Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.10.4
1.10.4 Argumenten voor het aannemen van een nieuw eigendomsrecht
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644826:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Windscheid I (1891), p. 571, voetnoot 13. Zie ook: Van der Ven, GrOM/2004, p. 102-103.
Demelius (1872), p. 121.
D. 6, 1, 23, 5 (Paulus): “(…) nam si statuae meae bracchium alienae statuae addideris, non posse dici bracchium tuum esse, quia tota statua uno spiritu continetur.” De vertaling wijkt hier af van de vertaling van Spruit c.s. Deze luidt: “(…) als u de arm van het standbeeld van een ander [cursivering JCTF] aan mijn standbeeld hebt bevestigd (…)”. Zie over „uno spiritu“ D. 41, 3, 30, pr. (Pomponius).
Brinz (1873), p. 555 en 556.
Demelius (1872), p. 111: “Hier ist uns denn wörtlich gesagt warum der angefügte Arm nicht vindicirt werden kann, warum vielmehr erst ad exhibendum geklagt werden muss, ut separetur et tunc vindicetur. Deswegen nämlich, weil er seinem früheren Eigenthümer nach geschehener Anfügung gar nicht mehr gehört. Niemand kann zweifeln, dass das ’non posse dici bracchium tuum esse‘ einerseits identisch ist mit ‘te vindicare non posse‘ – andrerseits auch die Nichtexistenz von Eigenthum bezeichnet.”
Zie hierboven en D. 6, 1, 23, 5.
Gesteld dat het eigendomsrecht van de nagetrokken zaak definitief teniet was gegaan, zoals Brinz (en ook Demelius) beweerden, dan is het de vraag – aldus Windscheid – waar dan dat nieuwe eigendomsrecht vandaan kwam, nadat de natrekking door de afscheiding ongedaan was gemaakt.1 Was de feitelijke handeling van het afscheiden van een bestanddeel wellicht een wijze van eigendomsverkrijging?
Demelius beargumenteerde stap voor stap op welke grond iemand het eigendomsrecht verkreeg. Allereerst stelde hij dat de eigenaar van de hoofdzaak nooit eigenaar van het afgescheiden onderdeel was geworden. Dat bestanddeel had na de afscheiding niet de identiteit van de hoofdzaak waarvan zij was afgescheiden, maar had de identiteit van de zaak vóór de verbinding. De diamant uit het hierboven vermelde voorbeeld was na de afscheiding van de ring geen nieuwe zaak. Bewerkstelligde een ander dan de oorspronkelijke eigenaar de afscheiding, dan kon die ander geen eigenaar worden op basis van zaaksvorming (specificatio). Als bijvoorbeeld iemand de ring gestolen had, dan werd de dief geen eigenaar van de diamant door zaaksvorming, wanneer hij het juweel had afgescheiden van de ring. Van zaaksvorming was immers geen sprake, want de diamant had nog steeds dezelfde identiteit. Daarom werd volgens Demelius degene die vóór de verbinding eigenaar was van de zaak, opnieuw eigenaar van het afgescheiden bestanddeel.
“Vom natürlich-stofflichen Gesichtspuncte aus wäre die Sache durch die Verbindung gar nicht aus dem alten Eigenthume herausgekommen. Vom begrifflich-juristischen Standpuncte stellt sich die Entscheidung für die Zeit der dauernden Verbindung anders. Für die Zeit nach der Trennung führen beiden Gesichtspuncte zu demselben Resultate, nämlich zum Züruckfallen der Sache an dem prior dominus. ”2
Volgens Demelius ontstond een nieuw eigendomsrecht ten faveure van de oorspronkelijke eigenaar, omdat de zaak dezelfde identiteit had als vóór de verbinding. Is dat echter een geldige reden?
Zowel Brinz als Demelius zag in het laatste deel van de tekst van Paulus in D, 6, 1, 23, 5 een tweede bewijs dat het eigendomsrecht definitief teniet was gegaan. In die tekst stond, zoals we hebben gezien:
“(…) als u de arm van een ander standbeeld aan mijn standbeeld hebt bevestigd, kan immers niet worden gesteld dat die arm aan u toebehoort, aangezien het gehele standbeeld door één creatieve gedachte bijeen gehouden wordt.”3
Demelius en ook Brinz4 zagen in het tekstdeel “als u de arm van een ander standbeeld aan mijn standbeeld hebt bevestigd, kan immers niet worden gesteld dat die arm aan u toebehoort” een bewijs, dat het eigendomsrecht door de verbinding teniet was gegaan en niet in een slapende toestand voortduurde.5 Dit is natuurlijk in zoverre waar wanneer de arm aan het standbeeld was gelast, zoals de tekst eerder vermeldde.6 Was deze echter gesoldeerd aan het standbeeld, dan bleef de vraag gerechtvaardigd of er sprake was van een “slapend” eigendomsrecht.