de bijlage).15.Ik zie dan niet in dat HR BNB 2020/80 niet leidend zou zijn, te minder nu de kern van dat arrest juist is dat de antimisbruikbepaling in art. 4(3) Wet Divb EU-rechtconform moet worden uitgelegd en toegepast, hetgeen ook de belanghebbende met kracht betoogt. Dit onderdeel van het middel lijkt dus op verkeerde lezing van HR BNB 2020/80 te berusten. Dat arrest zegt expliciet (zie 4.6 bijlage) dat (i) de nationaalrechtelijke implementatie van de MDR-misbruikbepaling conform het EU-recht moet worden toegepast, (ii) welke met name genoemde en geciteerde arresten van het HvJ daarvoor bepalend zijn, waaronder Eqiom, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark, (iii) ook de bewijslastverdeling door dat EU-recht wordt bepaald en (iv) het Hof in die zaak zulks niet had miskend, waardoor alleen de vraag overbleef of ’s Hofs bewijsoordelen voldoende gemotiveerd waren (dat waren ze).
5.5
Het werkelijke geschil is dus ook in belanghebbendes zaak of het Hof Amsterdam de Nederlandse wet (art. 4(3)(c) Wet Divb) heeft toegepast in overeenstemming met de misbruikrechtspraak van het HvJ, ook voor wat betreft de bewijslastverdeling.
5.6
Uit HR BNB 2020/80 blijkt volgens de Staatssecretaris niet hoe de bewijslast moet worden verdeeld bij de ‘objectieve’ toets (die dus, zo bleek, niet objectief is in de zin dat het alleen om een rechtskundige vraag zou gaan), die destijds niet in die bewoordingen in de wet stond. Hij verzoekt u daarom te beoordelen of het Hof Amsterdam wel van het juiste toetsingskader is uitgegaan, gelet op het belang voor de rechtsontwikkeling en de praktijk. Hij suggereert dat het Hof Amsterdam de bewijslast te ver op de helft van de Inspecteur heeft gelegd door ook voor de kunstmatigheid van het indirecte houderschap van de familie bewijs van de Inspecteur te verlangen. Volgens hem volgt uit de wetsgeschiedenis (zie onderdelen 3.1-3.2 van de bijlage) dat als bij wegdenken van de belanghebbende meer dividendbelasting verschuldigd is, enkel om die reden de bewijslast al verschuift naar de belanghebbende. Zoals boven (4.5) al bleek, acht ik die opvatting onjuist: het enkele wegdenk-criterium lijkt mij in het licht van de rechtspraak van het HvJ, met name de arresten Eqiom, Deister en Juhler en Euro Park Service (zie onderdelen 4.3, 4.4 en 4.2 van de bijlage) een te algemeen vermoeden van rechtsmisbruik, dat daarom geen omkering van de bewijslast kan rechtvaardigen. Het enkele feit dat de aandeelhouders in de moedervennootschap zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden kunnen doen gelden, wijst onvoldoende op misbruik van de richtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Dat zou teveel afbreuk doen aan doel en strekking van de richtlijn. U zie ook mijn conclusie van 12 mei 2023 in de bij u aanhangige zaak 22/04085 over het misbruikvermoeden in art. 14a(6) Wet Vpb bij verkoop binnen drie jaar van bij splitsing verkregen aandelen in de afgesplitste rechtspersoon.16.Die enkele verkoop wijst onvoldoende op misbruik van de fusierichtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen.
5.7
Maar daarvan is in casu geen sprake, zo bleek boven. Anders dan in Eqiom (zie 4.3 bijlage) is in casu geen sprake van een automatisch of categorisch misbruikvermoeden zonder dat de inspecteur gehouden zou zijn ook maar een begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik te geven. Integendeel: het Hof Amsterdam heeft expliciet de bewijslast zowel bij de ‘subjectieve’ als de ‘objectieve’ toets op de Inspecteur gelegd en heeft alleen voor de subjectieve toets gebruik gemaakt van een – weerlegbaar – bewijsvermoeden, nl. het wegdenk-criterium. Bij het kunstmatigheidscriterium heeft het Hof geen vermoedens gebruikt, maar de bewijslast bij de Inspecteur gelegd. En anders dan in Deister en Juhler (zie 4.4 bijlage) is in casu geen sprake van uitsluiting van de richtlijnvoordelen op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Tegenbewijs is juist expliciet open gesteld. Volgens de genoemde arresten moet “in elk concreet geval de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht.” Dat heeft het Hof Amsterdam gedaan.
