Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.4.5.2
3.4.5.2 Of een nog lichter begrip?
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS591612:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Meijers 1932, p. 570 noemt dit de ‘nominalistische leer’ en wijst erop dat deze leer mede met de naam van Jhering is verbonden.
Overgenomen uit Houwing 1939, p. 100.
J. Eggens, aangehaald in Groot 1988, p. 55.
Code des sociétés commenté 2009, C.com., art. L. 236-3, aant. 5 quater.
Cozian, Viandier & Deboissy 2012, nr. 1001.
Pitlo/Raaijmakers 2000, p. 18 en 111; Raaijmakers 2002a, p. 686 (VOF is rechtspersoon) en p. 690 (gezamendehandse gemeenschap).
Raaijmakers 1999, p. 21; Pitlo/Raaijmakers 2000, p. 18 (openbare maatschap is rechtspersoon) p. 111 (VOF is rechtspersoon) en p. 6 (rechtspersoonlijkheid in de zin van art. 2:5 BW); Raaijmakers 2003a, p. 31/32; Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 85 (over de OV uit het Ontwerp- Maeijer); Raaijmakers 2015a, en dezelfde schrijver in verschillende andere publicaties. Instemmend: Hamers 2009, p. 158.
Raaijmakers 2010a, p. 19; zie ook Raaijmakers 2010, p. 30.
Zie 3.3.3.2 en 3.4.4 (VOF).
Ontwerp-Maeijer, oorspronkelijke versie van art. 807, Kamerstukken II 2002-2003,28 746, nr. 2.
Dat deze gedachte inderdaad aan het oorspronkelijk Ontwerp-Maeijer ten grondslag lag, kan niet worden afgeleid uit art. 804 lid 2 (buiten titel 7.13 BW heeft ‘rechtspersoon’ een andere betekenis), want die bepaling is pas ingevoegd na aanpassing van de aangehaalde passage in art. 807.
Maeijer 2003a, p. 7.
Ontwerp-Maeijer, art. 802 lid 2. Vgl. 3.4.5.1 met betrekking tot het Ontwerp-Van der Grinten.
De term ‘leer van de collectieve eigendom’ is gevallen. Sommige schrijvers gaan uit van een nog lichter begrip rechtspersoon dan ik zojuist heb verdedigd. Molengraaff meende dat de verenigde leden eigenaar waren van de in naam van een vereniging verkregen goederen, maar ook dat de vereniging rechtspersoon was.1 Dat Molengraaff deze ruimere opvatting over rechtspersoonlijkheid huldigde, hoeft niet te verbazen. Hij was een volger van de Franse jurist Planiol (1853-1931), die heeft gezegd :2“Pour moi, la personnalité fictive n’est pas une addition à la classe des personnes: c’est une manière de posséder les biens en commun, c’est une forme de propriété.” Deze schrijvers zien de begrippen rechtspersoon en collectieve eigendom dus als twee verenigbare begrippen. Ook de opvatting van Eggens, dat bij de VOF het onderscheid tussen rechtspersoon en gezamendehand irrelevant is, omdat beide begrippen in wezen voor hetzelfde staan, te weten: eenheid (in veelheid),3 past in dit beeld. In deze lijn van denken is begrijpelijk dat de Rechtsfähigkeit van de Duitse OHG in Frankrijk op één lijn wordt gesteld met het in dat land vigerende begrip rechtspersoon.4 De Fransen zijn vrij snel met het toekennen van rechtspersoonlijkheid. Zo wordt in Frankrijk rechtspersoonlijkheid (personnalité morale) toegeschreven aan gezamenlijke obligatiehouders.5
Een dergelijke ruime benadering van het begrip rechtspersoon komt terug bij Raaijmakers. In diens voorstelling zijn openbare maatschap en VOF rechtspersoon, maar is tegelijkertijd sprake van een vennootschappelijke gemeenschap.6 Volgens Raaijmakers gaat het hierbij zelfs om rechtspersoonlijkheid in de zin van artikel 2:5 BW.7
Ik vind dit ruime gebruik van het woord rechtspersoon verwarrend en daarom niet functioneel. Raaijmakers noemt het begrip rechtspersoon ‘te amorf’ en vindt het ‘daarom volstrekt ongeschikt om richting te geven aan wetgeving’.8 Mijn zoëven gegeven omschrijving van ‘rechtspersoon’ ondervangt dit probleem; volgens mij wordt het begrip ‘rechtspersoon’ te amorf, te ongenuanceerd als men het te ruim opvat, althans onvoldoende precies definieert. In Raaijmakers’ terminologie is de rechtsbevoegde VOF, zoals ik die heb geschetst,9 rechtspersoon. Volgens mij is zij dat niet.
Het is verleidelijk te denken dat de ruime benadering van Raaijmakers en zijn voorgangers ten grondslag kan hebben gelegen aan de oorspronkelijke versie van het Ontwerp-Maeijer, waarin aan iedere vennoot van een OVR werd toebedacht: een ‘aandeel in de goederen waartoe de vennootschap als rechtspersoon gerechtigd is’.10 Ook hier leken rechtspersoonlijkheid en gemeenschap samen te gaan.11 De ontwerper heeft de passage later ‘ongelukkig’ genoemd en vervangen door een verwijzing naar ‘aandeel in de vennootschap die rechtspersoon is’.12 Voor het rechtspersoonlijkheidsbegrip van het Ontwerp-Maeijer is verder relevant dat de organisatieregels van titel 1 van Boek 2 BW niet van toepassing waren.13 Uiteindelijk viel de ‘rechtspersoon’ uit het Ontwerp- Maeijer dus onder de reikwijdte van het ‘lichte’ begrip rechtspersoon dat ik hierboven heb verdedigd, en niet onder het nog lichtere begrip van Raaijmakers.