Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/Samenvatting:Samenvatting
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/Samenvatting
Samenvatting
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297992:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift is gewijd aan de in art. 6:181 geregelde kwalitatieve aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker. Het betreft een op 1 januari 1992 ingevoerde buitencontractuele aansprakelijkheid voor roerende zaken (art. 6:173), opstallen (art. 6:174) en dieren (art. 6:179), waaraan per 1 februari 1995 nog een regeling van aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (art. 6:175) is toegevoegd. Wanneer de voornoemde ‘bronnen van verhoogd gevaar’ schade toebrengen aan personen of zaken, dient volgens de wetgever voor benadeelden steeds vlot duidelijk te zijn op wie zij hun aanspraak tot schadevergoeding kunnen richten. Tegelijkertijd moet het volgens de wetgever voor (potentieel) aansprakelijken overzichtelijk zijn welke aansprakelijkheidsrisico’s zij lopen, zodat zij deze kunnen (in)calculeren en – desgewenst – verzekeren. Dit tweeledige doel blijkt binnen het stelsel van art. 6:173, 174, 175, 179 en 181 echter niet te zijn bereikt: nog altijd is vaak niet duidelijk wie het aansprakelijkheidsrisico loopt en bij wie benadeelden voor schadevergoeding terecht kunnen. Het is art. 6:181 dat bij de beantwoording van deze belangrijke ‘wie-vraag’ een essentiële rol vervult.
Art. 6:173 lid 1, 174 lid 1 en 179 bepalen dat wanneer een roerende zaak, opstal of dier schade veroorzaakt, de aansprakelijkheid daarvoor rust op de bezitter van deze ‘gevaarsobjecten’. Worden zij ‘gebruikt in de uitoefening van een bedrijf’, dan rust de aansprakelijkheid op degene die dit bedrijf uitoefent, zo stelt art. 6:181 lid 1. Lid 2 van art. 6:181 geeft nog een regeling voor de situatie van meerdere bedrijfsmatige gebruikers van de in art. 6:173, 174, 179 bedoelde zaken en dieren: worden zij in de uitoefening van een bedrijf gebruikt ‘door ze ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander’, dan is ‘die ander’ de uit hoofde van art. 6:181 lid 1 aansprakelijke. Art. 6:181 lid 3 zoekt hierbij aansluiting, door voor de in art. 6:175 bedoelde gevaarlijke stoffen een vergelijkbare regeling te geven.
Deze studie ziet op i) de achtergrond en strekking van art. 6:181, ii) de wetssystematische plaats die art. 6:181 in het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht inneemt en iii) de reikwijdte en toepassing van art. 6:181. De beantwoording van deze vragen is uitgewerkt in een negental hoofdstukken.
Hoofdstuk 1 bevat een (nadere) introductie van het onderwerp van deze studie en een schets van de opzet van het onderzoek. In het kader van dit onderzoek duid ik aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.2 BW aan als kwalitatieve aansprakelijkheid en aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.1 BW als foutaansprakelijkheid. Aansprakelijkheid op grond van de laatstgenoemde afdeling is namelijk steeds gefundeerd op een eigen ‘fout’ (toerekenbare onrechtmatige daad) van de aansprakelijke persoon. Afd. 6.3.2 BW koppelt de aansprakelijkheid niet aan een eigen ‘fout’ van de aansprakelijke persoon, maar wijst steeds iemand als aansprakelijke aan die vanwege zijn kwaliteit c.q. hoedanigheid in een bijzondere relatie staat tot de schadeveroorzakende persoon of zaak.
In hoofdstuk 2 is art. 6:181 vanuit een historisch perspectief beschouwd. Duidelijk werd dat het OBW (1838-1992) maar weinig kwalitatieve aansprakelijkheid kende: ook wanneer iemand aansprakelijk werd geacht voor schade veroorzaakt door andermans gedrag of een zaak, werd veelal – op al dan niet gekunstelde wijze – vastgehouden aan aansprakelijkheid gebaseerd op een eigen ‘fout’. Een voorloper van art. 6:181 kende het OBW niet. Als gevolg van de Industriële Revolutie in het midden van de 19e eeuw werd de samenleving complexer en gevaarlijker. Door ‘bedrijfsmatig’ gecreëerde risico’s nam het aantal ongevallen toe. Vanuit de gedachte van slachtofferbescherming ontstond steeds meer behoefte aan vormen van aansprakelijkheid waarbij het traditionele ‘fout-vereiste’ werd losgelaten. Dit leidde tot de invoering van een aantal ‘bijzondere’ aansprakelijkheden voor ‘gevaarlijke voorwerpen’. Inmiddels kenmerkt de huidige afd. 6.3.2 BW zich door een ruim palet aan kwalitatieve aansprakelijkheden. Art. 6:181 zelf werd, vergezeld van een summiere toelichting, pas laat in het wetgevingsproces van het (toen) NBW geïntroduceerd. Op het moment dat art. 6:181 in 1992 tot wet werd verheven, was deze aansprakelijkheid vanuit wetstechnisch oogpunt nog bepaald niet voldragen.
