Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.2.4
2.2.4 De behandeling in de Tweede Kamer
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS464351:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie tekstnummer 9.
Belinfante 1929, p. 148.
Belinfante 1929, p. 148.
Belinfante 1929, p. 149.
Belinfante 1929, p. 90-91.
Belinfante 1929, p. 91-92. Met het schrappen van de art. 50c en 50d doet het uiteindelijke WvK mijns inziens een stap terug in de tijd. Dat ook Timmerman deze mening is toegedaan, blijkt uit zijn oproep (2000, p. 24-27) aan de wetgever om (alsnog) een afgeleide actie in ons vennootschapsrecht op te nemen. Zie voorts Kroeze 2004.
Belinfante 1929, p. 150-153.
Belinfante 1929, p. 153-156.
Belinfante 1929, p. 154-155.
‘Voor zover’ houdt in dat in de akte van oprichting een groter quorum dan het in art. 53 gewijzigd ontwerp genoemde één vijfde gedeelte kan worden gesteld: Belinfante 1929, p. 155.
12. Uit het voorgaande blijkt dat het wetsontwerp uit 1910 wat betreft de fundamenten zijn tijd ver vooruit is. Het ontwerp is de parlementaire behandeling echter niet ongeschonden doorgekomen. De vierde pijler wordt uiteindelijk grotendeels – met uitzondering van het enquêterecht, zo dit daartoe is te rekenen – verwijderd. De bovengenoemde beschermende bepalingen1 komen derhalve niet voor in de uiteindelijke wet. De minister is met de Commissie van Voorbereiding uit de Tweede Kamer van mening dat het wetsontwerp op dit punt te ver is doorgeschoten. Van een nieuwe regeling moet niet worden verwacht dat zij alle euvelen voorkomt: ‘Wie slechts oog heeft voor misbruiken en elken misstand tracht te bestrijden door de wet, komt bedrogen uit. Want in de eerste plaats kan een knellend wettelijk voorschrift vaak weer ontdoken worden door dengeen, die het kwade wil; en in de tweede plaats is het gevaar niet denkbeeldig, dat de aldus eenzijdig ontworpen regeling voor de goedwillende vennootschappen onbruikbaar is. Aldus treft men de naamlooze vennootschap in haar wezen.’2 Wat betreft ‘het wezen van de NV’: in de NV behoort de hoogste macht aan de AVA. Daaruit volgt, dat, indien die vergadering een ‘wettiglijk geoorloofd’ besluit heeft genomen, dit besluit ook de minderheid bindt. In plaats daarvan wil het ontwerp in een aantal gevallen ‘den rechter stellen op de plaats van de algemeene vergadering, door den rechter over de doelmatigheid van een besluit te laten oordeelen. Aldus wordt de beslissing over de belangen der vennootschap gelegd in handen van een buitenstaander. Den rechter wordt een taak opgelegd, welke met den aard van zijn ambt kwalijk strookt.’3
Over art. 50d merkt de minister nog op: wanneer de AVA, met volle kennis van zaken, een bestuurder van een verbintenis jegens de vennootschap ontslaat, behoort ook de minderheid zich daarbij neer te leggen. Ware het anders, dan zou door de wet aan de meerderheid de bevoegdheid ontnomen zijn om tegenover een bestuurder de houding aan te nemen, welke die meerderheid in het belang van de vennootschap acht. Terwijl men de minderheid wil beschermen uit vrees, dat zij door de AVA wordt overheerst, zou het gevolg zijn, dat de minderheid het gezag in handen houdt ten koste van de meerderheid.4 Deze overweging van de minister is weinig gelukkig. In de memorie van toelichting bij art. 50c uit het ontwerp van 1910 klinkt ook duidelijk de opvatting door dat de minderheid in beginsel wordt gebonden door de meerderheid. Het wordt echter onwenselijk geacht dat de vennootschap – en daarmee de aandeelhouders – het nadeel van wanbeheer door bestuurders blijft gevoelen. Dit speelt vooral in geval van ‘eene mogelijke beheersching der algemeene vergadering door den ontrouwen bestuurder zelven of door zijne vrienden en beschermers.’5 Aldus ook de toelichting op art. 50d: ‘Wanneer men bedenkt hoe vaak ter algemeene vergadering eene meerderheid te vinden is, bereid om het bestuur in alle opzichten te steunen en zijne tekortkomingen te bedekken met den mantel der liefde of van het eigenbelang, dan moet men voorzeker toestemmen, dat het recht des aandeelhouders om als preux chevalier der benadeelde vennootschap den bestuurder voor het gerecht te dagen, vooral na een goedkeurend votum der algemeen vergadering moet worden erkend.’6
