Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/2.5.1:2.5.1 Algemene definities van levensbeschouwing
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/2.5.1
2.5.1 Algemene definities van levensbeschouwing
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633834:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van Dale omschrijft levensbeschouwing als “beschouwing, opvatting omtrent het leven, zijn waarde en wezen, hoe het gevoerd moet worden” met als synoniem ‘levensvisie’. Religie, humanisme maar ook het marxisme worden daarin als een vorm van levensbeschouwing genoemd.
Van de Donk en Plum menen dat dit typisch Nederlandse woord een institutionele historie heeft en het in leven is geroepen om de uniciteit van de humanistische zuil te funderen. Het is een overkoepelende, neutrale term die duidt op het hebben van een levensvisie, en een onderverdeling kent in seculiere en religieuze subcategorieën.1 Levensbeschouwing is dan de genus en religie een species. Terwijl religie een verticaal (bovenmenselijk of kosmisch) aspect heeft, kan een levensbeschouwing ook volstrekt horizontaal van karakter zijn (zoals waarden en normen).
Levensbeschouwing kan volgens Smaling & Alma zowel een functionele als een substantiële betekenis hebben. Bij de functionele betekenis gaat het om de mogelijke functie, werking en gestalte van levensbeschouwing, terwijl de substantiële betekenis ingaat op de inhoud of het concept zelf en verschillende dimensies kent. Zij zien levensbeschouwing als “een bewust nadenken over het menselijk leven,” een reflectief-cognitieve gerichtheid op het leven, die antwoorden kan verschaffen op vragen naar de ultieme zin van het leven in het algemeen en het eigen bestaan in het bijzonder. Existentiële of levensbeschouwelijke zingeving is “het plaatsen van iets in een breder verband van betekenissen die ons menselijk bestaan betreffen.” Anders gezegd: Zingeving is “een persoonlijke verhouding tot de wereld waarin het eigen leven geplaatst wordt in een breder kader van samenhangende betekenissen waarbij doelgerichtheid, waardevolheid, verbondenheid en transcendentie worden beleefd, samen met competentie en erkenning, zodat ook gevoelens van gemotiveerd zijn en welbevinden worden ervaren.”2
Brümmer omschrijft levensbeschouwing als “het totale complex van normen, idealen en eschatologische verwachtingen in het licht waarvan iemand zijn levenshouding richt en beoordeelt.”3In de visie van Peters & Felling betreft levensbeschouwing ‘dat deel van het culturele normensysteem, dat antwoord geeft op vragen naar het ‘waarom’ (…) Het antwoord zoeken op waarom-vragen betekent ‘zin’ geven en door deze zingeving wordt de betreffende zaak gerechtvaardigd of gelegitimeerd.’ Kortom, levensbeschouwing is volgens hen ‘het complex van overtuigingen en houdingen, met behulp waarvan mensen aan hun bestaan betekenis verlenen. Het zijn de beginselen op basis waarvan mensen aan hun leven een laatste, allesomvattende zin (‘ultimate meaning’) geven’.4 Ook Goudsblom hanteert de term in brede overkoepelende zin, dus inclusief religieuze opvattingen: ‘ieder enigszins samenhangend, gearticuleerd, sociaal herkenbaar stel opvattingen over het menselijk leven en de zin ervan. Korter gezegd: levensbeschouwing is een leer van zijn en welzijn’.5 Van den Belt en Moret duiden het concept levensbeschouwing als “een aantal normatieve elementen, of liever een stelsel van waarden en normen, in het licht waarvan een individu zijn of haar gedrag bepaalt en beoordeelt”. Waarden zijn de goede doelen of idealen die mensen nastreven en willen realiseren. Normen zijn de regels waarin de waarden hun concrete weerslag vinden en die een leidraad vormen bij onder meer het oplossen van ethische dilemma’s.
Kenmerkend voor iedere levensbeschouwing zijn volgens Kinneging “de grootste, diepste, laatste vragen naar de zin en betekenis van het menselijk bestaan”. Hij ziet een onderscheid tussen levensbeschouwing, waarin de mens centraal staat, en wereldbeschouwing, waarin dat niet het geval is.6