Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/4.2.1.2
4.2.1.2 Strafrechter/inspecteur versus wetgever
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469267:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Schoep, p. 199.
Zie bijvoorbeeld het initiatiefwetsvoorstel inzake de invoering van minimumstraffen voor bepaalde geweldsdelicten (Kamerstukken II, vergaderjaar 2005-2006, 28 640) en het wetsvoorstel ‘minimumstraffen voor recidive bij zware misdrijven’ (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011-2012, 33 151).
Zie voor een overzicht van de kritiek onder meer Janssen, Koekebakker en Sikkel, ‘Strafrechters over het wetsvoorstel minimumstraffen voor recidive bij zware misdrijven’, Een oordeel van de werkvloer!’, NJB 2012/823 en Schoep, ‘Van terughoudendheid naar directief. Wetgevingsdiscours dat raakt aan de vrijheid van de rechter bij straftoemeting’, DD 2009/59.
Dit wordt ook verplicht door artikel 5:46, lid 1 Awb. Overigens heeft de Raad van State in het verleden kritiek geuit op het gebruik van relatieve boetemaxima (zie Kamerstukken II, vergaderjaar 1993-1994, 23 470, B, p. 13 e.v.). Het commune strafrecht hanteert bij de geldboetecategorieën van artikel 23 Sr i.t.t. het fiscale bestuurlijke boetestelsel absolute boetemaxima. De strafmaxima van de fiscaal strafrechtelijke misdrijven daarentegen (artikel 69 AWR) zijn wel gekoppeld aan het causale belastingnadeel (‘ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting’).
In onderdeel 5.4.3.8 wordt nader ingegaan op specifieke boetematigende regelingen in de AWR zoals de inkeerbepaling van artikel 67n AWR.
Waarbij de inspecteur zich overigens heeft te houden aan de wet zoals deze door de bestuursrechter wordt geïnterpreteerd.
Aangezien de hoogte van de fiscale bestuurlijke boeten niet door de wetgever is vastgesteld – het zijn ‘kan’-bepalingen die de inspecteur een beoordelingsmarge laten – is dit voorschrift van toepassing op de wijze waarop de inspecteur fiscale bestuurlijke boeten oplegt.
Zo ook Haas/Jansen, p. 93.
‘Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken’ (zie www.rechtspraak.nl).
Uit Hof Den Bosch 11 december 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:5187) kan overigens worden afgeleid dat ook van niet-gepubliceerd (intern) beleid een normatieve werking uitgaat.
Zij bijvoorbeeld: Besluit van de Minister van Financiën van 22 oktober 2010, nr. BJZ 2010-390M, Stcrt. 2010, nr. 21241.
Feteris, M.W.C., 2007, p. 25.
Zie hierover o.a. De Blieck e.a., p. 14-16.
Zie bijvoorbeeld de verhoogde vergrijpboeten in geval van verzwijging van box 3-inkomen (paragraaf 26, lid 10 en paragraaf 27, lid 6 BBBB) en het striktere boetebeleid inzake overtredingen met betrekking tot het privégebruik-auto (paragraaf 24, lid 4 en lid 5 (laatste volzin) en paragraaf 28, lid 6 en 7 BBBB).
Zie ook de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Awb (zie verder hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.3.3).
Zie verder onderdeel 6.2.3.3 over het evenredigheidsbeginsel van o.a. artikel 4:84 Awb.
De Blieck e.a., p. 48-50.
