Hof Amsterdam, 24-10-2023, nr. 200.263.544/01 OK
ECLI:NL:GHAMS:2023:2885
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
24-10-2023
- Zaaknummer
200.263.544/01 OK
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2023:2885, Uitspraak, Hof Amsterdam, 24‑10‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2023:2884, Uitspraak, Hof Amsterdam, 17‑10‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2023:1540, Uitspraak, Hof Amsterdam, 28‑06‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2021:2847, Uitspraak, Hof Amsterdam, 16‑09‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2020:1156, Uitspraak, Hof Amsterdam, 22‑04‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2020:80, Uitspraak, Hof Amsterdam, 17‑01‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2020:78, Uitspraak, Hof Amsterdam, 16‑01‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
OR-Updates.nl 2020-0051
Uitspraak 24‑10‑2023
Inhoudsindicatie
OK; enquête; bepaling vergoeding onderzoeker
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.263.544/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 24 oktober 2023
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. B.W. Brouwer en mr. H.R. Pleiter, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERWEERSTER,
verschenen bij haar bestuurder,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NATUURBOUW REALISATIE B.V.,
gevestigd te Oisterwijk,
2. [A],
wonende te [....] ,
3. [B],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat: thans mr. J.A.A. van der Weijst, kantoorhoudende te Gemonde, voorheen mr. P.J. van der Korst en mr. A. van Vugt,
e n t e g e n
4. de stichting
MARGGRAFF STICHTING,
gevestigd te Vught,
BELANGHEBBENDE,
verschenen bij haar bestuurder.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 16 en 17 januari 2020, 22 april 2020, 16 september 2021, 28 juni 2023 en 17 oktober 2023 en naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 mei 2023.
1.2
Bij de beschikkingen van 16 en 17 januari 2020 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel B.V. over de periode vanaf 3 mei 2012 tot 20 september 2017, mr. H. Reumkens (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek mag kosten aangehouden.
1.3
Bij de beschikking van 22 april 2020 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 77.000 inclusief btw, verschotten en kantoorkosten.
1.4
Bij de beschikking van 16 september 2021 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 91.025 exclusief btw, de verschotten en kantoorkosten daarin begrepen.
1.5
Op 25 mei 2023 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] , [B] en Natuurbouw Realisatie B.V. tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie afgewezen.
1.6
Bij de beschikking van 28 juni 2023 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 106.025 exclusief btw, de verschotten en kantoorkosten daarin begrepen.
1.7
Bij de beschikking van 17 oktober 2023 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het hiervoor genoemde onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden. De onderzoeker heeft de Ondernemingskamer daarbij bericht dat zijn vergoeding kan worden bepaald op € 106.025 exclusief btw, de verschotten en kantoorkosten daarin begrepen. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door de Ondernemingskamer te bepalen vergoeding van de onderzoeker. Partijen hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2. De gronden van de beslissing
2.1
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over de vergoeding van de onderzoeker uit te laten. Tegen het bedrag aan onderzoekskosten zijn geen bezwaren aangevoerd. De Ondernemingskamer zal de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW dan ook bepalen als hierna te vermelden.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 106.025, de daarover verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen, de verschotten en kantoorkosten daarin wel begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. M.A.M. Vaessen en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en drs. A.G. Thomassen en dr. M.J.R. Broekema RV, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2023.
Uitspraak 17‑10‑2023
Inhoudsindicatie
OK; enquête; deponering onderzoeksverslag
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.263.544/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 17 oktober 2023
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. B.W. Brouwer en mr. H.R. Pleiter, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERWEERSTER,
verschenen bij haar bestuurder,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NATUURBOUW REALISATIE B.V.,
gevestigd te Oisterwijk,
2. [A],
wonende te [....] ,
3. [B],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat: thans mr. J.A.A. van der Weijst, kantoorhoudende te Gemonde, voorheen mr. P.J. van der Korst en mr. A. van Vugt,
e n t e g e n
4. de stichting
MARGGRAFF STICHTING,
gevestigd te Vught,
BELANGHEBBENDE,
verschenen bij haar bestuurder.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 16 en 17 januari 2020, 22 april 2020, 16 september 2021 en 28 juni 2023 en naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 mei 2023.
1.2
Bij de beschikkingen van 16 en 17 januari 2020 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel B.V. over de periode vanaf 3 mei 2012 tot 20 september 2017, mr. H. Reumkens (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek mag kosten aangehouden.
1.3
Bij de beschikking van 22 april 2020 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 77.000 inclusief btw, verschotten en kantoorkosten.
1.4
Bij de beschikking van 16 september 2021 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 91.025 exclusief btw, de verschotten en kantoorkosten daarin begrepen.
1.5
Op 25 mei 2023 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] , [B] en Natuurbouw Realisatie B.V. tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie afgewezen.
1.6
Bij de beschikking van 28 juni 2023 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 106.025 exclusief btw, de verschotten en kantoorkosten daarin begrepen.
1.7
Op 16 oktober 2023 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van voormeld onderzoek, gedateerd op diezelfde datum, aan de Ondernemingskamer doen toekomen. De griffier heeft het verslag met bijlagen heden ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd.
2. De gronden van de beslissing
2.1
De Ondernemingskamer heeft kennis genomen van het verslag met bijlagen van het onderzoek. Gelet op de inhoud daarvan en op de overigens in deze zaak betrokken belangen, acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW te bepalen dat het verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt dat het verslag met bijlagen van het bij de beschikking van 16 januari 2020 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel B.V. ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. M.A.M. Vaessen en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en drs. A.G. Thomassen en dr. M.J.R. Broekema RV, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2023.
Uitspraak 28‑06‑2023
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; Verhoging onderzoeksbudget
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.263.544/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 28 juni 2023
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. B.W. Brouwer en mr. H.R. Pleiter, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERWEERSTER,
verschenen bij haar bestuurder,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NATUURBOUW REALISATIE B.V.,
gevestigd te Oisterwijk,
2. [A],
wonende te [....] ,
3. [B],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: thans mr. J.A.A. van der Weijst, kantoorhoudende te Gemonde, voorheen mr. P.J. van der Korst en mr. A van Vugt,
e n t e g e n
4. de stichting
MARGGRAFF STICHTING,
gevestigd te Vught,
BELANGHEBBENDE,
verschenen bij haar bestuurder,
e n t e g e n
5. H. REUMKENS in zijn hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker,
kantoorhoudende te Amsterdam,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 16 en 17 januari 2020, 22 april 2020 en 16 september 2021 en naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 mei 2023.
1.2
Bij de beschikkingen van 16 en 17 januari 2020 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel B.V. over de periode vanaf 3 mei 2012 tot 20 september 2017, mr. H. Reumkens (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek mag kosten aangehouden.
1.3
Bij de beschikking van 22 april 2020 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 77.000 inclusief btw, verschotten en kantoorkosten.
1.4
Bij de beschikking van 16 september 2021 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 91.025 exclusief btw, de verschotten en kantoorkosten daarin begrepen.
1.5
Op 25 mei 2023 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] , [B] en Natuurbouw Realisatie B.V. tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie afgewezen.
1.6
Bij brief van 21 juni 2023 heeft de onderzoeker verzocht het onderzoeksbudget te verhogen met € 25.000, exclusief btw.
1.7
De secretaris van de Ondernemingskamer heeft de advocaten van partijen bij e-mail van 22 juni 2023 bericht:
“In zijn verzoek stelt mr. Reumkens dat het leeuwendeel van het onderzoek is voltooid en dat het concept aan betrokkenen is toegezonden. Gelet op de beperkte werkzaamheden die nog lijken te resteren is de Ondernemingskamer van oordeel dat een verhoging van het onderzoeksbudget van € 25.000 fors is. Een nadere toelichting op dit bedrag is ook niet gegeven. Gelet op het hoge reeds eerder vastgestelde budget (…) is de Ondernemingskamer van oordeel dat het onderzoek na een verhoging van € 15.000 afgerond zou moeten kunnen worden.
De Ondernemingskamer stelt partijen en de onderzoeker in de gelegenheid zich over dit punt uit te laten, uiterlijk op 27 juni a.s. om 13.00 uur.”
1.8
Bij e-mail van 26 juni 2023 heeft de onderzoeker een nadere toelichting op zijn verzoek gegeven.
1.9
Op 27 juni 2023 hebben mrs. Brouwer en Pleiter de Ondernemingskamer namens Marrobel B.V. bericht dat een laatste verhoging van € 15.000 toereikend zou moeten zijn om het verslag af te ronden.
1.10
Eveneens op 27 juni 2023 heeft mr. Van der Weijst de Ondernemingskamer bericht dat [A] , [B] en Natuurbouw Realisatie B.V. zich op dit onderdeel refereren aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
2. De gronden van de beslissing
2.1
Ter onderbouwing van zijn verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget heeft de onderzoeker het volgende aangevoerd.
- a.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 10 maart 2023 op het conceptverslag te reageren. Van die gelegenheid hebben partijen gebruik gemaakt. [A] , [B] en Natuurbouw Realisatie B.V. hebben daarnaast na die datum, namelijk kort voor de mondelinge behandeling op 25 mei 2023, bepaalde stukken ingebracht die volgens hen ook nog betrokken zouden moeten worden in het onderzoek. De voorzitter van de Ondernemingskamer heeft tijdens de mondelinge behandeling het bedrag van € 25.000 genoemd, dat nodig zou zijn om tegemoet te komen aan de wens van [A] , [B] en Natuurbouw Realisatie B.V. om deze stukken alsnog bij het onderzoek te betrekken. Deze stukken kunnen niet worden verwerkt als het onderzoeksbudget wordt verhoogd met € 15.000.
