Pandrecht op aandelen
Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.8:3.8 Slotbeschouwingen
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.8
3.8 Slotbeschouwingen
Documentgegevens:
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706242:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Orban 2017, p. 576; Verburgt 2014, §1; Veerbeek 2003, p. 31; Winter 1992, p. 45.
Vgl. Visser 2004, p. 231 e.v. die evenzeer kritisch is over de onduidelijkheden die de wetgever heeft gelaten over de zeggenschapspositie van de pandhouder en vruchtgebruiker.
Vgl. Jansen & Van der Velden 2013, p. 450-453 over de betrokkenheid van een bank bij de (vrijwillige) benoeming van een chief restructuring officer.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Codificatie werd vernieuwing
141. Sinds 1976 regelt de wet wanneer de pandhouder een eigen stemrecht heeft en in welke gevallen hij certificaathoudersrechten heeft. Dat is mijns inziens een van de belangrijkste rechtsontwikkelingen op het gebied van het pandrecht op aandelen geweest. Daarvoor was de gedachte dat stemrecht onlosmakelijk was verbonden met de aandeelhouder, en werd uit algemene rechtsbeginselen afgeleid dat de aandeelhoudersrechten, zoals het stemrecht, na de verpanding achterbleven bij de pandgever. Door de ‘codificatie’ kan tegenwoordig het stemrecht worden ‘losgemaakt’ van de aandeelhouder en als een eigen recht aan een ander worden toebedeeld. Het uitgangspunt is daarmee geworden dat het stemrecht aan de pandhouder kan worden toebedeeld, en dat de pandhouder soms ook eigen zeggenschapsrechten verkrijgt die bestaan naast de zeggenschapsrechten van de pandgever.
- Zeggenschap heeft invloed op de zekerheidswaarde van het pandrecht
142. Bezien vanuit een pandhouder draagt zeggenschap binnen de vennootschap bij aan de zekerheid die hij aan het pandrecht kan ontlenen. Bij aandelen is de zekerheidswaarde namelijk in belangrijke mate afhankelijk van omstandigheden waarop de pandhouder in beginsel slechts een beperkte grip heeft. Vennootschappelijke besluitvorming met een negatieve impact op de waarde van de aandelen werkt namelijk direct door in de ruimte die een pandhouder heeft voor verhaal van de gesecureerde vordering. Tegen die achtergrond kan de verkrijging van (eigen) zeggenschapsrechten voor een pandhouder nuttig zijn. Zeggenschapsrechten maken een oncomfortabel pandrecht – zoals het pandrecht op aandelen weleens door praktijkjuristen wordt gekarakteriseerd – iets comfortabeler. Het kan de pandhouder helpen om zijn positie als zekerheidsgerechtigde te beschermen tegen de uitholling van zijn onderpand. Daarnaast kan het hem helpen de aandelen voor te bereiden voor de uitwinning.
- Nieuw evenwicht tussen pandgever, pandhouder en vennootschap
143. Tegenwoordig is het in de praktijk niet uitzonderlijk dat het stemrecht al bij de vestiging van het pandrecht voorwaardelijk overgaat op de pandhouder, waarbij als opschortende voorwaarden worden gekozen (i) dat sprake is van een opeisingsgrond en (ii) dat de pandhouder heeft medegedeeld het stemrecht te gaan uitoefenen.1 Hoewel aanvankelijk onzekerheid bestond of een dergelijke stemrechtovergang geldig was, heeft de wetgever in 2012 deze onzekerheid wat betreft bv-aandelen weggenomen. In de toekomst zal de wetgever mogelijk hetzelfde doen wat betreft nv-aandelen. Dit alles heeft geresulteerd in een nieuw evenwicht tussen de rechten van de pandgever en de pandhouder na aandelenverpanding. Dat een pandhouder, in afwijking van het uitgangspunt, het stemrecht al bij de vestiging voorwaardelijk op zich over laat gaan, is niet verwonderlijk. Zijn positie is zwakker dan de minister bij de invoering van de regeling voor ogen lijkt te hebben gehad.2 Wanneer partijen niets regelen, is de positie van de pandhouder namelijk op bepaalde belangrijke punten oncomfortabel.
- De directe zeggenschap van een pandhouder is betrekkelijk
144. De mate van zeggenschap die aan een pandhouder kan toekomen, moet ook weer niet worden overschat. De overgang van bijvoorbeeld het stemrecht aan een pandhouder doet namelijk niets af aan de bestaande bevoegdhedenverdeling tussen de organen van de vennootschap. Bestuursbevoegdheden blijven ook na stemrechtovergang toekomen aan het bestuur. Een pandhouder neemt door de overgang van het stemrecht niet plots hun plaats in. Bovendien is het bestuur, ook wanneer het is benoemd door de pandhouder, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden gehouden zich te richten naar het vennootschappelijk belang en dat van de met haar verbonden onderneming, voor zover daarvan sprake is (art. 2:129/239 lid 5 BW).3 Verder wordt de machtspositie van een pandhouder mogelijk beperkt door de rechten die een pandgever behoudt. Stemrechtovergang houdt namelijk niet automatisch in dat de pandgever nadien geen zeggenschapsrechten meer heeft. De pandgever blijft bijvoorbeeld vergadergerechtigd, waardoor zijn instemming nodig is voor besluitvorming buiten vergadering. Uit dit alles volgt dat zelfs als een pandhouder de zeggenschapsrechten toekomt van een meerderheidsbelang in een vennootschap, hij niet opeens een almachtige positie verkrijgt. Wel kan hij zijn belang flink kracht bij zetten. De vraag is daarbij steeds hoe ver hij mag gaan.
- Zeggenschapsuitoefening door een pandhouder is onzeker
145. De uitoefening van zeggenschapsrechten door een pandhouder wordt mijns inziens op dit moment gekenmerkt door de beperkte toelichting die de wetgever heeft gewijd aan de grenzen ervan. Uit de gepubliceerde rechtspraak op dit gebied is vooralsnog geen algemeen en consistent beeld af te leiden met betrekking tot de verhouding tussen de pandgever, de pandhouder en de vennootschap. Er zijn uitspraken die de pandhouder ruim baan geven bij stemrechtuitoefening rondom executie, en uitspraken waarin de pandhouder juist wordt beperkt. Ook in de literatuur lopen de meningen uiteen over de kwestie hoe ver een pandhouder mag gaan. Voor belanghebbenden leidt deze stand van zaken tot een relatief hoge mate van rechtsonzekerheid. Is de uitoefening van zeggenschapsrechten voorafgaand aan een executie voor een pandhouder juist aantrekkelijk met het oog op de bescherming van de onderpandwaarde, of moet hij daarover vervolgens nog lang na-procederen? Bezien vanuit andere schuldeisers, de pandgever en de vennootschap is het bepaald onprettig dat het lastig is om in te schatten of procederen tegen de pandhouder zin heeft. Hoewel een bepaalde mate van rechtsonzekerheid zal blijven bestaan, zou het met name rondom pandexecutie beter zijn als de grenzen duidelijker worden getrokken.