5.8
Na de bewijslevering door de Inspecteur ter zake van zowel het wegdenk-criterium als het kunstmatigheidscriterium is de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van – zoals art. 1(3) MDR het formuleert – geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Ik meen daarom dat het Hof Amsterdam niet betrapt kan worden op schending van EU-recht voor wat betreft bewijslastverdeling.
5.9
De belanghebbende stelt vervolgens dat het Hof Amsterdam materieel primair en secundair EU-recht onjuist heeft uitgelegd, c.q. dat zijn bewijsoordeel ter zake van het voldaan zijn aan de EU-rechtelijke misbruikcriteria onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is.
5.10
Het Hof Amsterdam heeft ter zake van de bewijslast van de Inspecteur overwogen dat deze heeft bewezen dat belanghebbendes drie aandeelhouders niet voldoen aan de toepassings-voorwaarden van art. 5 MDR (te ontzenuwen bewijsvermoeden ter zake van de ‘subjectieve’ toets) en ook heeft bewezen dat de volgende feiten en omstandigheden zich voordoen die wijzen op kunstmatige ontwijking van dividendbelasting door niet-kwalificerende natuurlijke personen (de ‘objectieve’ toets; zie ’s Hofs r.o. 5.3.6 in onderdeel 2.12 hierboven):
- belanghebbendes belang in private equity fonds [A] is niet toerekenbaar aan enige materiële onderneming;
- van een materiële onderneming is bij haar überhaupt geen sprake;
- zij heeft geen enkele bemoeienis met [A] of door dien gehouden belangen; zij heeft enkel een som geld aan [B] ter beschikking gesteld en heeft geen enkele invloed op het rendement;
- zij heeft geen enkele substance;
- zij heeft geen enkele economische activiteit;
- haar twee oldtimer auto’s houden geen enkel verband met haar belang in [A] ;
- de besluitvorming en resultaatbestemming van de belanghebbende ligt volledig bij de familie; zij kan feitelijk niet vrij beschikken over de door haar ontvangen dividenden.
5.11
Het Hof heeft de belanghebbende in de gelegenheid gesteld daar bewijs tegenover te stellen van niet-fiscale overwegingen voor en economische realiteit van haar rol en positie tussen het private equity fonds en de drie gelieerde natuurlijke personen die haar beheersen.
5.12 ‘
‘s Hofs toepassing van art. 4(3)(c) Wet Divb sluit mijns inziens aldus inderdaad ‘naadloos’ aan op (de uitleg door het HvJ van) art. 1(2) MDR.