- b.
De werkzaamheden in het kader van het verzoek de onderzoeker uit zijn functie te ontheffen (zie 1.5) waren niet begroot in het plan van aanpak.
2.2
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt.
2.3
De onderzoeker heeft het conceptverslag op 31 januari 2023 aan partijen toegestuurd en hen uiteindelijk tot en met 10 maart 2023 in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. Zoals de onderzoeker in zijn toelichting op het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget stelt, dienen alvorens tot deponering van het verslag kan worden overgegaan uitsluitend deze opmerkingen en stukken, waar nodig, in het verslag verwerkt te worden. Ter zitting van 25 mei 2023 is met partijen besproken of in onderling overleg tot een afspraak over de afronding van het onderzoek gekomen zou kunnen worden, waarbij de onderzoeker bij wijze van tegemoetkoming aan de wens van [A] , [B] en Natuurbouw Realisatie B.V. alsnog de te laat toegezonden stukken zou kunnen betrekken. Tot afspraken daarover is het niet gekomen omdat partijen het niet eens konden worden. Het verzoek tot ontheffing van de onderzoeker is vervolgens afgewezen. Het onderzoek dient thans afgerond te worden, waarbij uitsluitend de tijdig – dat wil zeggen uiterlijk op 10 maart 2023 – gemaakte opmerkingen en toegezonden informatie, voor zover relevant, nog moeten worden verwerkt. Dat zou in redelijkheid voor een aanvullend bedrag van € 15.000 exclusief btw, moeten kunnen.
2.4
Gelet op het voorgaande zal de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vaststellen op € 106.025 inclusief verschotten en kantoorkosten en exclusief btw.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
verhoogt het bedrag dat het bij de beschikking van 16 januari 2020 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel B.V. ten hoogste mag kosten tot € 106.025, de verschotten en kantoorkosten daarin begrepen, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. M.A.M. Vaessen en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en drs. A.G. Thomassen en dr. M.J.R. Broekema RV, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2023.
Uitspraak 16‑09‑2021
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; verhoging onderzoeksbudget en gelasten getuigenverhoor
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.263.544/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 16 september 2021
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. B.W. Brouwer en mr. H.R. Pleiter, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERWEERSTER,
niet verschenen,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NATUURBOUW REALISATIE B.V.,
gevestigd te Oisterwijk,
2. [A],
wonende te [....] ,
3. [B],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mr. P.J. van der Korst en mr. A van Vugt, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
4. de stichting
[C] STICHTING,
gevestigd te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
niet verschenen.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 16 en 17 januari 2020 en van 22 april 2020.
1.2
Bij de beschikkingen van 16 en 17 januari 2020 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel B.V. over de periode vanaf 3 mei 2012 tot 20 september 2017, mr. H. Reumkens (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek mag kosten aangehouden.
1.3
Bij de beschikking van 16 januari 2020 heeft de Ondernemingskamer de onderzoeker verzocht om een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken (r.o. 3.26 van die beschikking).
1.4
De onderzoeker heeft bij e-mail van 9 april 2020 een (definitief) plan van aanpak met een begroting van de onderzoekskosten aan de Ondernemingskamer gezonden.
1.5
Bij de beschikking van 22 april 2020 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 77.000 inclusief btw, verschotten en kantoorkosten.
1.6
Bij brief van 25 augustus 2021 heeft de onderzoeker verzocht het onderzoeksbudget te verhogen met € 29.670.
1.7
De secretaris van de Ondernemingskamer heeft de advocaten van partijen bij e-mail van 31 augustus 2021 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget.
1.8
Bij e-mail van 6 september 2021 hebben mrs. Brouwer en Pleiter de Ondernemingskamer namens Marrobel B.V. bericht akkoord te gaan met de verhoging van het onderzoeksbudget, behoudens een bedrag van € 2.281 als gevolg van een rekenfout van de onderzoeker (zie hierna 2.2).
1.9
Bij e-mail van 7 september 2021 heeft mr. Van der Korst namens Natuurbouw Realisatie B.V., [A] en [B] de Ondernemingskamer bericht geen bezwaar te hebben tegen de door de onderzoeker verzochte verhoging van het onderzoeksbudget.
2. De gronden van de beslissing
2.1
Het bij beschikking van 22 april 2020 vastgestelde onderzoeksbudget is volgens de onderzoeker om drie redenen niet toereikend:
- a.
Er is sprake van een kennelijke misslag in de beschikking van 22 april 2020. In het plan van aanpak (zie 1.4) is de onderzoeker uitgegaan van een honorarium van € 74.500 en kantoorkosten van € 2.500. Beide bedragen waren exclusief btw bedoeld, maar in de beschikking is de Ondernemingskamer er abusievelijk vanuit gegaan dat deze bedragen inclusief btw waren.
- b.
[D] (hierna: [D] ) is niet bereid vrijwillig te worden gehoord, zodat de onderzoeker de Ondernemingskamer verzoekt hem op grond van artikel 2:352a BW als getuige te horen.
- c.
[A] en [B] (hierna gezamenlijk: [A] c.s.) moeten opnieuw gehoord worden teneinde tot een juist en evenwichtig beeld te komen en te voldoen aan de vereisten van hoor en wederhoor. De onderzoeker is voornemens [A] c.s. in de gelegenheid te stellen te reageren op informatie die is verkregen uit diverse interviews gehouden na de interviews die met [A] c.s. hebben plaatsgevonden.
Door het onder a. genoemde bestond reeds bij aanvang van het onderzoek een tekort van € 15.645. De werkzaamheden genoemd onder b. en c., alsmede het verwerken daarvan in het onderzoeksverslag, heeft de onderzoeker begroot op € 14.025, zodat de onderzoeker verzoekt het onderzoeksbudget te verhogen met € 29.670. De onderzoeker heeft in het midden gelaten of dit bedrag inclusief of exclusief btw is.
2.2
Mr. Brouwer heeft namens Marrobel B.V. aangevoerd akkoord te zijn met de verhoging zoals verzocht onder 2.1 a., met dien verstande dat de onderzoeker daarbij een rekenfout heeft gemaakt. Volgens mr. Brouwer bedraagt het gemiste verschil aan omzet € 13.364 exclusief btw (€ 77.000/121 x 100) en niet het door de onderzoeker genoemde bedrag van € 15.645 exclusief btw. Mr. Brouwer gaat akkoord met de kosten die met het onder c. genoemde gepaard gaan. Indien het onder 2.1 c. genoemde inhoudt dat [A] c.s. inzage krijgen in alle interviews en de gelegenheid krijgen daarop te reageren, maakt mr. Brouwer daartegen namens Marrobel B.V. bezwaar. Subsidiair verzoekt mr. Brouwer in dat geval ook gelegenheid te krijgen op de interviews te reageren.
2.3
Mr. Van der Korst heeft de Ondernemingskamer namens Natuurbouw Realisatie B.V. en [A] c.s. bericht akkoord te gaan met het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget. Mr. Van der Korst heeft de Ondernemingskamer bericht dat hij ervan uitgaat dat hetgeen mr. Brouwer met betrekking onder 2.1 c. genoemde stelt niet als een verzoek aan de raadsheer-commissaris tot het geven van een aanwijzing aan de onderzoeker op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW aangemerkt kan worden.
2.4
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt.
2.5
Anders dan de onderzoeker stelt, is geen sprake van een kennelijke misslag in de beschikking van 22 april 2020 in deze zaak. Het plan van aanpak zoals aan de Ondernemingskamer is toegestuurd 9 april 2020 was op dit punt namelijk niet eenduidig. Nu partijen geen bezwaar hebben tegen de verhoging van het onderzoeksbudget zoals vermeld onder 2.1. c. en het verzoek kennelijk aldus bedoeld was, zal de Ondernemingskamer het verzoek van de onderzoeker in zoverre toewijzen.
2.6
Voor wat betreft de omvang van de verhoging van het onderzoeksbudget sluit de Ondernemingskamer aan bij de bedoeling van het thans voorliggende verzoek van de onderzoeker in die zin dat zij het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten zal bepalen op € 77.000 exclusief btw, te vermeerderen met de onder 2.1 b. en c. genoemde begrote kosten. Tegen deze kosten zijn geen bezwaren aangevoerd en de Ondernemingskamer acht deze niet onredelijk. Gelet op de door de onderzoeker ingenomen stellingen neemt de Ondernemingskamer daarbij tot uitgangspunt dat ook de onder 2.1 b. en c. genoemde begrote kosten exclusief btw bedoeld zijn.
2.7
Gelet op het voorgaande zal de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vaststellen op € 91.025 inclusief verschotten en kantoorkosten en exclusief btw.
2.8
Op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW kan de raadsheer-commissaris op verlangen van verzoekers of belanghebbenden aanwijzingen geven over de wijze waarop dit onderzoek wordt uitgevoerd. De Ondernemingskamer merkt hetgeen mr. Brouwer in 2.2 stelt niet aan als een zodanig verzoek aan de raadsheer-commissaris. Overigens geldt dat een onderzoeker – met inachtneming van de norm dat de onderzoeker zich moet richten naar hetgeen in de gegeven omstandigheden van bekwaam en redelijk handelende onderzoekers mag worden verwacht – vrij is in de uitvoering van de aan hem opgedragen taken en dat hij het onderzoek naar eigen inzicht inricht. Dat betekent onder meer dat de onderzoeker in beginsel bepaalt welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, welke informatie voor het onderzoek relevant is, welke personen moeten worden gehoord en welke gedurende het onderzoek verkregen informatie aanleiding geeft tot het doen van verder onderzoek en hoe dat verdere onderzoek moet worden verricht.
