Hof 's-Hertogenbosch, 30-09-2025, nr. 200.339.696, 01
ECLI:NL:GHSHE:2025:2685
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
30-09-2025
- Zaaknummer
200.339.696_01
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2025:2685, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 30‑09‑2025; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:9646
Herstelde arrest: ECLI:NL:GHSHE:2025:977
ECLI:NL:GHSHE:2025:977, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 08‑04‑2025; (Hoger beroep)
Arrest: ECLI:NL:GHSHE:2025:2685
- Vindplaatsen
ERF-Updates.nl 2025-0558
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0558
ERF-Updates.nl 2025-0235
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0235
Uitspraak 30‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Vraag of notaris zorgplicht heeft geschonden bij passeren van akte van levering van landbouwgrond als beleggingsobject; ontvankelijkheid; hoedanigheid van eiseres als procespartij; Vervolg op https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:977
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.339.696/01
arrest van 30 september 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. H.J. Delhaas te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. B. van Mieghem te Rotterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 april 2025 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaak- /rolnummer C/02/396164 / HA ZA 22-158 gewezen vonnis van 13 december 2023.
5. Het verloop van de procedure
5.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 8 april 2025;
- -
de akte na tussenarrest van [geïntimeerde] met producties 59 tot en met 61;
- -
de antwoordakte van [appellant] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6. De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
6.1.
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 8 april 2025 overwogen dat onduidelijk is in welke hoedanigheid [geïntimeerde] procedeert. Om die reden heeft het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten wat de erfrechtelijke situatie was (op het moment van betekening van de inleidende dagvaarding) en wat de gevolgen daarvan zijn voor de (vermeende) vordering op [appellant] , voorzien van documentatie. [geïntimeerde] heeft een nadere toelichting gegeven, de akte houdende afgifte legaat in het geding gebracht (die al onderdeel uitmaakte van het dossier), alsmede een e-mail van mr. M.A. van Gaalen die die akte heeft opgemaakt en een e-mail met een opinie van mr. dr. R.E. Brinkman over de door het hof gegeven opdracht.
6.2.
In de akte houdende afgifte legaat is vermeld dat de overledene ( [persoon A] ) aan zijn echtgenote ( [geïntimeerde] ) heeft gelegateerd:
“a. de volle eigendom/ gerechtigdheid van de tot zijn nalatenschap behorende goederen die door haar verkozen worden onder verplichting tot inbreng van de waarde ten tijde van zijn overlijden daarvan;
b. het vruchtgebruik van zijn nalatenschap (met uitzondering van de op grond van het voormelde keuzelegaat verkregen goederen).”.
[geïntimeerde] kon dus kiezen uit de tot de nalatenschap behorende goederen. Uit de akte houdende afgifte legaat volgt dat zij alle goederen heeft gekozen. Dat blijkt uit:
“Aanvaarding legaat
De legataris verklaart bij deze akte het hiervoor onder a vermelde legaat te aanvaarden en derhalve alle goederen aan zichzelf toe te delen.”
[geïntimeerde] was bevoegd om de gelegateerde goederen aan zichzelf te leveren, omdat uit de akte houdende afgifte legaat volgt dat zij blijkens het testament tot afwikkelingsbewindvoerder was benoemd. Zij heeft die benoeming aanvaard. Dat zij beschikkingsbevoegd was, is niet in geschil.
6.3.
Voor overdracht was ook nodig dat de levering is geschied krachtens een geldige titel (artikel 3:84 lid 1 BW) die moet voldoen aan artikel 3:84 lid 2 BW en dat daarvan mededeling is gedaan (artikel 3:94 BW). Het hof oordeelt daarover als volgt.
6.4.
Voor het antwoord op de vraag of de (vermeende) vordering op [appellant] was bedoeld onderdeel uit te maken van het in het testament opgenomen legaat en de ‘aanvaarding’ daarvan door [geïntimeerde] , is uitleg van de akte nodig (volgens de Haviltex maatstaf). Het hof zal er vanuit gaan dat de wil van [persoon A] erop was gericht om [geïntimeerde] de gelegenheid te geven om als legaat al zijn goederen in eigendom te verkrijgen. Het hof kan er echter niet vanuit gaan dat [geïntimeerde] de wil heeft gehad om de (vermeende) vordering op [appellant] als onderdeel van het legaat te verkiezen / ‘aanvaarden’. Zij was immers op dat moment niet op de hoogte van het bestaan daarvan. Dat zij ‘alle’ goederen heeft gekozen / ‘aanvaard’, wil niet zeggen dat haar wil ook daarop was gericht.
