Revindicatoire aanspraken op giraal geld
Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/4.4.1:4.4.1 Vordering op de bank als vooronderstelling
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/4.4.1
4.4.1 Vordering op de bank als vooronderstelling
Documentgegevens:
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS592329:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik begin met een opmerking over de literatuur over de vermogensrechtelijke vormgeving van de kwaliteitsrekening. Hiervoor heb ik aangegeven dat er twee verschillende zienswijzen zijn ter verklaring van het rechtsgevolg dat de begunstigden met uitsluiting van derden-schuldeisers van de tussenpersoon bevoegd zijn verhaal te nemen op het tegoed op de kwaliteitsrekening. Beide zienswijzen hebben gemeen dat zij uitgaan van de vooronderstelling dat de rechtsverhouding tussen bank en rekeninghouder uitsluitend obligatoir van aard is.1 Het is deze vooronderstelling die de oorzaak is van de problemen die zich hier aandienen. De tenaamstelling van de rekening wordt gelijkgesteld met een vordering op naam van de rekeninghouder. Het gevolg is dat er hetzij een scheiding moet worden aangebracht binnen het vermogen van de rekeninghouder, indien wordt aangenomen dat de vordering op de bank aan hem toebehoort, hetzij door middel van volmachtconstructies een gebondenheid tussen de bank en de belanghebbenden wordt geconstrueerd. Door af te stappen van het axioma dat er sprake is van een vordering, ligt een meer eenvoudige oplossing binnen handbereik.
In hoofdstuk 3 heb ik betoogd dat, in het licht van het rechtskarakter van giraal geld als een gedematerialiseerd object, de rechtsverhouding tussen de rekeninghouder en diens bank een obligatoir en een goederenrechtelijk element bevat. De verplichtingen van de bank jegens de rekeninghouder tot het verlenen van betaaldiensten zijn obligatoir van aard; de hoeveelheid giraal geld die op enig moment op de rekening wordt aangehouden is goederenrechtelijk van aard. In het gros van de gevallen is het de rekeninghouder aan wie het geld op de rekening toebehoort. Een vermogensrechtelijke noodzakelijkheid is dat echter niet. Omdat de rekeninghouder in mijn zienswijze geen vorderingsrecht heeft jegens de bank, is de tenaamstelling niet doorslaggevend voor de vraag aan wie een giraal tegoed toebehoort.2 Er zijn uiteenlopende gevallen waarin voldoende grond aanwezig is om te concluderen dat het geld op de rekening toebehoort aan anderen. Een dergelijke situatie dient zich aan indien de betaalrekening kan worden aangemerkt als een kwaliteitsrekening. Tot de kern teruggebracht, heeft een kwaliteitsrekening tot doel een scheiding aan te brengen tussen het goederenrechtelijk toebehoren en de bevoegdheid om over het geld op de rekening te beschikken. Een dergelijke scheiding is vermogensrechtelijk eenvoudig in te bedden als mijn voorstelling van een giraal tegoed wordt gevolgd. De overschrijving naar een kwaliteitsrekening brengt immers niet noodzakelijk een wijziging aan in het goederenrechtelijk toebehoren, maar beperkt wèl, op grond van obligatoire afspraken tussen de begunstigden en de tussenpersoon, op welke wijze de tussenpersoon daarover kan beschikken. Ik zal dat hierna in paragraaf 5 uitwerken.