Om meer grip op de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker te krijgen, voorzien de hoofdstukken 3 t/m 5 in een wetssystematische plaatsbepaling van art. 6:181.
In hoofdstuk 3 is vooral onderzocht hoe de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker zich verhoudt tot die van de bezitter. Gebleken is dat binnen het stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 een gelijktijdige aansprakelijkheid voor dezelfde schade van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker is uitgesloten (cumulatie). De benadeelde kan tussen beiden evenmin een keuze naar eigen inzicht maken (alternativiteit). Art. 6:181 heeft exclusieve werking ten opzichte van de bezittersaansprakelijkheden uit art. 6:173, 174 en 179. De leden 2 en 3 van art. 6:181, die betrekking hebben op situaties van meerdere bedrijfsmatige gebruikers van de in art. 6:173, 174, 175 en 179 bedoelde zaken, stoffen en dieren, hebben eveneens exclusieve werking: de aansprakelijkheid rust steeds alleen op de ‘eindgebruiker’. Art. 6:181 heeft evenwel geen exclusieve werking ten opzichte van de aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162) en overeenkomst (art. 6:74). In dit hoofdstuk is ook aandacht besteed aan de verhouding tussen art. 6:181 en de door mij wel als ‘bijzondere’ personen aangeduide figuren die eveneens kwalitatief aansprakelijk kunnen zijn voor de door art. 6:173, 174, 175 en 179 bestreken zaken, stoffen en dieren, waaronder de weg-, leiding- en kabelbeheerder en de producent uit afd. 6.3.3 BW.
In hoofdstuk 4 is onderzoek gedaan naar de hiërarchie tussen de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker. In de rechtspraak en literatuur wordt de bezitter veelal als centrale figuur gezien, terwijl art. 6:181 wordt geacht op het beginsel of uitgangspunt van de bezittersaansprakelijkheid een uitzondering te maken. Mijn analyse van art. 6:181 toont een ander beeld: in het stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 staat de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker ‘voorop’, terwijl de bezitter fungeert als ‘vangnet’ bij gebreke van een dergelijke gebruiker. Niet de bezitter, maar de bedrijfsmatige gebruiker vormt derhalve het primaat. De door mij verdedigde hiërarchie tussen de bedrijfsmatige gebruiker en bezitter heeft een aantal gevolgen voor de rechtspraktijk. Zo kan in geval van toepasselijkheid van art. 6:181 de vraag naar het ‘achterliggende’ bezit blijven rusten, komt art. 6:181 een ruime uitleg toe en ligt bij twijfel over een aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker óf bezitter de toepassing van art. 6:181 voor de hand. De door mij verdedigde hiërarchie tussen de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker is eveneens van invloed op de geldende stelplicht en bewijslast voor wat betreft de kwalitatief aansprakelijke persoon.
In hoofdstuk 5 is getracht meer grip op de in art. 6:181 geregelde aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker van zaken, stoffen en dieren (‘hulpzaken’) te krijgen langs de band van de ‘gelijksoortige’ aansprakelijkheden voor hulppersonen van art. 6:170 (ondergeschikten) en 171 (zelfstandige hulppersonen). Art. 6:170 kent een ruime uitleg aan de hand van ‘zeggenschap’, terwijl art. 6:171 een restrictieve toepassing kent op basis van ‘eenheid’. Naar voren is gekomen dat vooral art. 6:170, en niet art. 6:171, als inspiratiebron kan worden gebruikt voor de toepassing van art. 6:181. Verdedigd is zodoende dat art. 6:181, geïnspireerd op art. 6:170, een ruime uitleg toekomt waarbij ‘zeggenschap’ een voorname rol vervult in de toepassing.
Aan de hand van de vanuit de hoofdstukken 2 t/m 5 verkregen inzichten, is in de hoofdstukken 6 t/m 8 het materiële toepassingsbereik van art. 6:181 onderzocht.
In hoofdstuk 6 is geconcludeerd dat onder het bedrijfsbegrip van art. 6:181 iedere professionele gebruiker van de in art. 6:173, 174, 175 en 179 bedoelde zaken, stoffen en dieren kan worden begrepen. Alleen de particuliere c.q. privésfeer blijft buiten de aansprakelijkheid van art. 6:181. Onder ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 vallen zodoende niet enkel ‘typische’ of ‘traditionele’ bedrijven, maar tevens het (vrije) beroep en de (klassieke) overheid, alsook andersoortige organisaties zoals ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, stichtingen, verenigingen en kerkgenootschappen die zich in het kader van hun activiteiten bedienen van de in art. 6:173, 174, 175 en 179 bedoelde zaken, stoffen en dieren.