6.5.
Voor zover dat anders zou zijn en ervan uitgegaan moet worden dat het vorderingsrecht door middel van een stille cessie is geleverd en [geïntimeerde] conform artikel 3:94 lid 3 BW kon volstaan met een mededeling achteraf aan [appellant] , zoals zij heeft betoogd, komt het hof niet tot een ander oordeel om de volgende reden. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij mededeling heeft gedaan in de zin van artikel 3:94 lid 1 of lid 3 BW door het uitbrengen van de dagvaarding. Gesteld noch gebleken is dat eerder dan de dagvaarding een mededeling is gedaan. Volgens [geïntimeerde] is met het uitbrengen van de dagvaarding de mededeling gedaan. Het hof kan [geïntimeerde] niet volgen in dat standpunt omdat uit de dagvaarding volgt dat [geïntimeerde] vorderde als erfgename. Ter voorbereiding op de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [appellant] de akte houdende afgifte legaat in het geding gebracht. Volgens [geïntimeerde] blijkt uit het feit dat [appellant] zelf die akte in het geding heeft gebracht, dat hij de mededeling heeft ontvangen en begrepen. Het hof is van oordeel dat uit het enkele feit dat [appellant] zelf die akte in het geding heeft gebracht, niet volgt dat voor hem duidelijk was dat de vordering aan [geïntimeerde] in eigendom was overgedragen. Dat blijkt immers (zoals hiervoor al is overwogen) niet uit die akte en was voor hem juist niet duidelijk. Het werd nog minder duidelijk doordat [geïntimeerde] in reactie daarop toen niet het standpunt heeft ingenomen dat zij de vordering als onderdeel van het legaat in eigendom heeft verkregen. Integendeel. Zij heeft toen juist in weerwil daarvan (in de spreekaantekeningen) opgemerkt dat de eigendom van percelen in [plaats A] wel door haar zijn verkregen, maar een eventuele vordering niet op haar is overgegaan. In aanvulling daarop heeft zij toen verklaard dat [geïntimeerde] ook erfgenaam is en dat de zonen opdracht hebben gegeven aan hun moeder ( [geïntimeerde] ) om een vordering in rechte in te stellen. Kortom, [geïntimeerde] heeft wisselende standpunten ingenomen en wat dan precies ‘de mededeling’ in de zin van artikel 3:94 lid 3 BW is geweest, blijft onduidelijk.
6.6.
Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de (vermeende) vordering op [appellant] nog deel uitmaakt van een onverdeelde gemeenschap. Zoals al in het tussenarrest is overwogen, was [geïntimeerde] bevoegd tot het instellen van een rechtsvordering ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, maar had zij kenbaar moeten maken dat zij in die hoedanigheid optrad, hetgeen zij niet heeft gedaan.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen.
6.7.
Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en [geïntimeerde] alsnog niet ontvankelijk verklaren in haar vorderingen.
Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
- -
griffierecht € 676,00
- -
salaris advocaat/gemachtigde € 1.196,00
totaal € 1.872,00
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
- -
explootkosten € 136,72
- -
griffierechten € 349,00
- -
salaris advocaat € 4.552,50 (2 ½ punten x tarief II en de helft voor het incidenteel hoger beroep)
- -
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 5.216,22
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:
verklaart [geïntimeerde] niet ontvankelijk in haar vorderingen;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg begroot op € 1.872,00,- en van het hoger beroep op € 5.216,22, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [geïntimeerde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan haar heeft voldaan aan hem terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, Z.D. van Heesen-Laclé en H.F.P. van Gastel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 september 2025.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 08‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Vraag of notaris zorgplicht heeft geschonden bij passeren van akte van levering van landbouwgrond als beleggingsobject; ontvankelijkheid; hoedanigheid van eiseres als procespartij
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.339.696/01
arrest van 8 april 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. H.J. Delhaas te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. B. van Mieghem te Rotterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 december 2023, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [persoon A] als eiseres en [appellant] als gedaagde.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/396164 / HA ZA 22-158)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de vonnissen van 13 juli 2022 en 12 oktober 2022.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep;
- -
de memorie van grieven met producties;
- -
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- -
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met een productie;
- -
de op 5 maart 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
Inleiding en samenvatting
3.1.
