Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/40
40 Op voorhand kansloze vordering
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS510154:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Mon. BW A4 (Schrage) 2007, p. 69.
HR 6 april 2012, NJ 2012/233 (DUKA/Achmea).
HR 6 april 2012, NJ 2012/233 (DUKA/Achmea), r.o. 5.1-5.2.
Zie voor een sprekend voorbeeld Hof Leeuwarden 17 maart 1999, NJ 2000/27. In deze zaak komt een terminologische kwestie aan de orde en oordeelt het Hof dat er een verschil in waardering bestaat tussen ‘volstrekt kansloze procedures’ en ‘weinig kansrijke’ procedures. De eerste soort leidt wel tot de conclusie dat sprake is van misbruik, de tweede niet. Rechtbank Groningen 23 november 2011 ECLI:NL:RBGRO:2011:BV3541, heeft geconcludeerd dat het innemen en hardnekkig volhouden van een bij voorbaat kansloze stellingname misbruik van procesrecht vormt.
De belangrijke schakel hier is de toevoeging op voorhand. Het instellen van een vordering in rechte kan misbruik van procesrecht opleveren, maar daarvoor is vereist dat op voorhand aan de eiser duidelijk is dat deze kansloos is. Dit geldt uiteraard ook voor incidentele vorderingen die worden ingesteld op basis van stellingen waarvan de eiser in het incident moest begrijpen dat deze kansloos waren.1 Zodra de kansloosheid of zinloosheid van de desbetreffende processuele stap ook maar enigszins afhangt van ontwikkelingen in de loop van de procedure, zal de desbetreffende processuele stap aanmerkelijk minder snel als misbruik kunnen worden aangemerkt. Hierbij speelt ook een rol de terughoudendheid die geboden is bij het beoordelen van misbruikargumenten. De rechten en bevoegdheden die het procesrecht erkent mogen niet zomaar worden ingeperkt, omdat de uitoefening ervan op bezwaren stuit.2 Die terughoudendheid is door de Hoge Raad onderstreept in een arrest over vermeende verzekeringsfraude.3 In die zaak weigerde verzekeraar Achmea brandschade in een café van vennootschap A te vergoeden, stellende dat de brand was gesticht in opdracht van de enig bestuurder en aandeelhouder van vennootschap A (B). De door vennootschap A gevorderde verklaring voor recht dat Achmea de schade moet vergoeden is door rechtbank en Hof afgewezen. Rechtbank en Hof hebben tevens vastgesteld dat Achmea is geslaagd in het bewijs dat de brand inderdaad is gesticht in opdracht van de bestuurder B. De vraag is gerezen of, zoals Achmea in reconventie vordert, hiermee vaststaat dat vennootschap A de procedure tot verkrijging van een verklaring voor recht zonder grond heeft aangespannen en daarom gehouden is alle door Achmea gemaakte kosten te vergoeden. De Hoge Raad heeft naar de maatstaf uit Waterschappen/ Milieutech verwezen en geconcludeerd dat deze vordering van Achmea slechts in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen kan worden toegewezen. Hiervan kan eerst sprake zijn indien eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. Vervolgens heeft de Hoge Raad de opvatting van Achmea verworpen dat het enkele feit dat is vast komen te staan dat de brand in opdracht van bestuurder B is gesticht, zonder meer meebrengt dat tevens moet worden aangenomen dat vennootschap A voorafgaande aan de procedure wist dat de vordering was gebaseerd op feiten en omstandigheden die niet juist waren en dat reeds daarom sprake is van een onrechtmatig handelen van A. Het feit dat rechtbank en Hof voldoende bewezen hebben geacht dat de brand is gesticht in opdracht van bestuurder B, brengt immers niet zonder meer mee dat ook de vereiste mate van zekerheid is verkregen over het gestelde misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van de procedure, gelet op de bedoelde terughoudendheid die in dat kader in acht dient te worden genomen.4
Gezien de feitelijke achtergrond van de zaak – de bestuurder van een vennootschap heeft met het oog op toucheren van de uitkering van de verzekeraar opdracht gegeven tot het in de as leggen van zijn eigen café – lijkt de conclusie gewettigd dat de Hoge Raad zeer terughoudend omspringt met het oordeel dat het instellen van een vordering misbruik van procesrecht vormt. In de lagere rechtspraak wordt deze terughoudendheid gevolgd, al blijft de concrete beslissing over misbruik afhangen van de omstandigheden van het geval.5