2.9
De Ondernemingskamer begrijpt de brief van de onderzoeker zo dat hij de Ondernemingskamer verzoekt [D] op de voet van artikel 2:352a BW te doen horen. De Ondernemingskamer zal het getuigenverhoor gelasten ten overstaan van een uit haar midden aan te wijzen raadsheer-commissaris. De Ondernemingskamer verzoekt de onderzoeker het adres van de te horen getuige alsmede de feiten en omstandigheden waarover deze moet worden gehoord binnen zeven dagen na heden aan de Ondernemingskamer kenbaar te maken.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
verhoogt het bedrag dat het bij de beschikking van 16 januari 2020 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel B.V. ten hoogste mag kosten tot € 91.025, de verschotten en kantoorkosten daarin begrepen, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
gelast een getuigenverhoor op de voet van artikel 2:352a BW;
benoemt tot raadsheer-commissaris in de zin van artikel 16 lid 5 Rv voor wie dit getuigenverhoor zal plaatsvinden mr. A.J. Wolfs;
bepaalt dat dit getuigenverhoor zal worden gehouden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een na schriftelijke opgave van de verhinderdata voor de maanden oktober en november 2021 van de onderzoeker, partijen en de getuige nader te bepalen dag en uur, welke opgave uiterlijk zeven dagen na heden dient te worden gedaan;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. A.J. Wolfs en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en W. Wind en dr. M.J.R. Broekema RV, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. Wolfs op 16 september 2021.
Uitspraak 22‑04‑2020
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.
Uitspraak 17‑01‑2020
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; Aanwijzing onderzoeker
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.263.544/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 17 januari 2020
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. B.W. Brouwer en mr. H.R. Pleiter, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERWEERSTER,
niet verschenen,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NATUURBOUW REALISATIE B.V.,
gevestigd te Oisterwijk,
2. [A],
wonende te [....] ,
3. [B],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mr. P.J. van der Korst en mr. A van Vugt, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
4. de stichting
[C] STICHTING,
gevestigd te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
niet verschenen.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikking van 16 januari 2020.
1.2
Bij de beschikking van 16 januari 2020 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel B.V. over de periode vanaf 3 mei 2012 tot 20 september 2017 en heeft de Ondernemingskamer een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten.
2. De gronden van de beslissing
De Ondernemingskamer zal thans de hierna te vermelden persoon aanwijzen als onderzoeker, een en ander zoals bedoeld in de beschikking van 16 januari 2020.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst aan als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 16 januari 2020 in deze zaak: mr. H. Reumkens te Heemstede;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.J. Wolfs en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en drs. P.R. Baart en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2020.
Uitspraak 16‑01‑2020
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; Toewijzing van het verzoek tot het bevelen van een onderzoek.
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.263.544/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 16 januari 2020
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. B.W. Brouwer en mr. H.R. Pleiter, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARROBEL B.V.,
gevestigd te Vught,
VERWEERSTER,
niet verschenen,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NATUURBOUW REALISATIE B.V.,
gevestigd te Oisterwijk,
2. [A],
wonende te [....] ,
3. [B],
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mr. P.J. van der Korst en mr. A van Vugt, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
4. de stichting
[C Stichting] ,
gevestigd te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
niet verschenen.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere personen (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verzoekster en verweerster als Marrobel;
- -
belanghebbenden ieder afzonderlijk als Natuurbouw Realisatie, [A] , [B] en [C Stichting] ;
- -
Natuurbouw Realisatie, [A] en [B] gezamenlijk als [B] c.s.;
- -
[D] (zoon van [E] ; broer van [F] en [I] ) als [I] ;
- -
[E] (vader van [I] , [F] en [I] ) als [E] ;
- -
[F] (zuster van [I] en [I] ; moeder van [G] en [H] ) als [F] ;
- -
[G] (dochter van [F] ; zuster van [H] ) als [G] ;
- -
[H] (zoon van [F] ; broer van [G] ) als [H] ;
- -
[I] (zuster van [I] en [F] ) als [I] ;
- -
[J] als [J] ;
- -
[K] als [K] ;
- -
[L] als [L] ;
- -
[M] als [M] ;
- -
[N] als [N] ;
- -
[O] als [O] ;
- -
[P] als [P] ;
- -
H.R. Bruggink als Bruggink;
- -
J.M. Molkenboer als Molkenboer;
- -
[Q] als [Q] ;
- -
[R] als [R] ;
- -
[S] Wegenbouw Hedel B.V. (een 75%-dochtervennootschap van Natuurbouw Realisatie) als [S] ;
- -
3D B.V. (een vennootschap gecontroleerd door [O] ) als 3D;
- -
Pro Semper B.V. (een vennootschap gecontroleerd door [P] ) als Pro Semper.
1.2
Marrobel heeft bij op 31 juli 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel over de periode vanaf 3 mei 2012 tot 20 september 2017, alsmede om [B] c.s. te veroordelen in de kosten van het geding.
1.3
[B] c.s. hebben bij op 30 september 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek met producties, de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad zakelijk weergegeven:
- a.
primair het verzoek tot het gelasten van het door Marrobel verzochte onderzoek af te wijzen, en een of meer personen te benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel over de periode vanaf september 2017, althans subsidiair, indien de Ondernemingskamer het verzoek van Marrobel toewijst, dan tevens een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel over de periode vanaf september 2017;
- b.
primair en subsidiair, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding, de door [C Stichting] gehouden aandelen in het kapitaal van Marrobel ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder en een onafhankelijke derde te benoemen tot bestuurder van Marrobel, althans zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer geraden acht;
- c.
primair en subsidiair Marrobel te veroordelen in de daadwerkelijk door [B] c.s. gemaakte kosten van verweer, althans een zodanig bedrag als de Ondernemingskamer zal vaststellen.
1.4
Marrobel heeft bij op 10 oktober 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties, de Ondernemingskamer verzocht het zelfstandig verzoek van [B] c.s. af te wijzen en [B] c.s. te veroordelen in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad.
1.5
[B] c.s. hebben bij op 10 oktober 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen akte houdende overlegging aanvullende bijlagen, tevens houdende verzoek tot onmiddellijke voorziening respectievelijk vordering op grond van artikel 843a Rv en artikel 22 Rv, de Ondernemingskamer verzocht, respectievelijk gevorderd, dat Marrobel wordt veroordeeld, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad, om [B] c.s. binnen twee dagen na een in deze te geven beschikking afschrift te verschaffen van (i) de bestuurdersaansprakelijkheidspolis en de polisvoorwaarden, (ii) de contactgegevens van de assurantietussenpersoon en (iii) de melding door Marrobel bij de verzekeraar respectievelijk de assurantietussenpersoon van het enquêteverzoek, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000 per dag dat Marrobel daaraan niet voldoet, met een maximum van € 100.000, althans een zodanig bedrag als de Ondernemingskamer vaststelt, met veroordeling van Marrobel in de daadwerkelijk door [B] c.s. gemaakte kosten van verweer in dit geding, althans een zodanig bedrag als de Ondernemingskamer vaststelt.
1.6
De verzoeken en de vordering zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 17 oktober 2019. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en wat mrs. Brouwer en Pleiter betreft onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
2. De feiten
De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:
2.1
[E] heeft zijn vermogen, onder meer bestaande uit diverse landgoederen en landerijen met een totale oppervlakte van ongeveer 700 hectare en verschillende banktegoeden en effecten in Zwitserland en Liechtenstein (hierna: het [I] vermogen), na zijn overlijden op 27 april 1954, nagelaten aan [I] . Kort na het overlijden van [E] heeft [I] , die zelf geen kinderen had, in zijn testament vastgelegd dat het [I] vermogen na zijn overlijden zou worden ondergebracht in een stichting die de landgoederen voor de duur van 200 jaar dient te beheren met behoud van het natuurschoon. Ook zou de stichting moeten voorzien in het levensonderhoud van de afstammelingen van [E] .
2.2
Marrobel is op 20 april 1988 door [I] opgericht. Marrobel legt zich toe op het beheren van en het beleggen in onroerende goederen, effecten en andere vermogensbestanddelen. Tot zijn overlijden was [I] enig aandeelhouder en bestuurder van Marrobel.
2.3
Artikel 14 van de statuten van Marrobel luidt voor zover van belang:
“1. De directie behoeft de goedkeuring van de algemene vergadering voor besluiten omtrent:
(…)
c. het ter leen opnemen of verstrekken van gelden, waaronder niet begrepen het gebruik maken van een aan de vennootschap verleend bankkrediet;
d. het aanstellen van procuratiehouders en het wijzigen of intrekken van de aan hen toegekende bevoegdheden, alsmede het toekennen of ontnemen aan een procuratiehouder van een titel;
e. het aanstellen van personeel voor een bepaalde tijd van langer dan een jaar (…);
(…)
k. het uitbreiden der zaken met een nieuwe tak van bedrijf en het sluiten – overdragen in eigendom of in genot daaronder begrepen – van het bedrijf der vennootschap of een belangrijk gedeelte daarvan;
(…)
p. het verrichten van rechtshandelingen, voor zover niet reeds onder een der vorige letters vallende, waarvan het belang of de waarde voor de vennootschap eenhonderd duizend gulden te boven gaat of waardoor de vennootschap voor langer dan een jaar wordt verbonden, tenzij de algemene vergadering een hoger bedrag, respectievelijk een langere termijn vaststelt.”
2.4
[B] is medio jaren ’90 betrokken geraakt bij het beheer van de landgoederen die in het [I] vermogen vallen.
