Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.5.1:5.5.1 Resumé
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.5.1
5.5.1 Resumé
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946126:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 2 is vastgesteld dat het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht bestaat uit een viertal aspecten: de verticale relatie tussen de betrokken partijen, het algemeen belang dat de sanctionering dient, de aard van de strafoplegging en de normering van het overheidshandelen. Dit leidt tot de vraag of en in hoeverre de rechtsfiguur van het klachtdelict een (on)wenselijke doorkruising van dit publiekrechtelijke karakter van het strafrecht oplevert. Enerzijds staat bij klachtdelicten immers het private belang van het slachtoffer centraal en wordt het initiatief om te kunnen komen tot vervolging bij klachtdelicten verschoven naar een private partij, terwijl anderzijds het algemeen belang van de maatschappij bij sanctionering en een verticale relatie tussen de daarbij betrokken partijen centrale onderdelen zijn van het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht.
Deze (valse) tegenstelling is echter gegrond op een tweetal misvattingen. De eerste misvatting is dat de centrale rol voor het private belang bij klachtdelicten ertoe zou leiden dat publieke belangen geen wezenlijke rol spelen bij (de vervolging van) dat type delicten. Minister Modderman wees er immers op dat het voorrang verlenen aan de belangen van het slachtoffer bij klachtdelicten mede geschiedt in het publieke belang. 1Daarnaast stellen zowel de wetgever als het openbaar ministerie – respectievelijk via een abstracte en concrete beoordeling – vast dat een algemeen belang bestaat bij de vervolging van een klachtdelict alvorens daartoe wordt overgegaan. De duiding als klachtdelict laat namelijk onverlet dat de wetgever de strafbaar te stellen gedraging strafwaardig acht en het in het algemeen belang acht dat dit soort feiten wordt vervolgd. Het verlenen van voorrang aan een privaat belang doet dus geen afbreuk aan het publieke belang dat in beginsel is gemoeid met de vervolging van dat feit. Dit komt ook tot uiting in de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie die slechts dan tot vervolging overgaat indien de vervolging op grond van het algemeen belang opportuun wordt geacht.
De tweede misvatting is dat bij klachtdelicten de klachtgerechtigde direct tegenover de verdachte zou worden geplaatst door het initiatief tot vervolging bij de klachtgerechtigde neer te leggen. In hoofdstuk 4 is reeds inzichtelijk gemaakt dat bij klachtdelicten een driehoeksverhouding centraal staat tussen de verdachte, het openbaar ministerie en het slachtoffer. De verdachte en de klachtgerechtigde staan slechts indirect tegenover elkaar doordat zij beiden in rechtsbetrekking staan tot het openbaar ministerie dat verantwoordelijk blijft voor de vervolging. Dat een private partij het initiatief moet nemen alvorens kan worden vervolgd, maakt in deze constellatie geenszins dat sprake zou zijn van een zaak tussen twee gelijkwaardige partijen die privaatrechtelijk kan worden genormeerd. Dat ligt ook niet voor de hand nu het klachtvereiste bij absolute klachtdelicten niet is ingegeven door de relatie tussen die partijen, maar ziet op specifieke belangen van de getroffene die kunnen worden geraakt door een vervolging. De positie van het openbaar ministerie is binnen de rechtsfiguur van het klachtvereiste dan ook wezenlijk en onmisbaar. Niet in de laatste plaats, omdat het openbaar ministerie als vervolgende instantie zeker stelt dat – na ontvangst van een klacht – uitsluitend op grond van het algemeen belang wordt vervolgd.
