Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/4.4.3
4.4.3 Toepassingsgebied
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS587562:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Steneker (2005) p. 148.
Onder meer Steneker (2005) p. 149; Wolfert (2007) p. 30.
Naast de toepassing bij de incasso van vorderingen, denk ik daarbij aan de toepassing van de kwaliteitsrekening bij projectfinancieringen, waarover Bertrams (2002) en tijdens geschilsituaties. Het zal m.i. minder zwaar gelden voor het mogelijk maken van substitutie bij de inning van openbaar verpande vorderingen aangezien deze toepassingsmogelijkheid in PG Boek 3 (Invoeringswet) p. 1340 is voorzien en de Hoge Raad in ProCall geen ruimte ziet voor verdere uitbreiding, maar evenmin de deur helemaal sluit.
Een volgend element uit het arrest ProCall is de beperking van de groep van personen die een algemene kwaliteitsrekening mogen aanhouden. Er dienen daarvoor, aldus de Hoge Raad met een verwijzing naar de wetgever, goede gronden te zijn. Voor wat betreft de notaris en de deurwaarder kunnen die gronden gevonden worden in de bescherming van het economisch verkeer en het vertrouwen van het publiek. Ook advocaten en accountants verkeren in een, wat derdengelden betreft, vergelijkbare vertrouwenspositie. In dit vereiste weerklinkt nog de maatschappelijke onrust naar aanleiding van het arrest Slis-Stroom waarbij, als gezegd, het vertrouwen van het publiek in het notariaat een deuk opliep. Ondanks de verklaring van dit vereiste op basis van de historie, kunnen daar toch enkele kanttekeningen bij worden geplaatst. Ten eerste moet de mogelijkheid tot het houden van een kwaliteitsrekening worden onderscheiden van de plicht daartoe.1 De bescherming van het vertrouwen van het publiek in de genoemde beroepsgroepen zal met name worden gewaarborgd als deze daadwerkelijk derdengelden aanhouden op kwaliteitsrekeningen en deze gelden niet, zoals bij notaris Slis-Stroom, doen samenvloeien met privé-vermogen. Ten tweede leidt het vereiste 'vertrouwen van het publiek' tot afbakeningsperikelen. Zo is de vraag opgeworpen of arbiters hiertoe ook behoren. Het antwoord daarop is onduidelijk.2 Ten derde, maar zeker niet in de laatste plaats, zijn er diverse andere toepassingsmogelijkheden van de kwaliteitsrekening buiten de kring van gereguleerde beroepsbeoefenaars. De casus ProCall is daarvan een voorbeeld. Want was de afwikkeling van betalingen langs een bankrekening beheerd door een factureerdienst nu zo flagrant in strijd met de goede rechtsorde dat de bedoelingen van partijen opzij gezet dienden te worden? Het antwoord ligt voor de hand. Naar mijn mening zijn er zeker goede redenen om de kwaliteitsrekening met de nodige waarborgen te omgeven, waarover aanstonds meer, maar moeten die niet exclusief worden gevonden in de hoedanigheid van de tussenpersoon die de rekening aanhoudt. Het zou betekenen dat de deur gesloten blijft voor andere gerechtvaardigde toepassingen van de kwaliteitsrekening.3