5.13
De belanghebbende heeft een reeks omstandigheden aangevoerd die volgens haar de niet-fiscale niet-kunstmatigheid van het indirecte passieve belang aannemelijk maken (zie 2.13 hierboven). Het Hof heeft die omstandigheden in r.o. 5.3.7 beoordeeld en geconcludeerd dat zij niet relevant, niet overtuigend of niet aannemelijk zijn (zie 2.14 hierboven). Dat de belanghebbende in dezelfde staat is gevestigd als haar aandeelhouders, anders dan Eqiom, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark, lijkt mij met het Hof niet relevant, nu het gaat om de vraag of de aandeelhouders zelf zouden kwalificeren voor de vrijstelling van art. 5 MDR. Dat was in de genoemde arresten niet het geval omdat zij niet in de EU waren gevestigd; in belanghebbendes geval is dat echter om een andere reden niet het geval, nl. omdat zij natuurlijke personen zijn; het is dus irrelevant waar die wonen: natuurlijke personen zijn nooit gerechtigd tot de richtlijnvoordelen. De belanghebbende heeft daarnaast met verwijzing naar diverse arresten van het HvJ gesteld dat sommige van de door dat Hof in die zaken genoemde en op misbruik, althans kunstmatigheid, wijzende omstandigheden zich in haar geval niet voordoen. Mogelijk is dat zo, maar dat zegt niet dat andere omstandigheden die zich wél voordoen niet op misbruik zouden kunnen wijzen. Het gaat om de vraag of de simultane combinatie van de door de Inspecteur bewezen omstandigheden in hun samenhang bezien voldoende aannemelijk maken dat het om oneigenlijk (kunstmatig) beroep op de richtlijnvoordelen gaat: “in elk concreet geval moet de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht,” aldus het HvJ in onder meer Cadbury Schweppes (zie 4.1 bijlage). De nationale rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen “dat de bestanddelen van (…) misbruik [intentie en strijd met doel en strekking van de wet; PJW] verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen” (r.o. 117 T Danmark en Y Denmark; zie 4.5 bijlage). In r.o. 114 van T Denmark en Y Danmark noemt het HvJ als aanwijzingen van misbruik onder meer het bestaan van een (moeder)vennootschap “zonder economische rechtvaardiging alsook het louter formele karakter van het concern”. In r.o. 67 van Cadbury Schweppes (zie 4.1 bijlage) overwoog hij dat dat de vaststelling van een kunstmatige constructie:
“(…) moet berusten op objectieve en door derden controleerbare elementen die onder meer verband houden met de mate van fysiek bestaan van de [CFC] in termen van lokalen, personeel en uitrusting.”
En in de r.o. 104 en 105 van T Danmark en Y Denmark zag hij aanwijzingen van misbruik in “het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit”, die kan worden afgeleid “uit een onderzoek van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van de onderneming, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting” en in “het gebrek aan bevoegdheid (…) om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken” doordat de vennootschap “„in wezen” niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting [tot doorbetaling; PJW].”
5.14
Mijns inziens heeft het Hof Amsterdam dat allemaal gedaan en zich bij zijn feitenonderzoek en -waardering goed gehouden aan de genoemde beoordelingsmaatstaven van het HvJ. De uitkomst van ‘s Hofs feitenonderzoek op basis van die maatstaven – zijn bewijsoordelen dat de Inspecteur geslaagd is in bewijs van voldoende relevante omstandigheden die op misbruik wijzen en dat belanghebbende niet is geslaagd in tegenbewijs van omstandigheden die voldoende wijzen op niet-fiscale overwegingen voor en economische realiteit van belanghebbendes rol en positie anders dan “in wezen” een passieve beleggingsgeldzak van drie gelieerde natuurlijke personen – is mijns inziens geenszins onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk. Ik acht het daarom in cassatie onaantastbaar. De omstandigheden dat de belanghebbende (i) in een vorig leven meer is geweest dan een passieve geldzak van drie familieleden en (ii) mogelijk (nog) geen doorsnee doorstroomvennootschap is, heeft het Hof Amsterdam niet relevant geacht voor de huidige economische realiteit van een volgens dat Hof geheel door die drie familieleden leeghaalbare of verkoopbare passieve beleggingsgeldzak, mede gezien de overige door de Inspecteur aannemelijk gemaakte omstandigheden. Dat oordeel lijkt mij rechtskundig correct, mede gezien onder meer r.o. 105 van T Danmark en Y Denmark (zie 4.5 bijlage) en voor het overige feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het strookt met HR BNB 2020/80 (zie onderdeel 4.6 bijlage), waarin u overwoog:
“2.5.3. Het Hof heeft geoordeeld dat vanaf april 2011 sprake is van omvorming van Holding in een kasgeldvennootschap. Het heeft van geen belang geoordeeld dat Holding, zoals belanghebbende had aangevoerd, sindsdien nog een rol vervulde in het beperken van aansprakelijkheid van haar uiteindelijke aandeelhouders. In deze oordelen ligt als oordeel van het Hof besloten dat Holding op het moment dat zij (in juni 2012) de dividenduitkering aan belanghebbende deed, geen andere functie meer had dan die van kasgeldvennootschap. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk.
2.5.4.