2.5
[I] bewoonde het landgoed Zionsburg te Vught. Op 7 december 2003 heeft op het landgoed een brand gewoed waarbij [I] om het leven is gekomen. Tijdens deze brand is Zionsburg grotendeels verwoest en is ook een groot deel van de administratie van [I] verloren gegaan.
2.6
Ter uitvoering van het testament is [C Stichting] op 20 februari 2004 opgericht en is het [I] vermogen daarin ondergebracht. Conform de wensen van [I] is in de statuten van [C Stichting] bepaald dat het bestuur in beginsel zal bestaan uit drie afstammelingen van [E] . Ingevolge artikel 7 van de statuten van de stichting wordt zij vertegenwoordigd door het bestuur of door twee gezamenlijk handelende bestuursleden. Het bestuur kan volmacht verlenen aan een of meer bestuursleden of aan derden om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.
2.7
Bij de oprichting zijn als bestuurders twee zussen van [I] benoemd, zijnde [I] en [F] , op dat moment 82 respectievelijk 74 jaar oud. Bestuurders van [C Stichting] zijn thans [G] (sinds 2012), [J] (sinds 5 september 2017), [K] (sinds 9 juli 2017) en [L] (sinds 2019).
2.8
In overeenstemming met het testament is [C Stichting] enig aandeelhouder van Marrobel geworden. Op 20 februari 2004 is [M] bestuurder van Marrobel geworden.
2.9
Op 30 mei 2006 heeft [F] , zowel voor zich in privé als in haar hoedanigheid van bestuurder van [C Stichting] , een algemene volmacht aan [B] afgegeven.
2.10
In juni 2007 is een bedrag van € 40 miljoen van een tot dan toe onbekende Zwitserse bankrekening van [I] overgemaakt naar [C Stichting] , nadat daarover met de belastingdienst was afgerekend.
2.11
[Q] is in oktober 2007 opdracht verleend de onroerende zaken van het [I] vermogen als rentmeester te beheren.
2.12
Op 12 april 2011 is [M] afgetreden als bestuurder van Marrobel. Op diezelfde dag is [C Stichting] tot bestuurder van Marrobel benoemd.
2.13
Op 3 mei 2012 is [G] toegetreden tot het bestuur van [C Stichting] . Op diezelfde datum is [C Stichting] teruggetreden als bestuurder van Marrobel en is [B] benoemd tot bestuurder van Marrobel.
2.14
Eveneens op 3 mei 2012 is tussen [C Stichting] en Marrobel een overeenkomst van opdracht gesloten. Op basis van deze overeenkomst dient Marrobel voor [C Stichting] het [I] vermogen te beheren. Deze overeenkomst luidt voor zover van belang:
“Artikel 1 – Aard en omvang van de opdracht
(…)
1.2
De Werkzaamheden zullen (onder meer) bestaan uit de navolgende taken:
a. (doen) inventariseren van de bezittingen van Opdrachtgever;
b. van tijd tot tijd (doen) opstellen van een meerjarenplan ten zien van het beheer van het Vermogen van Opdrachtgever (hierna: het “Meerjarenplan”) (…);
c. jaarlijks (doen) opstellen van het jaarplan (hierna: het “Jaarplan”) gebaseerd op een door Opdrachtgever goedgekeurd Meerjarenplan;
d. (doen) uitvoeren van het vigerende Jaarplan nadat dit door Opdrachtgever is goedgekeurd;
e. (doen) verzorgen van (fiscale) aangifte van Opdrachtgever;
f. (doen) verzorgen van de financiële administratie van Opdrachtgever, waaronder het (doen) opstellen van de jaarrekening;
g. Al datgene dat Opdrachtnemer in verband met het voorgaande nodig acht te doen.
(…)
Artikel 3 – Volmacht
3.1
Opdrachtgever verleent aan Opdrachtnemer een volmacht voor de duur van de Overeenkomst en behoudens opzegging door Opdrachtgever en onder de verplichting om op eerste verzoek van opdrachtgever of diens rechtverkrijgenden rekening en verantwoording af te leggen omtrent het gebruik van deze volmacht, om zijn belangen te behartigen en namens Opdrachtgever rechtshandelingen te verrichten ter uitvoering van de Werkzaamheden en na datum van deze overeenkomst verstrekte aanvullende opdrachten.
(…)
3.3.
Het in lid 1 van dit artikel bepaalde laat onverlet dat Opdrachtnemer schriftelijke en voorafgaande toestemming behoeft van Opdrachtgever omtrent:
i. het verkrijgen, vervreemden, bezwaren, huren, verhuren en op andere wijze in gebruik of genot verkrijgen of het geven van onroerende zaken, behoudens voor zover dit in overeenstemming is met het door Opdrachtgever goedgekeurde Meerjarenplan;
ii. het aangaan van overeenkomsten waarbij aan Opdrachtgever een bankkrediet wordt verleend, alsmede het overschrijden van bedoeld krediet;
iii. het ter leen opnemen of verstrekken van gelden;
iv. het aanstellen van personeel voor een bepaalde tijd van langer dan één (1) jaar;
(…)
viii. het verrichten van rechtshandelingen, voor zover zij niet vallen onder de voorgaande opsomming, waarvan het belang of de waarde voor Opdrachtgever EUR 50.000,- (…) te boven gaat of waardoor Opdrachtgever voor langer dan een jaar wordt verbonden.”
2.15
Op 20 februari 2014 is [I] vanwege haar hoge leeftijd en gezondheidstoestand ontslagen als bestuurder van [C Stichting] . Op diezelfde dag is [B] benoemd als bestuurder van [C Stichting] .
2.16
Op 11 september 2014 heeft [F] een nieuwe algemene volmacht aan [B] verleend. Op grond van deze volmacht kan [B] namens [F] vergaderingen van stichtingen bijwonen, daarin optreden en functies vervullen, stemrecht uitoefenen en notulen ondertekenen.
2.17
Op 22 december 2014 hebben Marrobel (vertegenwoordigd door [B] ) en Natuurbouw Realisatie een managementovereenkomst gesloten. Enig aandeelhouder en bestuurder van Natuurbouw Realisatie is [A] , zoon van [B] In de managementovereenkomst is bepaald dat Natuurbouw Realisatie het (mede)bestuur over Marrobel voert. Voorts is opgenomen dat Natuurbouw Realisatie voor haar werkzaamheden een vergoeding van € 7.500 exclusief btw per maand ontvangt. Marrobel heeft het besluit tot het aangaan van deze overeenkomst niet ter goedkeuring aan haar algemene vergadering voorgelegd. In de administratie van Marrobel zijn twee versies van de managementovereenkomst aangetroffen. Op een versie is de naam van [F] geschreven. Op de andere versie, een kopie van de eerste versie, is door [B] een aantekening gemaakt dat [G] telefonisch akkoord is gegaan.
2.18
Per 1 januari 2015 is Natuurbouw Realisatie aangesteld als procuratiehouder van Marrobel. Het besluit daartoe is niet ter goedkeuring aan de algemene vergadering van Marrobel voorgelegd.
2.19
In januari 2015 is [C Stichting] bekend geworden met de mogelijkheid dat [E] een aanzienlijk vermogen had ondergebracht in een trust in Zwitserland of Liechtenstein en dat dit op enig moment aan [C Stichting] uitgekeerd zou kunnen worden.
2.20
Op 21 mei 2015 heeft [P] (zie 2.21) een e-mail met als onderwerp ‘Van Lanschot’ aan het secretariaat van [A] gestuurd. De tekst van de e-mail luidt: “Hierbij de handtekening van mevrouw [F] . Misschien kunnen we die plakken in de machtiging?”.
2.21
Vanaf november 2015 heeft Marrobel betalingen verricht aan 3D. [O] is bestuurder en enig aandeelhouder van 3D. Tot aan maart 2016 fluctueerden de bedragen. Vanaf maart 2016 is maandelijks een bedrag van € 9.025 betaald, hetgeen overeenkomt met de vergoeding die is opgenomen in een niet-ondertekende (concept-)managementovereenkomst tussen 3D en Marrobel, gedateerd juni 2016. In totaal heeft 3D € 188.155 ontvangen. Het besluit tot het aangaan van de managementovereenkomst of het doen van de betalingen is niet ter goedkeuring voorgelegd aan de algemene vergadering van Marrobel. Ook aan Pro Semper, waarvan [P] bestuurder en enig aandeelhouder is, zijn vanaf maart 2016 door Marrobel betalingen verricht van € 9.025 per maand. Dit bedrag is opgenomen in een niet-ondertekende (concept-)managementovereenkomst tussen Pro Semper en Marrobel, eveneens gedateerd juni 2016. In totaal is aan Pro Semper € 90.857 betaald. Ook voor deze betalingen is geen goedkeuring van de algemene vergadering van Marrobel verkregen.
2.22
Op 22 december 2015 heeft een algemene vergadering van Marrobel plaatsgevonden. Aanwezig waren [B] (namens [C Stichting] ) en [A] (namens Natuurbouw Realisatie). Volgens de notulen van de vergadering is besloten dat [B] per 1 januari 2016 zou terugtreden als bestuurder van Marrobel en dat Natuurbouw Realisatie per die datum tot bestuurder van Marrobel is benoemd. Uit de notulen volgt voorts dat is besloten tot omzetting van een vordering van € 2.800.000 van [C Stichting] op Marrobel in agio.