Hoofdstuk 7 behandelt het gebruiksbegrip van art. 6:181. Verdedigd is dat dit begrip wordt ingevuld met zeggenschap: ‘gebruiker’ van de in art. 6:173, 174, 175 en 179 bedoelde zaken, stoffen en dieren is degene met (de grootste mate van) zeggenschap over het schadeveroorzakende element waartegen de betreffende kwalitatieve aansprakelijkheid beoogt te beschermen. De uitwerking hiervan leidt tot verschillende uitkomsten bij de te onderscheiden kwalitatieve aansprakelijkheden. Zo is voor ‘gebruik’ van een roerende zaak (art. 6:173) in beginsel een feitelijk handelen met die zaak vereist, terwijl voor ‘gebruik’ van een gevaarlijke stof (art. 6:175) of dier (art. 6:179) het enkele onder zich houden/ bewaren daarvan al voldoende kan zijn. Is de bemoeienis met de roerende zaak, stof of het dier ‘vluchtig’, dan kan de toepassing van art. 6:181 onder druk komen te staan. Als ‘gebruiker’ van een opstal (art. 6:174) heeft alleen degene te gelden van wie kan worden gezegd dat de (schade door de) gebrekkigheid van de opstal in voldoende verband staat met zijn bedrijfsuitoefening. In de praktijk zal regelmatig sprake zijn van een ‘eigen’ – in de zin van losstaand van de bedrijfsuitoefening – gebrek aan de opstal, waarvoor de eigenaar/bezitter van de opstal aansprakelijk behoort te zijn. Deze gedachtegang komt ook tot uitdrukking in de voor opstallen in art. 6:181 lid 1 opgenomen tenzij-clausule, die naar mijn idee zelfstandige betekenis mist: het beoogde resultaat wordt al bereikt aan de hand van het gebruiksbegrip van art. 6:181 lid 1. Zelfstandige betekenis missen ook de door art. 6:181 lid 2 en 3 bestreken gevallen van meerdere gebruikers: het door art. 6:181 lid 2 en 3 beoogde resultaat – aansprakelijk is alleen de ‘eindgebruiker’ – wordt al bereikt door respectievelijk art. 6:181 lid 1 (roerende zaken, opstallen en dieren) en art. 6:175 lid 1 en 2 (gevaarlijke stoffen). Via het gebruiksbegrip van art. 6:181 lid 1 laten zich ook de gevallen van het gebruik van zaken en dieren in concernverband oplossen. Evenzo gevallen van schade door zaken en dieren toebehorend aan ingeschakelde zelfstandige hulppersonen.
Hoofdstuk 8 handelt over het functioneel verband-vereiste (‘in de uitoefening van’) van art. 6:181. Geconcludeerd is dat dit vereiste nauwelijks praktische betekenis heeft. Door haar ruime uitleg zal het functioneel verband-vereiste van art. 6:181 in de praktijk maar zelden een punt van discussie opleveren, terwijl een vergelijkbare afbakening van de aansprakelijkheid in beginsel al ligt besloten in het gebruiks- en bedrijfsbegrip van art. 6:181. Het functioneel verband-vereiste van art. 6:181 zou niettemin in bepaalde grensgevallen een verhelderende rol kunnen vervullen. Vindt de afbakening (toch) plaats langs de band van het functioneel verband-vereiste dan kan die toetsing, voor zover passend bij art. 6:181, plaatsvinden aan de hand van aan het functioneel verband van art. 6:170 te ontlenen gezichtspunten.
In hoofdstuk 9 zijn de belangrijkste bevindingen van deze studie nog eens de revue gepasseerd. Daarbij is geconcludeerd dat de drie te onderscheiden kernbegrippen van art. 6:181 (‘gebruik’, ‘bedrijf’ en ‘in de uitoefening van’) nauw met elkaar samenhangen en ook overlap kunnen vertonen. Voor de praktische toepassing van art. 6:181 gaat het uiteindelijk steeds om de ‘totaaltoets’: of van een in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaak kan worden gezegd dat deze wordt ‘gebruikt in de uitoefening van een bedrijf’. De door mij verdedigde uitleg van art. 6:181 zal in de rechtspraktijk mogelijk worden ervaren als een verschuiving van bepaalde aansprakelijkheidsrisico’s: waar een aansprakelijkstelling op kwalitatieve grondslag voorheen in bepaalde gevallen geen kans van slagen werd toegedicht, is dit uitgaande van de door mij voorgestane toepassing van art. 6:181 wel het geval en vice versa. Bijzondere aandacht verdienen ook de stelplicht en bewijslast die voortvloeien uit de door mij verdedigde plaats die art. 6:181 binnen afd. 6.3.2 BW inneemt.
De uitkomsten van mijn onderzoek maken een wetswijzing niet per se noodzakelijk. Wel zou een aantal wijzigingen van de relevante wetteksten in afd. 6.3.2 BW leiden tot meer verheldering bij de toepassing van de verschillende kwalitatieve aansprakelijkheden voor zaken, stoffen en dieren. Een concrete voorzet daartoe heb ik gegeven in de bijlage achter hoofdstuk 9 (‘Voorstel tot wijziging van de art. 6:173, 174, 179 en 181’).