Het oordeel dat Holding op het moment van de dividenduitkering de functie had van kasgeldvennootschap, draagt zelfstandig het daarop voortbouwende oordeel van het Hof dat belanghebbende het belang in Holding hield als belegging (…).”
5.15
Het enige dat het Hof wellicht verweten kan worden, is dat het rechtskundige oordeel (strijd met doel en strekking van de wet: het objectieve vereiste voor constatering van misbruik) nogal impliciet blijft. Maar dat is waarschijnlijk een gevolg van de vreemde Nederlandse implementatie in 2018 van het nieuwe art. 1(2) MDR in art. 4(3)(c) Divb, die alleen vraagt naar ontgaansbedoelingen en kunstmatigheid, maar niet naar strijd met doel en strekking (art. 1(2) MDR: ‘ondermijning’) van de wet. ’s Hofs uitspraak laat rechtskundig echter geen andere conclusie toe dan dat hij toepassing van de inhoudingsvrijstelling in casu in strijd acht met doel en strekking van zowel art. 5 MDR als art. 4(2) Wet Divb. Uitgaande van de door hem vastgestelde feiten en van de onaantastbaarheid van zijn bewijsoordelen, acht ik dat rechtsoordeel juist.
5.16
Dan resteert belanghebbendes beroep op primair EU-recht. Ik meen dat de door haar aangeroepen HvJ-arresten over vrij verkeer in de zaken Amurta en Miljoen, X en Société Générale niet relevant zijn omdat die zaken niet over misbruik gaan. Voor wat betreft haar beroep op HvJ-arresten die wél over misbruik gaan, geldt hetgeen het Hof Amsterdam terecht overnam uit r.o. 123 van T Denmark en Y Danmark (zie onderdeel 4.5 van de bijlage):
“indien de in richtlijn 90/435 neergelegde (…) vrijstelling van bronbelasting (…) niet van toepassing is doordat fraude of misbruik in de zin van artikel 1, lid 2, van deze richtlijn is vastgesteld, [kunnen] de in het VWEU neergelegde vrijheden niet […] worden ingeroepen om op te komen tegen de regeling van de eerstbedoelde lidstaat inzake de heffing van belasting over deze dividenden.”
Dat ligt ook voor de hand, gegeven dat misbruik van richtlijnen op dezelfde wijze moet worden beoordeeld als misbruik in de zin van het algemene beginsel van EU-recht dat misbruik van recht in het algemeen verbiedt. Aldus onder meer r.o. 69 van HvJ Euro Park Service (zie 4.2 bijlage):
“69 Wat de dwingende reden van algemeen belang in verband met de bestrijding van belastingfraude of belastingontwijking betreft volstaat het vast te stellen, (…) dat die doelstelling dezelfde draagwijdte heeft wanneer zij wordt ingeroepen ingevolge het bepaalde in [de Fusierichtlijn; PJW] of als rechtvaardiging van een uitzondering op het primaire recht. De overwegingen in de punten 54 tot en met 56 van het onderhavige arrest, aangaande de evenredigheid van de wettelijke regeling in het hoofdgeding die betrekking hebben op die bepaling, gelden dus ook voor de beoordeling of die wettelijke regeling evenredig is vanuit het oogpunt van de vrijheid van vestiging.”