2.23
In mei 2016 heeft [C Stichting] fiscaal adviseur Bruggink verzocht haar bij te staan met de afwikkeling van het testament van [I] . Bruggink heeft in dit verband geadviseerd de ANBI-status voor [C Stichting] aan te vragen. Om aan de ANBI-vereisten te voldoen, heeft Bruggink voorgesteld dat het bestuur van [C Stichting] zou bestaan uit vijf bestuursleden, waarvan ten hoogste twee afstammelingen van [E] . In verband met de eisen die aan een ANBI-status worden gesteld, heeft Bruggink verder geadviseerd dat de afstammelingen van [E] jegens [C Stichting] afstand zouden doen van hun rechten als begunstigden met betrekking tot het [I] vermogen.
2.24
Op 12 mei 2016 heeft Bruggink contact opgenomen met de belastingdienst om te bezien op welke wijze de ANBI-status verkregen kon worden. De belastingdienst heeft kenbaar gemaakt dat een onderzoek dient plaats te vinden bij [C Stichting] voordat daarover kan worden beslist.
2.25
Op 10 juni 2016 heeft [B] , handelend namens Marrobel en [C Stichting] , een volmacht aan [A] en [O] gegeven om besprekingen en correspondentie met Van Lanschot te voeren.
2.26
Op 15 november 2016 is tussen Marrobel en [C Stichting] een raamovereenkomst tot stand gekomen op basis waarvan Marrobel onroerende zaken van [C Stichting] huurt en mag verhuren aan derden. De overeenkomst is getekend door [A] (namens Marrobel) en door [B] (namens [C Stichting] ).
2.27
In 2017 heeft [A] namens Marrobel advocaat Molkenboer verzocht te adviseren over de inrichting van het bestuur van [C Stichting] . Bij brieven van 13, 27 en 30 maart en 11 mei 2017, geadresseerd aan Marrobel en gericht aan [A] en [O] , heeft Molkenboer adviezen uitgebracht over de samenstelling van het bestuur van [C Stichting] . Daartoe heeft Molkenboer onder meer geadviseerd over een mogelijke ANBI-status van [C Stichting] , over de mogelijke benoeming van [A] tot bestuurder van [C Stichting] en over de vraag of daartoe gebruik zou kunnen worden gemaakt van de algemene volmacht van [F] aan [B] van 11 september 2014 (zie 2.16). Bij brief van 11 juli 2017 aan Marrobel ter attentie van [O] heeft Molkenboer geadviseerd dat een vaststellingsovereenkomst tussen [F] , [G] , [H] en [B] zou worden gesloten en dat de statuten van [C Stichting] zouden worden gewijzigd. Deze zouden onder meer ertoe strekken dat het bestuur van [C Stichting] voortaan zou bestaan uit [B] (voorzitter), [F] , [G] en Molkenboer zelf. Bij staken van de stemmen in het bestuur zou de beslissende stem door de voorzitter worden uitgebracht.
2.28
Op 23 augustus 2017 zijn de bestuursleden van [C Stichting] door [F] uitgenodigd voor een bestuursvergadering op 5 september 2017. Voorafgaand aan deze vergadering heeft op 28 augustus 2017 een ontmoeting plaatsgevonden tussen [F] , [G] , [H] , [B] en Molkenboer. Tijdens deze bijeenkomst hebben [F] , [G] en [H] de vaststellingsovereenkomst getekend, zoals voorgesteld door Molkenboer.
2.29
Bij e-mail van 30 augustus 2017 heeft Bruggink aan [B] bericht dat hij meent dat de vaststellingsovereenkomst van 28 augustus 2017 niet geldig is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Bruggink het volgende aangevoerd:
“Ten aanzien van deze wijze van handelen merk ik het volgende op:
1. In de bespreking op 15 augustus 2017 hebben de dames [ [F] en [G] ] uitdrukkelijk aangegeven niet te kunnen instemmen met de toegezonden stukken (vaststellingsovereenkomst en akte wijziging statuten);
2. Tijdens deze bespreking hebben ze uitdrukkelijk aangegeven dat ze de heer [Q] in het bestuur willen hebben en dat ze niet kunnen instemmen met de wijzigingen in de vaststellingsovereenkomst en statuten.
3. Middels een mail heb ik al aangegeven dat ik vanuit fiscaal oogpunt ook niet met de wijzigingen kon instemmen.
4. Tijdens een bespreking hebben de dames wederom dit standpunt aangegeven.
5. De ontmoeting afgelopen maandag zou uitsluitend dienen ter kennismaking conform hetgeen tussen alle betrokkenen was afgesproken. Dit is ook de reden waarom haar adviseur en de adviseur van de stichting (ondergetekende) niet aanwezig waren en hoefden te zijn.
6. Zoals ik heb vernomen haalde de heer Molkenboer een overeenkomst tevoorschijn met de suggestie deze te ondertekenen.
7. De dames hebben aangegeven deze niet te willen tekenen maar onder druk hebben ze toch getekend. Het moet toch duidelijk zijn geweest dat zij dat niet wilde.
8. Direct na ondertekenen hebben de dames contact gehad met de heer [Q] om hem op de hoogte te stellen en hebben daarbij aangegeven dat zij er niet mee instemmen.
9. Namens hen kan ik je mededelen dat zij dit standpunt nog steeds huldigen (…)
Namens de dames wil ik je verzoeken dit document als niet getekend te beschouwen. Ik ga er vanuit dat gezien het wederzijdse respect dat er is en gezien je oprechte diensten voor de dames, dit geen probleem hoeft te zijn. (…)”
2.30
Bij e-mail van 31 augustus 2017 heeft [G] aan [B] bericht:
“(…)
De afspraak was geen handtekening alleen een kennismaking
Bij valk begreep dat er toch getekend moest worden je hebt me toen zo onder druk gezet dat ik me gedwongen voelde om te tekenen
Bij deze ondertekening zatte ook de oude statuten die door Harm Bruggink en ons waren afgekeurd
Dit bestuur met vier mensen is niet goed om de AMBi status te krijgen
(…)”
2.31
Op 5 september 2017 heeft een bestuursvergadering van [C Stichting] plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering is besloten de structuur zoals voorgesteld door Bruggink te implementeren. Tijdens deze vergadering is [B] ontslagen als bestuurder van [C Stichting] . [Q] , [J] en [R] zijn benoemd tot bestuurder van [C Stichting] .
2.32
Op 13 september 2017 heeft [B] [C Stichting] gedagvaard om – kort samengevat – de hiervoor onder 2.31 genoemde besluiten aan te vechten.
2.33
Op 20 september 2017 is [J] als bestuurder van Marrobel benoemd en zijn de statuten van [C Stichting] gewijzigd, ten gevolge waarvan het doen van uitkeringen aan afstammelingen van [E] niet langer een doel van de stichting is.
2.34
Op 5 december 2017 is tussen [G] en [B] een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Deze vaststellingsovereenkomst is medeondertekend door [J] . Partijen zijn onder meer overeengekomen dat het besluit tot implementatie van de structuur zoals door Molkenboer op 28 augustus 2017 in de vaststellingsovereenkomst neergelegd (zie 2.29), geen rechtskracht heeft en dat de op 5 september 2017 genomen besluiten (zie 2.32) rechtsgeldig zijn. Verder is overeengekomen dat het bestuur van de stichting volledige inzage dient te hebben in de administratie van Marrobel, dat daarnaar een onderzoek wordt verricht en dat Marrobel daaraan haar medewerking dient te verlenen. Daarnaast is overeengekomen dat [B] opnieuw tot bestuurder van [C Stichting] zou worden benoemd. Deze benoeming heeft een dag daarvoor plaatsgevonden. Eveneens op 4 december 2017 is [K] als bestuurder van [C Stichting] benoemd en heeft [Q] zijn positie als bestuurder van [C Stichting] neergelegd.
2.35
Op 12 maart 2018 heeft Bruggink in een memo de bevindingen van het onderzoek als hiervoor genoemd gerapporteerd. Een van de constateringen was dat in de jaren 2016 en 2017 aanzienlijke bedragen zijn uitgekeerd aan adviseurs, management en aan [A] gelieerde partijen zonder de benodigde goedkeuring van de aandeelhouder. Op 1 april 2018 is Natuurbouw Realisatie ontslagen als bestuurder van Marrobel.
2.36
Op 12 juli 2018 heeft de belastingdienst haar rapport inzake het onderzoek bij [C Stichting] (zie 2.24) aan het bestuur van [C Stichting] toegezonden. In dit rapport is voor zover van belang opgenomen:
“(…)
Dit onderzoek richt zich op de [C Stichting] en de samenhangende (rechts-) personen.
(…)
3. Administratieplicht
Kort na aanvang van het onderzoek ter plaatse (op 23 november 2016) is gebleken dat de ter beschikking gestelde administratie ‘tweeledig’ is. Zo zijn er ordners en bankafschriften van de [C Stichting] aanwezig, alsmede de gevoerde administratie van Marrobel B.V. (de 100% deelneming van de Stichting). Deze BV voert nagenoeg alle werkzaamheden voor de Stichting uit. De wijze waarop de administratie is gevoerd maakt dat controle van de Stichting niet mogelijk is zonder dat men beschikt over de administratie van Marrobel B.V.
Hoewel inzage is verleend in beide administraties, is controle niet (binnen redelijke termijn) of nauwelijks mogelijk. Herleiding van een willekeurige factuur voor uitgevoerde werkzaamheden is niet mogelijk. Ook het accountantskantoor kon in eerste instantie moeilijk aantonen in welk grootboek een factuur geboekt is. (…)
Uit het crediteurenoverzicht van Marrobel B.V. blijkt dat over de jaren 2013 tot en met 2015 aan [S] Wegenbouw Hedel B.V. (…) totaal een bedrag van € 1.171.522,12 is betaald (…).