In paragraaf 2 is dan ook geconcludeerd dat de rechtsfiguur van het klachtdelict niet conflicteert met de vier facetten van het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. Ook dit type delict wordt met het oog op het algemeen belang met straf bedreigd door de wetgever en wordt slechts in het algemeen belang vervolgd door het openbaar ministerie. Dat (het belang van) het getroffen individu in de weg kan staan aan vervolging maakt dat niet anders. De wetgever voorziet ten aanzien van specifieke delicten slechts in een strakkere normering van het overheidshandelen ten faveure van het private belang dat een getroffene kan hebben bij het achterwege blijven van de vervolging. De wetgever acht het gedrag ook in dat geval laakbaar en vervolgingswaardig, maar hecht meer gewicht aan het voorkomen van secundaire victimisatie van de door het feit primair getroffene. Het toebedelen van dit vetorecht aan een klachtgerechtigde doet geen afbreuk aan het publiekrechtelijke karakter van de vervolging, maar moet juist worden begrepen als een nadere wettelijke normering van de publiekrechtelijke taak van rechtshandhaving die aan het openbaar ministerie is toebedeeld. Diverse auteurs onderschrijven dat juist in die normering van de overheidsmacht het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht tot uitdrukking komt. 2De rechtsfiguur van het klachtdelict is daarmee geen anomalie binnen de strafrechtspleging.
In paragraaf 3 is nader onderzocht hoe het klachtvereiste zich verhoudt tot het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie mede in het licht van de aan het vervolgingsmonopolie ten grondslag liggende argumenten. In dit verband is eerst vastgesteld dat van een daadwerkelijk vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie geen sprake is. De Nederlandse strafrechtspleging kent inmiddels diverse uitzonderingen op het uitgangspunt dat het openbaar ministerie voor vervolging zorgdraagt. Daarbij is een tweetal belangrijke kanttekeningen geplaatst. Ten eerste laten die uitzonderingen op het vervolgingsmonopolie onverlet dat bij uitoefening van het vervolgingsrecht in de Nederlandse strafrechtspleging het algemeen belang steeds leidend behoort te zijn en dat de uitoefening van strafmacht in Nederland niet rechtstreeks kan worden geïnitieerd door particulieren. Daarin onderscheidt het Nederlandse strafrechtelijke systeem zich van onder meer de Franse en Duitse wetgeving. Een tweede kanttekening is dat ten aanzien van klachtdelicten nog steeds sprake is van een vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie. De uitzonderingen op het vervolgingsmonopolie laten de centrale positie van het openbaar ministerie ter zake klachtdelicten immers ongemoeid. Bij dit type delicten blijft het aan het openbaar ministerie om van staatswege en op grond van het algemeen belang zorg te dragen voor de vervolging.
Dit leidt tot de vraag hoe het vervolgingsmonopolie en de daarvoor redengevende argumenten zich verhouden tot de omstandigheid dat een privaat persoon het initiatief moet nemen wil het openbaar ministerie bepaalde strafbare feiten kunnen vervolgen. Met het oog op de beantwoording van die vraag is onderscheid gemaakt tussen rechtsregels die raken aan de beslissing over het instellen van de vervolging en rechtsregels die zien op de bevoegdheid tot het uitvoeren van de vervolging. Uitsluitend die laatste categorie van rechtsregels kan het vervolgingsmonopolie beperken. De rechtsfiguur van de klacht maakt echter niet dat een andere partij kan zorgdragen voor de vervolging, maar voorziet slechts in een nadere normering van de bevoegdheid van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan. Een klacht brengt het openbaar ministerie in de positie dat het kan vervolgen eerst nadat de klachtgerechtigde door middel van een klacht daartoe de mogelijkheid biedt. De rechtsfiguur van het klachtvereiste behelst daarmee – net zoals bijvoorbeeld art. 80 AWR – geen uitzondering op het vervolgingsmonopolie, maar werpt een extra drempel op alvorens het openbaar ministerie het vervolgingsrecht kan uitoefenen. Deze inkadering van de vervolgingsbevoegdheid moet worden geduid als een nadere invulling van de – in art. 124 Wet RO verankerde – programmatische taakstelling van het openbaar ministerie om de rechtsorde te handhaven. Het is de wetgever die verantwoordelijk is voor het wettelijke kader aan de hand waarvan het openbaar ministerie in rechtshandhaving moet voorzien en specifiek bij klachtdelicten ziet de wetgever aanleiding om het belang van het getroffen individu voorop te stellen. Het klachtvereiste laat daarbij onverlet dat het openbaar ministerie zorgdraagt voor de vervolging en dat bij de beslissing om over te gaan tot vervolging het algemeen belang centraal staat. Dit leidt tot de conclusie dat het klachtvereiste zich thans goed verhoudt tot het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie en de daaraan ten grondslag liggende argumenten.