5.17
Wat belanghebbendes beroep op het EU-Handvest betreft, merk ik op dat dat kennelijk pas voor het eerst in cassatie wordt gedaan en dat het Hof niet gehouden was om buiten het geschil van ambtswege EU-recht toe te passen dat niet van openbare orde is (aldus HvJ Van der Weerd e.a.)17.en evenmin consumentenbescherming betreft.18.Hij is nationaal-rechtelijk immers niet bevoegd om buiten het geschil te gaan en in dat geval geldt geen EU-rechtelijke plicht tot toepassing van ambtswege, aldus HvJ Van Schijndel en Van Veen,19.uit welk arrest ook volgt dat een cassatierechter niet hoeft in te gaan op voor het eerst gedane beroepen op EU-recht die feitelijk onderzoek vragen. Het Hof hoefde belanghebbendes vrije-verkeersklacht geenszins op te vatten als een beroep op gronden ontleend aan het Handvest. De feitenrechter behoort niet mee te procederen, behalve mogelijk – aldus het HvJ in bekritiseerde rechtspraak – in het consumentenrecht, met name in zaken die onder de Richtlijn inzake oneerlijke handelsbedingen20.kunnen vallen. Mogelijk ligt er ook een ambtshalve EU-recht-handhavingstaak voor de nationale rechter waar het gaat om (arbitrage inzake) kartelafspraken, maar de rechtspraak van het HvJ daarover21.is niet heel concludent. Wat daarvan zij, de genoemde Handvestbepalingen zijn niet van openbare orde (ordre public), de MD-richtlijn betreft noch consumentenbescherming tegen oneerlijke bedingen, noch mededingingsrecht, en de Hoge Raad is EU-rechtelijk niet verplicht om in te gaan op beroepen op EU-recht die feitelijk onderzoek vragen.
5.18
Overigens meen ik dat redelijkerwijs niet valt te betwijfelen dat waar misbruik van de Richtlijn feitelijk is vastgesteld, zoals in casu, en dus ook beroep op het primaire EU-recht van de verkeersvrijheden uitgesloten is, dat geconstateerde misbruik evenzeer beroep uitsluit op ander primair EU-recht zoals het EU-Handvest. Grondrechten zijn er niet om oneigenlijke belastingverijdeling te faciliteren.
5.19
Ik meen daarom dat ook belanghebbendes beroep op de door haar genoemde bepalingen van het Handvest van de Grondrechten van de EU strandt.
5.20
Ik merk ten overvloede op dat de door haar als vergelijkbaar gestelde binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen niet vergelijkbaar zijn: was de belanghebbende in het binnenland gevestigd, dan zou zij binnenlands belastingplichtig én inhoudingsplichtig zijn geweest. Onderworpen gevallen zijn niet gelijk aan niet-onderworpen gevallen, noch in het licht van het doel van de dividendbelasting om de opbrengst van met eigen vermogen gefinancierde economische activiteiten op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat te kunnen belasten, aldus onder meer HvJ Timac Agro,22.noch in het licht van het doel misbruik te bestrijden, welk misbruik zich in casu in de door de belanghebbende opgevoerde binnenlandsituatie niet kan voordoen. Anders dan de belanghebbende lijkt te stellen, is het ook niet zo dat de inhoudingsvrijstelling niet beschikbaar zou zijn in de grensoverschrijdende situatie; dat is zij juist wél, zoals ook de Staatssecretaris opmerkt, alleen niet in geval van misbruik, en het Hof Amsterdam heeft feitelijk misbruik vastgesteld op basis van EU-rechtelijk correcte materiële en bewijs(last)maatstaven.
5.21
De Staatssecretaris wijst er ten slotte terecht op dat als art. 1(2) MDR de lidstaten niet al verplichtte tot bestrijding van misbruik van de vrijstelling van bronbelasting in art. 5 MDR, of niet (correct) omgezet zou zijn in nationaal recht, zij nog steeds verplicht zijn, op grond van primair EU-recht (een algemeen beginsel van EU-recht), om misbruik van EU-recht, waaronder belastingontwijking door oneigenlijk beroep op EU-richtlijnen, onmogelijk te maken. Zie r.o. 82 en het dictum onder (2) van HvJ T Danmark en Y Denmark (onderdeel 4.5 van de bijlage).
5.22
Ik meen daarom dat ook belanghebbendes beroep op primair en secundair EU-recht strandt.
6. Conclusie
Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑05‑2023
Rechtbank Noord-Holland 26 juni 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:5138, FutD 2020-2108 met noot redactie, NLF 2020/1709 met noot Hennevelt, V-N 2020/43.2.4, NTFR 2020/2570 met noot El Manouzi.
Gerechtshof Amsterdam 2 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1731, FutD 2022-1744, NLF 2022/1274 met noot Hennevelt, V-N 2022/37.7.
Rechtbank Noord-Holland 26 juni 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:5138, FutD 2020-2108 met noot redactie, NLF 2020/1709 met noot Hennevelt, V-N 2020/43.2.4, NTFR 2020/2570 met noot El Manouzi.