[persoon A] heeft een perceel landbouwgrond gekocht als belegging. Dat perceel landbouwgrond is in 2006 geleverd door middel van een volmacht. [appellant] was notaris en heeft de leveringsakte gepasseerd. [geïntimeerde] is de weduwe van [persoon A] . Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] zijn zorgplicht als notaris verzaakt bij de levering van de landbouwgrond. Volgens [geïntimeerde] is [appellant] aansprakelijk voor schade. Het hof kan nog niet beoordelen of dat het geval is, omdat eerst moet worden onderzocht of [geïntimeerde] ontvankelijk is in haar vorderingen. [geïntimeerde] zal eerst nadere informatie moeten geven over de situatie met betrekking tot de nalatenschap van [persoon A] .
De feiten
3.2.
In het kopje van grief 1 heeft [appellant] vermeld dat er correcties moeten worden gemaakt op de feiten. [appellant] heeft in zijn toelichting op de grief echter slechts vermeld dat de rechtbank bij het procesverloop heeft verzuimd melding te maken van een aanvulling op het proces-verbaal. Om die reden ziet het hof niet in wat er onjuist is aan het feitenoverzicht in het bestreden vonnis. Het hof zal niettemin zelf een overzicht geven van de feiten.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.1.
[geïntimeerde] is weduwe van [persoon A] (hierna: [persoon A] ). Zij waren in gemeenschap van goederen gehuwd. [persoon A] was ondernemer in de bloemensector. Eind 2007 heeft hij zijn onderneming, met op dat moment circa 700 medewerkers, verkocht. [persoon A] heeft in 2006, 2007 en 2008 privé en door middel van een vennootschap meermaals percelen landbouwgrond gekocht als belegging.
3.2.2.
[persoon A] heeft op 21 augustus 2006 een koopovereenkomst gesloten met [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] ) ter zake een perceel landbouwgrond in [plaats A] , [gemeente A] . Het ging bij deze transactie (hierna transactie B-C) om een perceel van 15.000 m2 (voorafgaand aan levering gesplitst in meerdere kavels) met een koopprijs van € 225.000,- dus € 15,- per m2. In de koopovereenkomst ter zake transactie B-C is vermeld dat koper (dus [persoon A] ) kennis heeft genomen van de brochure en informatie welke behoort bij het door hem gekochte.
3.2.3.
[bedrijf A] had dit perceel op 10 februari 2006 geleverd gekregen als onderdeel van een groter perceel, waarop ook opstallen stonden. Bij deze transactie (hierna: transactie A-B) bedroeg de koopprijs € 7,71 per m2.
3.2.4.
[appellant] was notaris te [plaats B] . [appellant] heeft de leveringsakte ter zake transactie A-B gepasseerd. In de koopovereenkomst ter zake transactie B-C was vermeld dat de overdracht zou plaatsvinden ten overstaan van het kantoor van notaris [appellant] (hetgeen ook is gebeurd, zie hierna).
3.2.5.
Bij brief van 29 augustus 2006 heeft [appellant] aan [persoon A] de ontvangst van de koopovereenkomst bevestigd en hem daarbij het ontwerp van de akte van levering en een (concept)volmacht gestuurd. Aan het slot van de brief heeft [appellant] geschreven:
“Mochten er onjuistheden staan in de ontwerp akte, dan verzoek ik u vriendelijk deze tijdig voor het tekenen van de akte, aan de behandelaar, mevrouw (…) door te geven (…).”
Op 14 september 2006 heeft [appellant] aan [persoon A] de nota van afrekening voor de levering van genoemd perceel gezonden. Deze nota vermeldt een bedrag van € 475,- aan notariële kosten.
3.2.6.
Zowel [bedrijf A] als [persoon A] hebben medewerkers van [appellant] gevolmachtigd om hen bij het passeren van de leveringsakte te vertegenwoordigen. In de leveringsakte van 26 september 2006 is (onder andere) het volgende vermeld:
“[dat het perceel, hof] door koper [is] te gebruiken als landbouwgrond.