13. De Commissie van Voorbereiding vraagt zich ook nog af of het wetsontwerp passend is voor alle NV’s.7 Veel leden zijn van mening dat verschillende bepalingen, ongetwijfeld zeer wenselijk voor een bepaald type NV’s, voor andere ondoelmatig moeten worden geoordeeld. Zij hebben de indruk gekregen dat de ontwerper vooral die NV’s voor ogen hebben gestaan die, economisch, zijn te beschouwen als zuivere kapitaalassociaties en die, ter verkrijging van hun aandelen- of obligatieënkapitaal, een beroep plegen te doen op de geldmarkt. De deelneming in deze NV’s gaat van hand tot hand. Zij draagt in de regel geen ander karakter dan van geldbelegging, althans de gedachte van vennootschappelijke samenwerking is daaraan vrijwel geheel vreemd. Wegens de vele aanrakingen van de NV met het publiek is bij haar goed beheer een algemeen belang betrokken. Voor deze vennootschappen kan men terecht scherpe bepalingen vaststellen ter bescherming van het publiek. Daarnaast bestaan echter vennootschappen van een geheel ander type, namelijk die waarin de deelnemers zelf een zekere rol spelen, meestal familievennootschappen. Deze personen zijn niet slechts te beschouwen als bezitters van aandelen bij wijze van geldbelegging, doch tevens als vennoten, die steeds voeling blijven houden met de medevennoot-bestuurder van de onderneming, lief en leed van de zaak van nabij volgen en op de gestie de invloed uitoefenen, welke in verband met de feitelijke omstandigheden hen bij de overeenkomst van oprichting is toegekend. Voor dit type vennootschappen bestaat volgens de commissie veel minder behoefte aan belangen beschermende bepalingen zoals voorgesteld. Dat beide typen vennootschappen zich tot dusverre naast elkaar hebben kunnen ontwikkelen, is een gevolg van de grote ruimte die de bestaande wet – het Wetboek van Koophandel van 1838 – laat. Het ontwerp uit 1910 heeft echter voor het grootste gedeelte een dwingendrechtelijk karakter, inclusief de belangen beschermende bepalingen. Dit gaat de commissie veel te ver. Is het niet verstandiger het tweede type NV’s – de familievennootschappen – in een andere ‘vereenigingsvorm’ te gieten?
14. De minister toont zich minder gevoelig voor deze kritiek.8 Hij erkent het bestaan van verschillende typen vennootschappen. De voornaamste trekken van beide typen zijn echter gemeenschappelijk. Voor schulden van de NV zijn de aandeelhouders nimmer aansprakelijk. Crediteuren zijn steeds aangewezen op de bezittingen van de vennootschap. Hieruit volgt reeds, dat die voorschriften, welke zijn gegeven in het belang van derden, voor alle NV’s moeten gelden. De minister doelt in het bijzonder op de verplichting tot openbaarmaking van de balans en de winst-en-verliesrekening. Ook de voorschriften die instandhouding van het vermogen beogen, dienen te gelden voor alle NV’s. Hetzelfde geldt voor de bepalingen die de verhouding van de bestuurders en commissarissen tot de vennootschap betreffen.
Het bovenstaande voert de minister tot de conclusie dat de familievennootschappen niet in een andere rechtsvorm gegoten behoeven te worden. Er is een andere, eenvoudiger oplossing. Het verschil beperkt zich – zo concludeert de minister – in hoofdzaak tot de onderlinge verhoudingen van de vennoten. Het gehele wetsontwerp behoeft ‘slechts’ op twee punten aanpassing, zodat het ook geschikt is voor de familievennootschap. Allereerst dient de mogelijkheid te worden geschapen voor aandeelhouders in een NV met uitsluitend aandelen op naam om buiten vergadering te besluiten. Voorwaarde is dat de akte van oprichting dit toestaat.9 De tweede aanpassing is van groter belang: voor aandeelhouders in een NV met uitsluitend aandelen op naam wordt het slechts mogelijk gemaakt een enquêteverzoek in te dienen, indien en voor zover10 de akte van oprichting dit toelaat (art. 54c gewijzigd ontwerp).