De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/10.4.1:10.4.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/10.4.1
10.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369746:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 10.2.5 en 10.3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De grens aan het opzijzetten van regels bij het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen ligt besloten in de grondslag daarvan, de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 2 BW.1 Hierna zullen deze grenzen verkend worden.
Eerst wordt echter opgemerkt dat het tot ongerijmde resultaten zou leiden, indien de ondernemingskamer alle dwingendrechtelijke regels opzij zou kun-nen zetten. Ter illustratie daarvan geldt het volgende voorbeeld.
Aan het eind van 2015 heeft de Nederlandse Staat een deel van haar certificaten van aandelen in de eerder genationaliseerde bank ABN AMRO Group N.V. (“ABN AMRO”) naar de beurs gebracht. Aan deze beursgang ging veel discussie vooraf. Met het oog op wat er voor de nationalisatie (vermeend) was misgegaan met (rechtsvoorgangers) van ABN AMRO werd in sommige kringen een hernieuwde beursnotering met lede ogen aangezien. Mede ter voorkoming van een herhaling daarvan werd voorafgaand aan de beursgang het enquêterecht toegekend aan de ondernemingsraad van ABN AMRO. Stel nu, dat de ondernemingsraad zich direct achter de tegenstan-ders van de beursgang had gesteld en naar de ondernemingskamer was gestapt ten einde de beursgang van ABN AMRO te voorkomen. Had de ondernemingskamer dan bij wijze van onmiddellijke voorziening de verantwoordelijke minister (van Financiën) kunnen schorsen en tijdelijk een minister van Financiën kunnen aanstellen? En had de ondernemingskamer daaraan kunnen toevoegen dat geen cassatie openstond tegen de desbetreffende beschikking? Het lijkt mij ongerijmd als dat zou kunnen. Er staan ook behoorlijk wat de dwingendrechtelijke regels aan dergelijke onmiddellijke voorzieningen in de weg, zoals art. 43 Grondwet, de regel dat de hogere regel (Grondwet) niet opzij gezet kan worden door een lagere regel (art. 2:349a BW) en art. 2:359 lid 1 BW. Indien dwingend recht echter geen belemmering vormt voor de ondernemingskamer valt evenwel niet in te zien waarom de ondernemingskamer niet dergelijke onmiddellijke voorzieningen zou kunnen treffen. Dat illustreert dat de door Hoge Raad gebezigde woorden dat de ondernemingskamer op de voet van art. 2:349a lid 2 BW ‘iedere voorziening van tijdelijke aard’ kan treffen niet letterlijk kunnen worden genomen.