(…)
De comparante sub 1 verklaart namens verkoper geen enkel uitsluitsel te (kunnen) geven omtrent een (eventuele) toekomstige bestemmingswijziging van het verkochte.
(…)
4. Het verkochte wordt aanvaard in de feitelijke staat waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond vrij van huur en/of ander gebruiksrecht, met betrekking tot beheer en onderhoud is aan een plaatselijke agrariër het gebruik toebedeeld voor het kalenderjaar tweeduizend zes.
(…)
Na een toelichting en zakelijke weergave van de inhoud van deze akte aan de comparanten verklaarden zij zich bewust te zijn van de inhoud en de strekking daarvan, tijdig voor het ondertekenen van deze akte een ontwerp te hebben ontvangen, in te stemmen met de inhoud en derhalve op volledige voorlezing geen prijs meer te stellen.”
Na het passeren van de leveringsakte heeft [appellant] het eigendomsbewijs van het perceel toegestuurd aan [persoon A] .
3.2.7.
[appellant] is op 1 april 2011 gedefungeerd. Hij heeft zijn notariskantoor toen gesloten en het protocol is overgedragen aan een notaris werkzaam bij een ander notariskantoor.
3.2.8.
[persoon A] is overleden op 16 augustus 2017. Zoals hiervoor al is vermeld (zie 3.2.1) waren [persoon A] en [geïntimeerde] in gemeenschap van goederen gehuwd. [geïntimeerde] en hun twee zonen zijn de erfgenamen van [persoon A] .
3.2.9.
[geïntimeerde] heeft op 13 april 2023 het perceel landbouwgrond voor € 100.000,- verkocht aan [bedrijf B] Het perceel landbouwgrond is op 15 december 2023 geleverd.
De vorderingen
3.3.1.
[geïntimeerde] heeft samen met enkele andere eisers (niet zijnde de zonen van [persoon A] ) een procedure tegen [appellant] bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Zij hebben allemaal aangevoerd (samengevat weergegeven) dat zij percelen landbouwgrond hebben gekocht als investering, in de verwachting dat de bestemming op den duur zou worden gewijzigd, maar de percelen zijn niets waard en de levering (zowel A-B als B-C) heeft steeds plaatsgevonden ten overstaan van [appellant] die volgens hen zijn zorgplicht als notaris jegens hen heeft verzaakt.
Deze eisers hebben allemaal dezelfde vorderingen ingesteld.
Die vorderingen zijn (samengevat weergegeven) dat de rechtbank:
- voor recht verklaart dat [appellant] bij de levering zijn zorgplicht heeft geschonden jegens de kopers en dat [appellant] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden mocht worden verwacht en dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade die eisers als gevolg daarvan hebben geleden;
- [appellant] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding als gevolg van de schending van [appellant] ’ zorgplicht, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- de overeenkomsten tussen [appellant] enerzijds en de eisers anderzijds ontbindt en [appellant] veroordeelt tot terugbetaling aan eisers hetgeen zij in het kader van de transacties aan [appellant] hebben betaald, te vermeerderen met wettelijke rente;
- [appellant] veroordeelt in de proceskosten.
3.3.2.
De rechtbank heeft de vordering jegens [geïntimeerde] grotendeels toegewezen.
De rechtbank heeft:
- de gevorderde verklaring voor recht gegeven;
- de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure;
- de overeenkomst tussen [appellant] en [persoon A] ontbonden, maar de vordering tot terugbetaling van het aan [appellant] betaalde honorarium afgewezen;
- [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
3.3.3.
[appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd dat het hof het vonnis vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst. Verder wil hij dat het hof [geïntimeerde] veroordeelt om aan hem terug te betalen hetgeen hij ter uitvoering van het vonnis aan haar heeft voldaan en haar veroordeling in de proceskosten.
3.3.4.
[geïntimeerde] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis en tot veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep. Tijdens de mondelinge behandeling is dat (desgevraagd) genuanceerd. Volgens [geïntimeerde] moet het hof het vonnis bekrachtigen, met uitzondering van de afgewezen vordering tot terugbetaling van het aan [appellant] betaalde honorarium. Het hof moet die vordering alsnog toewijzen.