(…)
4.1.5
Debiteuren
Bij de beoordeling van de uitstaande gelden is uit onze gegevens gebleken dat de [C Stichting] een vordering heeft op Stg. Derdengelden [B] (…) cq. Dhr. [B] zelf, groot € 198.951,58 per 31-12-2011. In de jaarstukken is deze vordering niet zichtbaar.
(…)
6.2
Beoordeling van het algemene belang
(…)
Het is een samenstel van bevindingen en elementen waarbij naar voren komt dat er een behoorlijk onwrikbaar verleden is en waarbij de wil en doelstelling van de erflater regelmatig botst met de (gewenste) doelstelling van de bestuursleden van de Stichting. Maar ook de feitelijke werkzaamheden geven vervolgens weer vragen als deze tegen de (gewenste) doelstelling van de Stichting worden afgezet.
Bij de beoordeling of met de activiteiten en uitgaven (nagenoeg) uitsluitend het algemeen belang wordt gediend zet ik de volgende kanttekeningen.
Het beleid van het bestuur is niet terug te halen in notulen van bestuursvergaderingen.
Daardoor is onduidelijk hoe belangrijke financiële beslissingen worden genomen:
o Afwaardering van balansposten
o Welke projecten worden gekozen (besluitvorming)?
o Wie gaat deze uitvoeren? Aanbesteding?
o Op basis waarvan worden bedragen in rekening-courant verstrekt aan Marrobel B.V. die de projecten uitvoert?
o Wie beslist over het tempo van de geldverstrekkingen?
o Hoe vindt verantwoording aan de stichting plaats van de projectbetalingen door Marrobel B.V.?
Wat uit de feiten wél blijkt is dat:
o enkele partijen die voor de stichting (en/of haar 100% deelneming) diensten verlenen (projecten uitvoeren) gelieerd zijn aan het bestuur (…). Genoemd kunnen worden Natuurbouw Realisatie B.V. (…) en [S] Wegenbouw Hedel B.V. (…)
o er substantiële bedragen (in 3 jaar ruim € 1 mio) aan laatstgenoemde worden betaald, zonder dat aannemelijk is dat andere dan gelieerde belangen bij de keuze voor juist die partij een rol hebben gespeeld.
o een vordering van de stichting op de heer [B] (cq. zijn stichting Derdengelden) niet als vordering is opgenomen.”
2.37
Op 27 augustus 2018 hebben de afstammelingen van [E] afstand gedaan van hun voorwaardelijk recht op uitkeringen ten laste van [C Stichting] . In oktober 2018 heeft [C Stichting] met terugwerkende kracht vanaf 27 augustus 2018 de ANBI-status verkregen.
2.38
Tijdens een bestuursvergadering van [C Stichting] van 29 oktober 2018 is [B] geschorst als bestuurder van [C Stichting] . In de notulen van deze vergadering is opgenomen:
“d. Ingekomen stukken:
(…)
Harm [Bruggink] geeft uitleg over de brief van Bezemer en de getekende brief door mevrouw [F] . Berth heeft hierop gereageerd en aangegeven dat mevrouw hier niet achter staat en hem verzocht hieraan geen gevolg te geven. Iedereen vermoedt dat [B] [ [B] ] deze brief heeft geschreven. Ook is hierover geen overleg geweest met het bestuur en de kinderen. Deze handelswijze is ook in strijd met de statuten van de stichting. Eveneens meldt Harm de binnenkomst van de brief van [K] [ [K] ], [J] [ [J] ] en [R] [ [R] ] waarin zij aangeven dat met deze zoveelste actie van [B] [ [B] ] het vertrouwen in hem afneemt resp. is verdwenen. Temeer nu hij op allerlei vragen geen antwoord geeft en nog een aanzienlijke schuld aan de stichting heeft welke schuld hij ook niet ontkent. Het bestuur is van mening dat het nu moet handelen om zelf de geloofwaardigheid te behouden en aansprakelijkheid van de Stichting en het bestuur (gezamenlijk en afzonderlijk) te voorkomen. Daarom is schorsing aan de orde gekomen. Het bestuur kan niet anders gezien de rapporten waaronder die van de belastingdienst. Overigens plaatst de belastingdienst ook vraagtekens bij zijn lidmaatschap van het bestuur. Voorgesteld wordt om hem te schorsen en hem nogmaals in de gelegenheid te stellen om vragen te beantwoorden en zich te verdedigen. Hij is meerdere keren verzocht vragen te beantwoorden iz rapporten, enz..
(…)
j. Functioneren de heer [B]
(…) Besloten wordt om [B] [ [B] ] te schorsen voor 3 maanden en hem in de gelegenheid te stellen allerlei vragen te beantwoorden binnen deze termijn. Hierbij wordt aangegeven dat indien hij dit niet doet het bestuur niet anders kan dan hem te ontslaan en verdere rechtsmaatregelen te nemen. (…) Hiertoe wordt unaniem besloten.”
2.39
Op 23 januari 2019 heeft tussen [J] , Bruggink en [B] een bespreking plaatsgevonden.
2.40
In een bestuursvergadering van [C Stichting] van 25 januari 2019 is [B] ontslagen als bestuurder van [C Stichting] . In de notulen van deze vergadering is opgenomen:
“(…)
Het bestuur overweegt dat [B] [ [B] ] de ernstige twijfel bij het bestuur over zijn functioneren en handelen niet heeft kunnen wegnemen, ondanks dat hij daartoe nog eens drie maanden de tijd heeft gekregen, veelvuldig is gerappelleerd en in een gesprek is gehoord. Met zijn antwoorden heeft hij onvoldoende duidelijkheid weten te scheppen bij de bestuursleden over diverse financiële aangelegenheden en gedragingen uit het verleden en de gegeven antwoorden zijn ondanks veelvuldig verzoek niet met bewijsstukken gestaafd. Ook in het gesprek van 23 januari 2019 heeft [B] het bestuur niet kunnen overtuigen. Het bestuur overweegt dat deze aanhoudende onduidelijkheid een reden vormt om [B] te ontslaan.
Een andere reden om [B] uit het bestuur te ontheffen is gelegen in het feit dat er sprake is van een tegenstrijdig belang tussen hem en de stichting. De stichting heeft als enig aandeelhouder van Marrobel aangekondigd een procedure gericht tegen [A] te willen entameren. [B] heeft in het gesprek van 23 januari 2019 aangegeven dat hij alle stukken die hem als bestuurder van de stichting onder ogen komen door te spelen aan [A] , waarmee hij de belangen van de stichting en Marrobel B.V. zou schaden. (…)
Vanwege de onduidelijkheid over het verleden zoals opgenomen in het rapport van de heer Hanstede heeft ook de Belastingdienst aangegeven ernstige twijfels en moeite te hebben bij de bestuurderszetel van [B] .”
2.41
Op 17 februari 2019 is [R] afgetreden als bestuurder van [C Stichting] . Op 11 maart 2019 is [L] benoemd als bestuurder.
2.42
Op 27 februari 2019 heeft [C Stichting] een aanzienlijke hoeveelheid onroerende zaken overgedragen aan Marrobel tegen een koopprijs van ruim € 12,7 miljoen. Marrobel heeft de koopsom onder meer voldaan door verrekening met een agiostorting van € 10 miljoen.
2.43
In het voorjaar van 2019 heeft [C Stichting] een aanvang gemaakt met de herbouw en restauratie van landgoed Zionsburg.
3. De gronden van de beslissing
Het verzoek van Marrobel
3.1
Marrobel heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Marrobel. Ter toelichting heeft Marrobel – kort samengevat – het volgende aangevoerd:
- a.
Binnen Marrobel zijn besluitvormingsvoorschriften op structurele basis niet nageleefd, dit terwijl Marrobel verschillende besluiten heeft genomen en transacties is aangegaan waarbij (een risico op) een tegenstrijdig belang of belangenverstrengeling aanwezig was. Zo kleven gebreken aan (de besluiten strekkend tot) de aanstelling van [A] als procuratiehouder van Marrobel per 1 januari 2015, het aangaan van een managementovereenkomst met Natuurbouw Realisatie per 1 januari 2015, de benoeming van Natuurbouw Realisatie tot bestuurder van Marrobel per 1 januari 2016 en de agiostorting op 22 december 2015 (zie 2.17, 2.18, 2.22).
- b.
Marrobel heeft betalingen gedaan, is verplichtingen aangegaan en heeft rekening-courantverhoudingen gecreëerd waarvan de strekking en achtergrond niet kan worden achterhaald. Daarbij doelt zij onder meer op betalingen aan Natuurbouw Realisatie, 3D en Pro Semper, vennootschappen die werden gecontroleerd door [A] , [O] , respectievelijk [P] (zie 2.17 en 2.21), alsmede op betalingen aan [S] ( [A] ), de rekening-courantschuld van [B] en de aan Marrobel gefactureerde kosten voor juridisch advies aan [C Stichting] .
- c.
De strekking van de raamovereenkomst inzake verhuur tussen [C Stichting] en Marrobel en hieruit voortvloeiende verhuurovereenkomsten is onduidelijk (zie 2.26).
- d.
Marrobel heeft niet voldaan aan de boekhoudplicht, zodat haar rechten en verplichtingen onvoldoende kunnen worden vastgesteld (zie 2.36).
3.2
[B] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.
3.3
De Ondernemingskamer overweegt als volgt.
