Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/12.2.2
12.2.2 Holding- en kasgeldconstructies
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452947:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zie tevens het Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 (vraag H.4), waarin de staatssecretaris van Financiën tot dezelfde conclusie komt.
Zie onder meer HR 9 september 1992, BNB 1994/78, HR 19 januari 1994, BNB 1994/88 en HR 19 januari 1994, BNB 1994/91.
Zie onder meer HR 19 januari 1994, BNB 1994/88 en HR 19 januari 1994, BNB 1994/91.
Zie bijvoorbeeld de memorie van antwoord Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62b, blz. 2-3.
Al te scherp varende belastingplichtigen die eind 1996 nog het destijds geldende lagere 20%-ta-rief deelachtig wensten te worden voor 'besmette' kasgeldvennootschappen zijn door de staatssecretaris van Financien terugverwezen. Dit kon namelijk worden bewerkstelligd door nog in 1996 een (niet-gefacilieerde) aandelenruil uit te voeren, waarbij de aandelen in de 'besmette' kasgeldvennootschap werden ingebracht in een nieuw opgerichte holdingvennootschap, waarna na de inwerkingtreding van het nieuwe aanmerkelijkbelangregime de aandelen in de nieuwe holdingvennootschap zonder additionele heffing van inkomstenbelasting konden worden verkocht aan een bank of andere financiële instelling. Voor deze situaties bevat art. 70c, zesde lid, Wet IB een bijzonder reparatiemaatregel, die inhoudt dat de verkrijgingsprijs van de door de holdingvennootschap nieuw uitgereikte aandelen wordt verminderd met 20% van de in het kader van de inbreng in aanmerking genomen winst uit aanmerkelijk belang. Vervreemding van de aandelen in de nieuw opgerichte holdingvennootschap na inwerkingtreding van het nieuwe regime leidt dan tot een additionele heffing wegens winst uit aanmerkelijk belang, belast tegen het nieuwe 25%o-tarief. Ik meen overigens dat deze bijzondere antimisbruikbepaling van art. 70c, zesde lid. Wet IB door de specifieke technische vormgeving ervan eenvoudig had kunnen worden omzeild door op de eerste (niet-gefacilieerde) aandelenruil een tweede (niet-gefacilieerde) aandelenruil te laten volgen.
In dezelfde zin de staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag H.5).
Door de uniformering van het aanmerkelijkbelangtarief van 25% voor alle voordelen uit aanmerkelijkbelangaandelen - reguliere voordelen (dividenden) en vervreemdingsvoordelen - is de holding- en kasgeldjurisprudentie (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.3) voor aanmerkelijkbelanghouders niet langer relevant.1 In plaats van een ingewikkelde holding- of kasgeldconstructie kunnen onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime de winstreserves van de vennootschap eenvoudig worden gerealiseerd door dividend uit te keren of aandelen door de vennootschap te laten inkopen.
In zijn kasgeldjurisprudentie heeft de Hoge Raad beslist dat zgn. kasgeldvennootschappen nimmer tegen het destijds lagere aanmerkelijkbelangtarief konden worden vervreemd.2 De kasgeldclaim verliep niet na ommekomst van een aantal jaren, maar was in beginsel eeuwigdurend. Wel bleven na de afsplitsing in de 'besmette' kasgeldvennootschap nieuw aangegroeide winstreserves buiten de inkomstenuitvermogenheffing, tenzij deze winstreserves weer via een (tweede) holding- of kasgeldconstructie werden genoten.3 Als gevolg van de wijzigingen van het aanmerkelijkbelangregime per 1 januari 1997 kunnen echter ook onder het oude regime ontstane 'besmette' kasgeldvennootschappen tegen het nieuwe aanmerkelijkbelangtarief van 25% worden vervreemd. In zoverre heeft het nieuwe aanmerkelijkbelangregime voor op 1 januari 1997 bestaande 'besmette' kasgeldsituaties verlichting gebracht in de fiscale claim. In plaats van 45% bedraagt de fiscale claim sedert 1 januari 1997 slechts 25%. Dit is blijkens de parlementaire behandeling van het nieuwe aanmerkelijkbelangregime ook nadrukkelijk zo beoogd.4-5
Ten overvloede wijs ik erop dat op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad mijns inziens tot geen andere conclusie kan worden gekomen dan dat de holding- en kasgeldjurisprudentie in beginsel van toepassing is gebleven in situaties waarin geen sprake is van een aanmerkelijk belang.6 Overigens zal de toepassing van de holding- en kasgeldjurisprudentie in niet-aanmerkelijkbe-langsituaties veelal niet tot het voor de fiscus gewenste resultaat leiden, aangezien in dergelijke situaties veelal niet zal zijn voldaan aan het zgn. 'put'-criterium (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.3.2).