Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/3.4.2
3.4.2 Criteria voor toewijzing
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS598440:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hodges 2001, p. 34, Mildred 2000, p. 414.
Mildred 2000, p. 454 jo 414 jo 425 noot 3. Een niet-ontvankelijkverklaring wegens misbruik van procesrecht is een instrument dat de rechter thans in het kader van zijn case management ter beschikking staat: Rule 3.4 (2) (b) en Part 24. Mildred 2000, p. 454-5. Hodges 2001, p. 102-8 behandelt de hierop betrekking hebbende rechtspraak uitvoerig.
The Court of Appeal heeft twee keer daaraan overwegingen gewijd, terwijl de eerste van de twee uitspraken naar Straatsburg is gegaan, maar helaas niet tot een werkelijke uitspraak van het EHRM heeft geleid: Mildred 2000, p. 455, AB v John Wyeth & Brother Ltd (No 2), 1994, 5 Med LR 149, AB v John Wyeth & Brother Ltd (1997) 8 Med LR 57.
AB v John Wyeth & Brother Ltd (No 2), 1994, 5 Med LR 149, p. 153.
Mildred 2000, p. 455.
Mildred 2000, p. 455.
PD 2.3, Mildred 2000, p. 414.
Hodges 2001, p. 39.
De rechter is vrij om een GLO-verzoek al dan niet te honoreren. Het is onduidelijk welke omstandigheden de rechter bij deze beslissing in aanmerking dient te nemen. Gelet op de gelaagde structuur van de CPR, wordt in de literatuur verdedigd dat Part 1 hierbij van belang is en vooral de vraag in hoeverre een uitvaardiging van een GLO bevordert dat het overriding objective van de CPR wordt gerealiseerd. Dat wil zeggen in hoeverre `justice to the parties' wordt gedaan door toepassing van de regeling en in hoeverre kosten worden bespaard, een en ander met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel.1 In dat kader is met andere woorden van belang of toepassing van Part 1 9.III tot een aanpak leidt die uit proceseconomisch oogpunt aantrekkelijk (`economically viable') is.
Al in rechtspraak die stamt uit het pre-Woolf tijdperk, werd gebruik gemaakt van kosten-baten analyses bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van multi- party acties met het oog op een eventueel 'misbruik van procesrecht' (abuse of proces) ten opzichte van de verweerders en de gerechten.2 Dat is niet zonder slag of stoot gegaan3 en indien men de onderliggende redenering doorneemt, is dat enigszins invoelbaar:
`In most cases it will be quite inappropriate for the court to enter upon the sort of cost benefit analysis which the judge undertook here. The court cannot weigh the plaintiff s prospect of receiving £ 1,000 against the defendants' costs of £ 10,000 which may be irrecoverable (...) alternatively it is a matter for the commercial judgement of the defendant
whether he attempts to reach a settlement with the plaintiff.... But this case is quite different. One can see at glance that the (...) defendants will be put to astronomical expense in defending these contingent claims. And to what end? If the plaintiffs stood to obtain a substantial benefit, the position might well be different. But here the benefit is at best extremely modest and in all probably nothing. That involves great injustice to the defendants. It is no answer that there are public authorities or insurance associations which are footing the bili. The National Health Service (één van de verweerders; int) has better things to spend its money on than lawyers' fees and the cost of medical insurance is a matter of public concern'4
Eén van de voornaamste argumenten van de critici lijkt te zijn dat verschillende beoordelingsmaatstaven worden aangelegd voor individuele en voor multi-party acties. Ze stellen dat niet valt in te zien waarom het de eigen 'commerciële' beslissing van de verweerder die geconfronteerd wordt met een individuele actie zou moeten zijn om al dan niet een schikking te treffen voor een claim die zwak (unmeritorious) zou kunnen zijn, terwijl de verweerder in een groepsactie de hulp van de rechter nodig heeft om zich van multi-party actions te ontdoen die niet overduidelijk ongegrond zijn.5
De rechtvaardiging voor de hantering van de proceseconomische maatstaf wordt thans vooral gezocht in de opdracht aan de rechter om bij te dragen aan de realisatie van het overriding objective van de CPR. De kosten-baten maatstaf maakt daarvan deel uit en geldt nu voor alle en niet slechts voor multi-party actions. Daarnaast kan elke partij daar in beginsel 'aanspraak' op maken, hetgeen zowel tot toewijzing als tot afwijzing van de vordering kan leiden. Dat maakt het voor de critici meer acceptabel.6 De rechtspraak uit het pre-Woolf tijdperk zal richtinggevend blijven voor de overwegingen die in een kosten-baten analyse ten gunste van de verweerders kunnen spelen.
De rechter die over de uitvaardiging van een GLO beslist, dient in zijn beslissing ook de overweging te betrekken of toepassing van een andere vorm van consolidatie in het proces, bijvoorbeeld een `representative action', niet geschikter is en daarom niet de voorkeur verdient. De CPR zeggen dat niet met zoveel woorden, maar bevatten een soortgelijke instructie voor de GLO-verzoeker.7 In de literatuur wordt op grond hiervan verdedigd dat ook de rechter zich hierover zal moeten uitlaten.8