Besluitvorming
3.4
Op 22 december 2014 heeft Marrobel met Natuurbouw Realisatie een managementovereenkomst gesloten die gepaard ging met de benoeming en inschrijving van Natuurbouw Realisatie als procuratiehouder van Marrobel. In de managementovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat Natuurbouw Realisatie het (mede)bestuur over Marrobel voert tegen een maandelijkse vergoeding van € 7.500 exclusief btw en kostenvergoedingen. Marrobel werd in deze overeenkomst vertegenwoordigd door haar bestuurder [B] en Natuurbouw Realisatie door haar directeur/enig aandeelhouder [A]
3.5
Ingevolge artikel 14.1.d van de statuten was in elk geval het besluit tot het aanstellen van een procuratiehouder onderworpen aan de goedkeuring van de algemene vergadering van Marrobel (zie 2.3). Omdat Natuurbouw Realisatie werd gecontroleerd door [A] , had [B] als bestuurder van Marrobel een tegenstrijdig belang (vgl. Kamerstukken II, 34 491, 2018/19, nr. 6, p. 11). Bij de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de overeenkomst was daarom een hoge mate van zorgvuldigheid vereist. Als bestuurder van Marrobel diende [B] de onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden te houden. Verder kon van hem worden verwacht dat hij volledige openheid van zaken zou geven aan [F] en [G] , zijn medebestuurders in het bestuur van [C Stichting] . Die verplichting tot openheid gold in de gegeven omstandigheden te meer gelet op de leeftijd van [F] en de persoonlijke situatie van [G] en tegen de achtergrond van het feit dat de activiteiten van Marrobel waren gericht op het beheer van het [I] vermogen.
3.6
De benoeming van Natuurbouw Realisatie tot procuratiehouder van Marrobel is niet door aandeelhouder [C Stichting] goedgekeurd, net zo min als de managementovereenkomst. Het is bovendien aan gerede twijfel onderhevig of [B] bij het sluiten van de managementovereenkomst de van hem te vergen zorgvuldigheid heeft betracht. Er zijn twee versies van de managementovereenkomst in het geding gebracht: op een versie is de naam van [F] geschreven, terwijl op een andere een aantekening van [B] is gemaakt dat [G] telefonisch akkoord is gegaan. [B] c.s. hebben geen verklaring gegeven voor deze verschillende versies. Wel hebben zij aangevoerd dat Natuurbouw Realisatie al in 2002 werkzaamheden voor [C Stichting] verrichtte. Waarom evenwel tegen die achtergrond een managementovereenkomst een logische stap zou zijn, zoals [B] c.s. hebben aangevoerd, hebben zij niet toegelicht. Voor zover zij aanvoeren dat uit een geluidsopname blijkt dat [G] met de managementovereenkomst heeft ingestemd, hadden zij daartoe (een transcript van) die geluidsopname in het geding kunnen brengen; nu [B] c.s. dit hebben nagelaten, gaat de Ondernemingskamer hieraan voorbij.
3.7
Ook bij de benoeming van Natuurbouw Realisatie tot bestuurder van Marrobel vallen vraagtekens te plaatsen. Deze benoeming vond plaats tijdens een algemene vergadering van Marrobel op 22 december 2015. Bij die vergadering waren aanwezig [B] (namens [C Stichting] ) en [A] Bestuurders van [C Stichting] zijn gezamenlijk bevoegd de stichting te vertegenwoordigen. Weliswaar beschikte [B] over een algemene volmacht van [F] , zijn medebestuurder in [C Stichting] , op grond waarvan hij namens [F] vergaderingen van stichtingen kon bijwonen, daarin mocht optreden, functies vervullen en stemrecht uitoefenen, maar het ging bij de benoeming van Natuurbouw Realisatie niet om een vergadering van [C Stichting] , maar om een optreden namens [C Stichting] in de algemene vergadering van Marrobel. De volmacht strekte zich niet met zo veel woorden uit tot het uitoefenen van het stemrecht namens [C Stichting] (een externe vertegenwoordigingshandeling namens [C Stichting] ) in de algemene vergadering van Marrobel. Gelet op het tegenstrijdig belang dat ook hier bestond, ligt het ook niet voor de hand om aan te nemen dat [B] aan de algemene bewoordingen in de volmacht een vertegenwoordigingsbevoegdheid van [C Stichting] kon ontlenen. Daar komt bij dat de bevoegdheid tot het verlenen van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan een individuele bestuurder van [C Stichting] op grond van artikel 7 lid 3 van haar statuten toekomt aan het bestuur van [C Stichting] , niet aan individuele bestuurders (zie 3.4). Ook indien moet worden aangenomen dat [F] met de algemene volmacht mede heeft beoogd om [B] te machtigen namens Stichting [I] op te treden in de algemene vergadering van Marrobel, dan valt te betwijfelen of [F] daartoe op grond van de statuten van [C Stichting] wel bevoegd was. Daarom kan vooralsnog niet worden vastgesteld of het besluit om Natuurbouw Realisatie tot bestuurder van Marrobel te benoemen wel (geldig) is genomen. Bovendien valt te betwijfelen of [B] gelet op zijn tegenstrijdig belang bij de benoeming van Natuurbouw Realisatie wel voldoende zorgvuldigheid heeft betracht.
3.8
Tijdens dezelfde algemene vergadering van Marrobel van 22 december 2015 is besloten om een vordering van € 2.800.000 van [C Stichting] op Marrobel om te zetten in agio (zie 2.22). Wat betreft de geldigheid van dit besluit, rijst dezelfde twijfel als ten aanzien van de benoeming van Natuurbouw Realisatie. Ook is de achtergrond van deze omzetting nog altijd onduidelijk.
Betalingen en betalingsverplichtingen
3.9
De Ondernemingskamer plaatst verder vraagtekens bij de (besluitvorming die is voorafgegaan aan de) managementovereenkomsten met 3D (gecontroleerd door [O] ) en Pro Semper (gecontroleerd door [P] ). Onduidelijk is waarom deze overeenkomsten zijn aangegaan en welke managementdiensten 3D en Pro Semper ten behoeve van Marrobel hebben verricht. De (concept-)overeenkomsten hebben geleid tot substantiële betalingen aan beide vennootschappen. 3D heeft in totaal € 188.155 van Marrobel ontvangen; bij Pro Semper gaat het om € 90.857. In strijd met het bepaalde in artikel 14 lid 1, aanhef en onder p, van de statuten, respectievelijk met artikel 3.3, aanhef en onder (viii) van de overeenkomst van opdracht heeft [C Stichting] geen goedkeuring gegeven (zie 2.3 en 2.14); evenmin is gebleken dat zij hierover is geïnformeerd.
3.10
Ook is onduidelijk gebleven waarom [B] op 20 juni 2016 namens [C Stichting] en Marrobel aan [A] en [O] een machtiging heeft verleend om besprekingen en correspondentie met Van Lanschot te voeren (2.25). [B] was niet zelfstandig bevoegd [C Stichting] te vertegenwoordigen, terwijl hij op dat moment al was afgetreden als bestuurder van Marrobel. [B] c.s. wijzen weliswaar op een volmacht die [F] en [B] , gezamenlijk handelend op 20 januari 2017 namens [C Stichting] aan [A] met betrekking tot Van Lanschot hebben verleend, maar deze volmacht neemt de onduidelijkheid niet weg. In de eerste plaats heeft die volmacht geen betrekking op Marrobel, ten tweede dateert de volmacht van ná de machtiging van 20 juni 2016. Twijfel aan een juiste gang van zaken wordt verder versterkt tegen de achtergrond van de e-mail van 21 mei 2015 waarbij [P] kennelijk in verband met Van Lanschot-bank een scan van de handtekening van [F] aan (de secretaresse van) [A] deed toekomen (zie 2.20).
3.11
In het rapport van de belastingdienst wordt voorts opgemerkt dat in de periode 2013 tot en met 2015 in totaal € 1.171.522,12 is betaald aan [S] , een vennootschap die wordt gecontroleerd door [A] (zie 2.36). Onduidelijk is waarop dit bedrag betrekking heeft. Die onduidelijkheid wordt niet weggenomen door hetgeen [B] c.s. als verweer hebben aangevoerd. De omstandigheid dat [S] sinds 2004 werkzaamheden voor [C Stichting] en Marrobel verrichtte, vormt geen verklaring voor de betalingen van 2013 tot en met 2015. Voor zover [B] c.s. verwijzen naar een raamovereenkomst van opdracht uit 2012, gaat het om een document dat is getekend door [A] (namens [S] ) en door [B] (namens Marrobel). Ook hiervoor geldt dat niet is gebleken dat [B] daarbij de zorgvuldigheid heeft betracht die van hem mocht worden verwacht gelet op zijn tegenstrijdig belang. [B] c.s. hebben ook niet, bijvoorbeeld aan de hand van facturen die (bij benadering) optellen tot € 1.171.522,12, kunnen toelichten welke diensten Natuurbouw Realisatie in deze periode heeft verricht ten behoeve van Marrobel en/of de stichting.
3.12
Marrobel voert verder aan dat [B] eind 2016 een schuld aan Marrobel van € 2.237 had die blijkens de jaarrekening 2017 in dat jaar is opgelopen tot € 33.867. Volgens Marrobel blijkt uit nader onderzoek dat [B] ten onrechte heeft beweerd dat hij een factuur van € 11.109 voor Marrobel had betaald, met gevolg dat de schuld van [B] € 44.609 bedraagt. Marrobel heeft aangevoerd niet bekend te zijn met een leningovereenkomst of rekening-courantovereenkomst en een dergelijke overeenkomst is ook niet door [C Stichting] goedgekeurd zoals vereist op grond artikel 14.1.c van de statuten, respectievelijk artikel 3.3 (iii) van de overeenkomst van opdracht, aldus Marrobel. [B] c.s. voeren aan dat deze gang van zaken zich laat verklaren door de bijzondere feiten en omstandigheden rond Marrobel en [C Stichting] . Zij wijzen erop dat vanaf de oprichting van [C Stichting] in 2004 een rekening-courantverhouding in het leven is geroepen. Ook indien [B] c.s. daarin worden gevolgd, verklaart dit evenwel niet waarom de schuld in 2017 zo is opgelopen. Daarbij moet worden bedacht dat [B] op dit punt een tegenstrijdig belang had.