Ontvankelijkheid van [geïntimeerde] in haar vorderingen
3.4.1.
Volgens [appellant] moet [geïntimeerde] niet ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen, omdat onduidelijk is in welke hoedanigheid zij procedeert. Het hof wil hierover eerst nadere inlichtingen ontvangen van [geïntimeerde] . Daartoe overweegt het hof het volgende.
3.4.2.
[geïntimeerde] is de erfgename van [persoon A] . Wat precies de situatie is met betrekking tot de nalatenschap, is niet duidelijk. Daarover heeft [geïntimeerde] geen informatie verstrekt. Wel staat vast dat niet alleen [geïntimeerde] , maar ook de zonen van [persoon A] en [geïntimeerde] , erfgenamen zijn en dat er aan [geïntimeerde] is gelegateerd.
3.4.3.
Het standpunt van [appellant] is dat een (eventuele) vordering van [persoon A] op hem in de nalatenschap is gevallen, waartoe zowel [geïntimeerde] als de zonen als erfgenamen gerechtigd zijn en dat die gemeenschap (althans op dat onderdeel nog) niet is verdeeld. Wanneer dat zo is, dan leidt dat naar het oordeel van het hof tot het volgende.
3.4.4.
Uitgaande van een onverdeelde gemeenschap voor wat betreft de (vermeende) vordering op [appellant] , betreft dat een vordering van de gemeenschap op een derde. Uit artikel 3:171 BW (eerste volzin) volgt dat iedere deelgenoot, dus ook [geïntimeerde] , bevoegd is tot het instellen van een rechtsvordering ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Die bepaling biedt een deelgenoot de mogelijkheid om op eigen naam een rechtsvordering in te stellen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, maar dan zal de deelgenoot wel kenbaar moeten maken dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zo veel mogelijk met name genoemde deelgenoten optreedt (zie HR 18 september 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA7043).
3.4.5.
[geïntimeerde] heeft dat niet gedaan. Uit de inleidende dagvaarding blijkt op geen enkele wijze dat [geïntimeerde] is opgetreden ten behoeve van de gemeenschap / de deelgenoten.
3.4.6.
Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is nog verklaard dat ‘de zonen opdracht hebben gegeven aan hun moeder om haar vordering in rechte in te stellen’, maar hoe dat precies is bedoeld is niet verduidelijkt. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] een overeenkomst tot lastgeving overgelegd, waarin wordt vermeld dat de zonen [geïntimeerde] opdracht hebben gegeven schade te verhalen op [appellant] .
Voor zover [geïntimeerde] heeft bedoeld hiermee te proberen niet alleen voor zichzelf maar ook ten behoeve van de deelgenoten op te treden als partij in deze procedure, komt dat neer op een verandering in de persoon van de eisende partij. Dat is niet geoorloofd. Volgens vaste rechtspraak is uitgangspunt dat een procespartij niet in de loop van de procedure in een andere hoedanigheid kan gaan optreden dan die waarin zij haar vordering in eerste aanleg heeft ingesteld (HR 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498, HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435).
3.4.7.
Hoewel tijdens de mondelinge behandeling bij het hof desgevraagd namens [geïntimeerde] is verklaard dat de (vermeende) vordering op de notaris niet betrokken is geweest in een verdeling van de nalatenschap, wil het hof daar thans, gelet op de verstrekkende gevolgen, niet zonder meer vanuit gaan. Het hof zal [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen om eerst nader toe te lichten wat de erfrechtelijke situatie was (op het moment van betekening van de inleidende dagvaarding) en wat de gevolgen daarvan zijn voor de (vermeende) vordering op [appellant] (voorzien van documentatie). Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen daarop te reageren.
De verdere gang van zaken
3.5.1.
Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor een akte uitlating aan de zijde van [geïntimeerde] , uitsluitend om de informatie te verstrekken zoals vermeld in 3.4.7. [appellant] zal daarop bij antwoordakte mogen reageren.
3.5.2.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
4. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
verwijst de zaak naar de rol van 6 mei 2025 voor een akte uitlating aan de zijde van [geïntimeerde] met het in 3.4.7 bedoelde doel, waarna [appellant] een antwoordakte mag nemen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, Z.D. van Heesen-Laclé en H.F.P. van Gastel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 april 2025.
griffier rolraadsheer