In paragraaf 3 is tot slot vastgesteld dat de toenemende aandacht voor de positie van het slachtoffer in het strafproces gevolgen zou kunnen gaan hebben voor de wijze waarop het klachtvereiste zich verhoudt tot het vervolgingsmonopolie. Indien de klacht van een slachtoffer op enig moment richtinggevende sturing zou gaan geven aan de opportuniteit van een vervolging – en het openbaar ministerie zich na ontvangst van een klacht zou gaan beperken tot een toets van de haalbaarheid van de vervolging – dan ondergraaft dit de fundamentele argumenten die aan het vervolgingsmonopolie ten grondslag liggen. Het vervolgingsmonopolie is immers gestoeld op de idee dat het niet aan individueel betrokkenen moet worden gelaten om strafmacht te initiëren en dat bij het instellen van strafvervolging steeds het algemeen belang en niet private belangen leidend behoren te zijn.
In paragraaf 4 is afsluitend onderzocht hoe de regeling van klachtdelicten zich verhoudt tot het opportuniteitsbeginsel. Daarbij is vastgesteld dat (de waardering van) het algemeen belang en het private belang van het slachtoffer een rol spelen bij zowel het aanwijzen van klachtdelicten door de wetgever als bij de beoordeling van de opportuniteit van een concrete vervolging door het openbaar ministerie. De beoordeling van de wetgever en het openbaar ministerie is echter anders van aard. De wetgever oriënteert zich op een abstract algemeen belang dat redengevend is voor een strafbaarstelling en zet dit af tegen private belangen die te zeer kunnen worden getroffen bij de vervolging van het strafbaar te stellen gedrag. Die afweging kan ertoe leiden dat de wetgever een strafbaar feit als klachtdelict aanmerkt. Het opportuniteitsbeginsel brengt daarentegen met zich dat het openbaar ministerie bij de beantwoording van de vraag of de vervolging van een strafbaar feit is aangewezen oog moet hebben voor alle concreet betrokken (deel)belangen. De waardering van die (deel)belangen leidt tot de vaststelling van een algemeen belang dat richtinggevend is voor de opportuniteit van de vervolging.
Daarop volgt de vraag of het klachtvereiste doorwerkt in de wijze waarop het openbaar ministerie de opportuniteit van de vervolging bij klachtdelicten beoordeelt. Bij het ontbreken van een klacht is dat zonder meer niet het geval, omdat een niet-vervuld klachtvereiste maakt dat het openbaar ministerie niet toekomt aan een beoordeling van de opportuniteit van de vervolging. Ook in het geval dat een klachtgerechtigde wel een klacht indient, legt die klacht geen bijzonder gewicht in de schaal bij de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging. De wetgever verleent uitsluitend voorrang aan het belang dat het slachtoffer kan hebben bij het achterwege blijven van de vervolging. Dat individu wordt de gelegenheid geboden om een vervolging te voorkomen, maar uit de wetsgeschiedenis volgt niet dat de wetgever de klachtgerechtigde een verderstrekkende invloed op de vervolgingsbeslissing heeft willen toekennen. Dit betekent dat de wens van een klachtgerechtigde slechts eenzijdig richtinggevend is voor de vervolging. In dit licht is het idee dat het openbaar ministerie zich na een klacht beperkt tot een toets van de haalbaarheid van de vervolging – een idee dat zowel in paragraaf 3 als 4 aan bod kwam – niet in lijn met de overwegingen die de wetgever ten grondslag heeft gelegd aan het klachtvereiste. Het opportuniteitsbeginsel werkt dus in volle omvang na de ontvangst van een klacht en die klacht verplicht het openbaar ministerie tot niets. Opmerking verdient evenwel dat aan de aard van klachtdelicten inherent is dat bij dit type delicten veelal een bijzonder privaat belang op de voorgrond treedt. Dat private belang kan de opportuniteitsoverwegingen van het openbaar ministerie wel degelijk (significant) beïnvloeden. Niet zozeer omdat de klacht daartoe verplicht. Het is een gevolg van de belangenwaardering waartoe het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel is gehouden. Diezelfde private belangen kunnen ook bij reguliere delicten zonder klachtvereiste redengevend zijn voor vervolging.