Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/38:38 Beslissing HR
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/38
38 Beslissing HR
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS508961:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 juni 2007, NJ 2007/353 (Waterschappen/Milieutech), r.o. 4.5.
HR 29 juni 2007, NJ 2007/353 (Waterschappen/Milieutech), r.o. 4.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad is het met de AG eens en oordeelt allereerst over de grondslag van de herroepingsvordering van de Waterschappen, waarvan thans in cassatie de vraag centraal staat of het instellen daarvan misbruik van procesrecht vormt, als volgt:
‘De grondslag van deze vordering is weliswaar in de tweede herroepingsprocedure niet als juist aanvaard, doch daaruit volgt niet dat de Waterschappen ten opzichte van Milieutech misbruik van procesrecht hebben gemaakt of onrechtmatig hebben gehandeld door deze procedure te voeren. Daarvan zou pas sprake kunnen zijn als de Waterschappen hun vordering hadden gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kenden of hadden behoren te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moesten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden, zoals het hof in rov. 4.7 en 4.8 van zijn tussenarrest – in cassatie onbestreden gelaten – in enigszins andere bewoordingen had vooropgesteld.’1
De Hoge Raad komt tot de volgende conclusie:
‘De gedingstukken laten (…) geen andere conclusie toe dan dat de Waterschappen in de tweede herroepingsprocedure een vordering hebben ingesteld waarvan niet kan worden aangenomen dat deze op voorhand geheel kansloos was. De daaraan ten grondslag liggende feiten en conclusies zijn ontleend aan een beargumenteerd en gedocumenteerd rapport, dat is gebaseerd op een professioneel uitgevoerd onderzoek van gegevens waarover de Waterschappen niet eerder hebben kunnen beschikken en welke gegevens aanleiding konden geven de juistheid van wat in de arbitrageprocedure door Milieutech hieromtrent naar voren was gebracht, in twijfel te trekken. In de gedingstukken hebben de Waterschappen ruimschoots toegelicht waarom zij van mening zijn dat Milieutech zich van deze onjuistheid bewust moet zijn geweest en op grond waarvan van misleiding sprake is geweest. In dit verband verdient in het bijzonder nog opmerking dat, zoals het hof in rov. 3.2 van zijn eindarrest heeft overwogen, aan STVM de meetgegevens, waaruit de onjuistheid van de door Milieutech ingenomen stelling zou kunnen volgen, steeds ter beschikking hebben gestaan; de Waterschappen hebben dit vaststaande feit als belangrijke aanwijzing gebruikt ter adstructie van hun stelling dat dan ook Milieutech daarvan op de hoogte moet zijn geweest. Het voorgaande brengt mee dat geen ruimte bestaat voor het oordeel dat de Waterschappen misbruik hebben gemaakt van hun in de wet toegekende processuele bevoegdheid door te dezer zake nogmaals het oordeel van de burgerlijke rechter te vragen.’2