De Nederlandse strafrechter heeft bij de straftoemeting een grote mate van vrijheid gekregen van de wetgever. Het Wetboek van Strafrecht bepaalt slechts het maximum van de straf. Daarmee is het klassieke stelsel van Montesquieu verlaten. Volgens dit stelsel, dat een product is van de Franse Revolutie en moest voorzien in een grote behoefte aan rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, werd de rechter geacht op te treden als ‘bouche de la loi’ (spreekbuis van de wet). De strafmaat werd voornamelijk door de wet voorgeschreven.1
In ons huidige wettelijke stelsel is het juist de strafrechter die een hoofdrol speelt bij het op maat maken van de straf. Dat neemt overigens niet weg dat de wetgever wel maatregelen kan nemen die de straftoemeting door de rechter kunnen beïnvloeden bijvoorbeeld door strafmaxima te verhogen of te verlagen. Recente wetsvoorstellen op het gebied van absolute strafminima2 en het uitsluiten van oplegging van (lichte) taakstraffen3 konden rekenen op stevige, fundamentele kritiek.4 De volgende passage uit een advies van de Raad van State maakt mijns inziens voldoende duidelijk dat de vrijheid – en daarmee de onafhankelijkheid – van de strafrechter ten opzichte van de wetgever op het gebied van straftoemeting als een groot goed wordt gezien:
“Deze substantiële verstoring wordt gevormd door de combinatie van drie elementen, te weten a) het feit dat bij de eerdere veroordeling niet de in het individuele geval opgelegde straf maar uitsluitend het wettelijke maximum relevant is, b) de absoluutheid van de hoogte van de voorgeschreven minimumstraf en c) de beperkte mogelijkheid voor de rechter om daarvan af te wijken. […] De Afdeling concludeert dat de combinatie van de drie genoemde onderdelen van het voorstel leidt tot een zodanige substantiële verstoring van het evenwicht tussen wetgever en rechter dat deze in deze vorm als zeer onwenselijk moet worden beschouwd.”5
Hoe onafhankelijk is de inspecteur ten opzichte van de wetgever daar waar het de straftoemeting van bestuurlijke boeten betreft? In de materiële boetebepalingen van de AWR wordt de inspecteur een met de strafrechter te vergelijken ruimte gegeven. De boetebepalingen zijn verder zonder uitzondering ‘kan’-bepalingen: de inspecteur is niet verplicht om een geconstateerde normoverschrijding te beboeten. De AWR bepaalt enkel de boete die de inspecteur ten hoogste mag opleggen door te verwijzen naar absolute of relatieve boeteplafonds.6 De ruimte waarbinnen de inspecteur zich kan begeven, is door de wetgever dus op een met het strafrecht vergelijkbare wijze afgeperkt.7 , 8
De wijze waarop de inspecteur binnen de wettelijke marges vervolgens de boete moet toemeten, is beschreven in artikel 5:46, lid 2 Awb:
Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.9
Deze bewoordingen lijken veel op de (standaard)motivering van de strafmaat in vonnissen door strafrechters op grond van artikel 359, lid 5 Sv (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.3.1).10 Strafrechters besluiten hun vonnissen namelijk vaak onder verwijzing naar ‘de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een en ander zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken’. Naar mijn mening heeft de wetgever dan ook in het tweede lid van artikel 5:46 Awb het (ongeschreven) strafrechtelijke proportionaliteitsbeginsel voor bestuurlijke boeten gecodificeerd (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.3.4).
Maar ook al lijken de bewoordingen van artikel 5:46 Awb op de wijze waarop rechters hun vonnissen motiveren, het verschil is evident. Voor de straftoemeting van bestuurlijke boeten bevat de Awb een expliciete, wettelijke instructienorm voor individuele straftoemeting, terwijl in het strafrecht deze norm voornamelijk uit de rechtspraak moet worden afgeleid.
Oriëntatiepunten versus beleid(sregels)
De strafrechter hanteert bij de straftoemeting bij bepaalde delicten een aantal uitgangspunten, de zogeheten ‘oriëntatiepunten’. Deze uitgangspunten zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en zijn bedoeld ‘ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging’.11 Hoewel de oriëntatiepunten extern gepubliceerd worden – belanghebbenden kunnen er dus kennis van nemen – vormen ze geen recht in de zin van artikel 79 Wet RO. Dit betekent dat de strafrechter niet door de Hoge Raad op toepassing van deze uitgangspunten in rechte kan worden aangesproken; het zijn slechts handreikingen voor de strafrechter ter bepaling van de straf.
Ook de inspecteur heeft te maken met een aantal instructies bij het bepalen van de hoogte van de boete. Deze instructies zijn over het algemeen vervat in beleidsregels, zoals het BBBB, die in de Staatscourant worden gepubliceerd.12 De belastingplichtige kan de inspecteur aanspreken op toepassing van dat beleid op grond van algemene beginselen en/of artikel 4:84 van de Awb. Met andere woorden, de inspecteur is verplicht om beleidsvoorschriften na te leven. Daarom wordt beleid ook wel pseudowetgeving genoemd. Dit gegeven is relevant voor de vraag in welke mate de inspecteur onafhankelijk is ten opzichte van degene die het beleid uitvaardigt.
Verhouding tussen inspecteur en beleidsmaker
De inspecteur maakt onderdeel uit van de Belastingdienst die op zijn beurt onder het gezag staat van de Minister van Financiën (artikel 2, lid 2 UR BD). De Minister heeft zijn bevoegdheden met betrekking tot fiscale aangelegenheden aan de staatssecretaris van Financiën overgedragen.13 De staatssecretaris heeft op grond van artikel 4:81 Awb de bevoegdheid om beleidsregels uit te vaardigen voor de uitvoering van de belastingwet, waaronder het opleggen van bestuurlijke boeten.14 Zoals gezegd is de inspecteur gehouden aan deze beleidsregels. Bezien vanuit de positie van de inspecteur fungeert de staatssecretaris dus als een soort wetgevingsinstantie, een pseudowetgever.
In een aantal gevallen heeft de inspecteur de bevoegdheid om af te wijken van het beleid. De ruimte om deze ‘inherente afwijkingsbevoegdheid’ toe te passen is echter beperkt (zie ook hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.3.3).