De Rechtbank verwijst naar HvJ 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, zonder conclusie, ECLI:EU:V:2017:1009, BNB 2018/56 met noot Egelie, en HvJ 26 februari 2019, C-116/16 en C-117/16, T&Y Denmark, na conclusie Kokott, ECLI:EU:C:2019:135, BNB 2020/10, m.nt. Douma.
HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, na conclusie Wattel, BNB 2020/80 met noot Egelie.
Voetnoot in origineel: HvJ 7 september 2017, C-6/16 (Eqiom en Enka), ECLI:EU:C:2017:641, NLF 2017/2350, met noot van De Heer, r.o. 32 en 36. Zie ook HvJ 26 februari 2019, C-115/16 (N Luxembourg 1), ECLI:EU:C:2019:134, NLF 2019/0598, met noot van De Haan, r.o. 142.
Gerechtshof Amsterdam 2 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1731, FutD 2022-1744, NLF 2022/1274 met noot Hennevelt, V-N 2022/37.7.
Het commentaar ziet met name op de andere zaak van dezelfde datum waarin in vandaag eveneens concludeer, maar deze alinea geldt ook de onderhavige zaak omdat de becommentarieerde rechtsoverweging gelijk luidt.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 10 januari 2020, 18/00219, ECLI:NL:HR:2020:21, NLF 2020/0221, met noot van Van Lindonk, r.o. 2.6.7.
HvJ 10 februari 2011, gevoegde zaken C-436/08 en C-437/08, Haribo/Finanzamt Linz, na conclusie Kokkot, ECLI:EU:C:2011:61, BNB 2011/165 met noot Wattel.
HvJ 14 december 2000, C-110/99, Emsland-Stärke, na conclusie Alber, ECLI:EU:C:2000:695, BNB 2003/169 met noot Weber.
Wet van 23 december 2015 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met de implementatie van aanpassingen in de Moeder-dochterrichtlijn (Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015), Stb. 2015, 543.
Wet van 20 december 2017 tot wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de introductie van een inhoudingsplicht voor houdstercoöperaties, de uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en wijziging van enkele antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting en vennootschapsbelasting, Stb. 2017, 520.
Kamerstukken II 2015/2016, 34 306, nr. 3 (MvT), p. 5.
Kamerstukken II 2017/2018, 34.788, nr. 3 (MvT), p. 11.
Conclusie van 12 mei 2023, nr. 22/04085, ECLI:NL:PHR:2023:498.
HvJ 7 juni 2007, C-222/05 t/m C-225/05, Van der Weerd e.a./Nederland, na conclusie Poiares Maduro, ECLI:EU:C:2007:318, NJ 2007, 391 met noot Mok. Zie ook HvJ 25 november 2008, C-455/06, Heemskerk en Schaap, na conclusie Bot, ECLI:EU:C:2008:650, AB 2009/14 met noot Widdershoven. Zie daarover nader Prechal/Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht, AAe Libri, Nijmegen 2017, p. 412-416.
Zie de zaken HvJ 27 juni 2000, C-240/98, Oceano Grupo, na conclusie Saggio, ECLI:EU:C:2000:346 en HvJ 26 oktober 2006, C‑168/05, Mostaza Claro, na conclusie Tizzano, ECLI:EU:C:2006:675.
HvJ 14 december 1995, gevoegde zaken C-430/93 en C-431/93, Van Schijndel en Van Veen, na conclusie Jacobs, ECLI:NL:XX:1995:AD4743, NJ 1997, 116, met noot Snijders en Slot.
Richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en Richtlijnen 98/6/EG, 2005/29/EG en 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de Unie, Pb L 328 van 18 december 2019, p. 7–28.
HvJ 1 juni 1999, C-126/97, Eco Swiss, na conclusie Saggio, ECLI:EU:C:1999:269, NJ 2000, 339 met noot Snijders.
HvJ 17 december 2015, C-388/14, Timac Agro Deutschland, na conclusie Wathelet, ECLI:EU:C:2015:829, BNB 2016/92 met noot Egelie