3.13
Vanaf eind 2016 is binnen [C Stichting] nagedacht over de statutaire inrichting, de samenstelling van het bestuur, de financiële aanspraken van de familie op het [I] vermogen en een mogelijke ANBI-status voor [C Stichting] . Daarbij hebben [A] en [O] advies ingeroepen van advocaat Molkenboer die daartoe voorstellen heeft uitgewerkt. In het midden kan blijven of de gang van zaken moet worden aangemerkt als een ‘couppoging’, zoals Marrobel heeft aangevoerd. Het gaat hier immers primair om een aangelegenheid binnen [C Stichting] . Toch roept de advisering door Molkenboer vragen op die in het kader van het enquêteverzoek van belang zijn. De adviezen van Molkenboer zijn namelijk niet aan [C Stichting] , maar aan Marrobel gericht. Molkenboer heeft aan Marrobel gefactureerd en is door haar betaald. In zoverre draagt de gang van zaken rondom de inrichting van [C Stichting] bij aan de twijfel omtrent de gang van zaken binnen Marrobel.
Boekhoudplicht
3.14
De belastingdienst heeft geconcludeerd dat controle in de administratie van (voor zover thans van belang) Marrobel niet (binnen redelijke termijn) of nauwelijks mogelijk is. In het kader van dit enquêteverzoek zijn eveneens vragen over de (financiële) administratie van Marrobel gerezen. Ook indien in aanmerking wordt genomen dat de administratie van Marrobel bij de brand in 2003 is verloren gegaan, verklaart dit niet waarom nadien geen behoorlijke administratie lijkt te zijn gevoerd.
Slotsom verzoek Marrobel
3.15
Naar het oordeel van de Ondernemingskamer levert het voorgaande (reeds) gegronde redenen op om te twijfelen aan juist beleid en een juiste gang van zaken van Marrobel in de periode vanaf 3 mei 2012 tot 20 september 2017. De Ondernemingskamer zal daarom een onderzoek bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel in die periode. De aan te wijzen onderzoeker zal daarbij mede de gang van zaken rondom het aangaan van verschillende huurovereenkomsten tot zijn onderzoeksterrein mogen rekenen. Ook zal de onderzoeker feiten en omstandigheden van na 20 september 2017 in zijn onderzoek mogen betrekken, voor zover deze naar zijn oordeel voortvloeien uit of verband houden met hetgeen zich tussen 2012 en 20 september 2017 heeft voorgedaan.
De verzoeken van [B] c.s.
3.16
[B] c.s. hebben subsidiair verzocht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel in de periode vanaf september 2017 tot aan de dag van de afronding van het onderzoek. Voorts verzoeken zij de Ondernemingskamer enkele onmiddellijke voorzieningen te treffen. Volgens [B] c.s. is in september geen sprake geweest van een ‘couppoging’ door [B] c.s., maar heeft juist een vooralsnog geslaagde ‘coup’ door de huidige bestuursleden van Marrobel en [C Stichting] , [J] , [K] en [L] plaatsgevonden. [B] c.s. wijzen erop dat de afstammelingen geen aanspraak meer op het [I] vermogen hebben en voeren aan dat onroerend goed ten gunste van Marrobel aan het vermogen van [C Stichting] is onttrokken (zie 2.42). Verder melden zij dat tot het vermogen van [C Stichting] en/of Marrobel buitenlandse tegoeden van ongeveer € 120 miljoen behoren en dat [B] c.s. onder oneigenlijke druk worden geplaatst.
3.17
Marrobel voert gemotiveerd verweer. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.
3.18
De Ondernemingskamer overweegt als volgt.
3.19
Marrobel voert terecht aan dat [B] c.s. in hun enquêteverzoek niet-ontvankelijk zijn omdat zij niet behoren tot de kring van enquêtegerechtigden. Zij zijn wel belanghebbenden bij het door Marrobel verzochte enquêteverzoek, zodat zij in die hoedanigheid bevoegd zijn om (a) zich uit te uitlaten over de aard en omvang van een eventueel te gelasten onderzoek en de periode waarop dat betrekking moet hebben (zoals [B] c.s. subsidiair hebben gedaan) en (b) op de voet van artikel 282 lid 4 Rv de Ondernemingskamer te verzoeken onmiddellijke voorzieningen te treffen (vgl. HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210 (ATR) en OK 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716 (De Gelderhorst)). Naar het oordeel van de Ondernemingskamer bestaat voldoende samenhang tussen de door [B] c.s. verzochte onmiddellijke voorzieningen en het door Marrobel ingediende enquêteverzoek, zodat [B] c.s. in zoverre in hun tegenverzoek kunnen worden ontvangen.
3.20
De Ondernemingskamer ziet in hetgeen [B] c.s. hebben aangevoerd geen reden om het onderzoek uit te breiden tot de periode vanaf september 2017 en de door [B] c.s. genoemde onderwerpen. De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
3.21
Het nieuwe bestuur van [C Stichting] bestaat, afgezien van [G] die op de voet van artikel 4 van de statuten van [C Stichting] als afstammeling namens de familie [I] in het bestuur zitting heeft, niet uit personen die zijn geconflicteerd doordat zij (of door hen gecontroleerde vennootschappen) diensten aan [C Stichting] of Marrobel verrichten. Het bestuur van [C Stichting] en de bestuurder van Marrobel genieten de steun van [G] , zo heeft zij ter zitting bevestigd. Onder leiding van het huidige bestuur van [C Stichting] is een aanvang gemaakt met de herbouw van Zionsburg, heeft [C Stichting] de ANBI-status verkregen en wordt in nauwe samenspraak met de belastingdienst getracht de administratie op orde te krijgen. Er is ook voor het overige geen reden om de gang van zaken bij de [C Stichting] vanaf september 2017 te betrekken in het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel. Of [C Stichting] of Marrobel daadwerkelijk aanspraak kan maken op grote tegoeden in het buitenland, valt op dit moment nog niet met zekerheid te zeggen. Ook indien komt vast te staan dat [C Stichting] of Marrobel inderdaad aanspraak kan maken op buitenlands vermogen, noopt dit niet tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen. De omstandigheid dat een tuchtklacht tegen Molkenboer is ingediend en dat een verzoekschrift op grond van art. 2:23c BW is ingediend, vormt evenmin grond voor uitbreiding van de reikwijdte van het onderzoek of het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
3.22
[B] c.s. verzoeken voorts dat Marrobel wordt veroordeeld om afschriften te verschaffen van de bestuurdersaansprakelijkheidspolis en polisvoorwaarden, van de contactgegevens van de assurantietussenpersoon en de melding door Marrobel bij haar verzekeraar, respectievelijk de assurantietussenpersoon. Naar [B] c.s. aanvoeren, is het denkbaar dat zij als voormalig bestuurders van Marrobel begunstigden van deze verzekering zijn en dat hun kosten van verweer in deze enquêteprocedure door de polis worden gedekt.
3.23
In reactie op dit verzoek heeft Marrobel kopieën van diverse stukken betreffende haar bestuurs- en toezichthoudersaansprakelijkheidsverzekering in het geding gebracht, waaronder verscheidene polisvoorwaarden en aanhangsels daarbij en correspondentie met haar assurantietussenpersoon. Ter zitting hebben [B] c.s. zich bereid verklaard tot intrekking van hun vordering (verzoek) op basis van de aanname dat [B] c.s. niet in de kosten worden veroordeeld. De Ondernemingskamer begrijpt deze bereidverklaring niet als een onvoorwaardelijke intrekking van deze vordering (dit verzoek) zodat ervan moet worden uitgegaan dat het is gehandhaafd.
3.24
[B] c.s. hebben in het licht van de stukken die Marrobel reeds heeft verstrekt onvoldoende toegelicht welk belang zij in dit verband nog hebben. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Slotoverwegingen
3.25
Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Marrobel. De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel gelasten in de periode vanaf 3 mei 2012 tot 20 september 2017, waarbij ook gebeurtenissen na 20 september 2017 die betrekking hebben op voormelde gegronde redenen bij het onderzoek betrokken kunnen worden.
3.26
De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen onderzoeker ten laste brengen van Marrobel. De Ondernemingskamer zal het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten niet aanstonds vaststellen. De Ondernemingskamer zal de onderzoeker vragen om binnen twee maanden na de datum van deze beschikking een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te zenden. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het bedrag vaststellen dat het onderzoek ten hoogste mag kosten.
3.27
Voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen is geen grond.
3.28
De Ondernemingskamer zal [B] c.s. als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding.
4. De beslissing
De Ondernemingskamer:
beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Marrobel B.V. over de periode vanaf 3 mei 2012 tot 20 september 2017;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;
draagt de onderzoeker op om binnen twee maanden na de datum van de aanwijzingsbeschikking een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te zenden en houdt de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten aan;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Marrobel B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;
benoemt mr. A.J. Wolfs tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;
veroordeelt Natuurbouw Realisatie B.V, [A] en [B] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Marrobel B.V. begroot op € 3.963;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.J. Wolfs en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en drs. P.R. Baart en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2020.