Pseudowetgeving m.b.t. straftoemeting van fiscale bestuurlijke boeten
Het fiscale bestuurlijke boetebeleid is, zoals gezegd, grotendeels neergelegd in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). Op grond van artikel 4:84 Awb is de inspecteur gebonden aan dit BBBB.15 In het eerste lid van paragraaf 6 BBBB, dat de titel ‘Straftoemeting’ draagt, staat echter het volgende:
Bij het opleggen van een boete gaat de inspecteur uit van de percentages of bedragen vermeld in dit besluit. Het opleggen van een boete is een vorm van straftoemeting. Daarom houdt de inspecteur rekening met omstandigheden die aanleiding geven tot een hogere of een lagere boete dan op grond van de percentages of bedragen van dit besluit kan worden opgelegd. Deze omstandigheden […] vormen het sluitstuk van de behoorlijke straftoemeting bij bestuurlijke boeten. Gelet hierop is de inspecteur bij de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de boete dus niet gebonden aan vaste bedragen of percentages. […]
De pseudowetgever geeft de inspecteur dus in beginsel een hoge mate van vrijheid om de finale boetebeslissing af te stemmen op de ernst van het individuele geval. Ook in gevallen waarin het BBBB minimumboeten16 of een verscherpt standaardboeteregime17 voorschrijft, is de inspecteur daaraan niet gehouden.18 De inspecteur lijkt daarmee een relatief onafhankelijke positie in te nemen ten opzichte van de pseudowetgever.
In de individuele straftoemetingsparagrafen van het BBBB (de paragrafen 6 tot en met 8) zijn echter ook passages terug te vinden die wijzen op het tegendeel. Zo bevat het BBBB ‘harde’ matigingsvoorschriften in geval van inkeer.19 Ook wordt voorgeschreven dat de absolute hoogte van de boete op zichzelf geen aanleiding vormt om de boete te verminderen.20 Een ander voorbeeld heeft betrekking op matiging in verband met slechte financiële omstandigheden. Zo mag de inspecteur slechts tot matiging overgaan ‘in bijzondere gevallen’ en dient hij hierbij ‘kritisch’ te werk te gaan.21 Ook wordt de inspecteur geacht niet tot matiging over te gaan, wanneer de belastingplichtige de slechte financiële omstandigheden aan zichzelf te wijten heeft.22
Deze voorbeelden van directieve beleidsvoorschriften zien op strafverminderende omstandigheden. In paragraaf 8 van het BBBB geeft de staatssecretaris echter ook bindende gedragsvoorschriften voor strafverzwarende omstandigheden. Zo móet de inspecteur rekening houden met recidive23 en is strafverhoging op grond van paragraaf 8 van het BBBB van verzuimboeten uitgesloten.24
Gezien het voorgaande kom ik tot de conclusie dat de staatssecretaris door het formuleren van directieve straftoemetingsinstructies rechtstreeks invloed uitoefent op het eindoordeel van de inspecteur. De inspecteur is immers gehouden aan de door de pseudowetgever ter zake uitgevaardigde beleidsregels, waardoor hij kan worden beperkt in zijn vrijheid om de boete op de juiste hoogte te bepalen. Dit kan frictie opleveren bij de onafhankelijke oordeelsvorming.
Hoewel ik me kan voorstellen dat de staatssecretaris in het kader van het gelijkheidsbeginsel de inspecteur richtlijnen wil meegeven voor het individuele straftoemetingsproces – vergelijkbaar met de oriëntatiepunten die de strafrechter hanteert – kan de wijze waarop het fiscale straftoemetingsbeleid nu op bepaalde punten in het BBBB is vormgegeven de inspecteur te zeer beknotten. Immers is de inspecteur degene die direct in contact staat met de belastingplichtige, waardoor hij het best in staat is onderzoek te doen naar relevante strafverminderende en strafverzwarende omstandigheden en om vervolgens een afgewogen boete-oordeel te vellen. Hij zou naar mijn mening dan ook alle vrijheid moeten hebben om tot een evenredige boetebeslissing te kunnen komen.25 Het zou naar mijn mening dan ook wenselijk zijn als de straftoemetingsbepalingen van paragraaf 7 en 8 van het BBBB omgevormd zouden worden naar handreikingen met (slechts) een instructief karakter en dat het geen ‘harde’ gedragsvoorschriften zijn.
De staatssecretaris heeft ook de bevoegdheid om in het algemeen of in een afzonderlijk geval instructies te geven aan de inspecteur (artikel 10:22 Awb).26 Mede in het het licht van het onafhankelijkheidsbeginsel lijkt het mij raadzaam dat de staatssecretaris extra zorgvuldigheid betracht bij het geven van instructies ter zake van straftoemeting in individuele boetezaken.